|
|
|
| |
[Roelof Arends, de Jonge]
Arends (Roelof), de jonge. Deze niet
onverdienstelijke dichter, van wien ons geene levensbijzonderheden bekend zijn,
gaf in 1757 een' bundel gedichten in het licht van onderscheiden aard en
inhoud, in sommigen van welken de beschavende (dikwijls de verdervende) hand
zijner nette en zoetvloeijende tijdgenooten duidelijk te onderkennen is.
Trouwens de dichter was te Dordrecht
- aan den Merwestroom gezeten, in een oord
Zijn' dichtlust koesterden:
Van alle hulp verlaten
2.
Weshalve hij zijne toevlugt tot
philip zweerts nam, te
Amsterdam, die hem ‘ten dichttooneel deed
stappen’, naar de gewoonte van dien tijd, in
| | | |
kwarto, met lofdichten, en eene vereerende opdragt aan zijn' mecenas,
den Heer zweerts. Deze bundel bevat inderdaad enkele goede dichtstukken, waarin
het niet aan vernuft en aardige wendingen ontbreekt. De zoogenaamde
‘Bijbeldichten’ zijn weinig meer dan berijmde passages uit de
Heilige Schrift. Zijne ‘Klinkdichten’ zijn - klinkdichten, zoo als
zij behooren te zijn: van veertien regels; dat, getiteld: De Drie
Razernijen
1 heeft in ons oog eenige dichterlijke verdiensten. De weinige
‘Minnedichten’ zijn los en bevallig: de dichter heeft poot met
gevoel gelezen. Onder de ‘Mengeldichten’ verdient de Zedeprint
van een' geldzugtigen Pleitbezorger
2, in den smaak van
huygens, hare plaats; hier ruimen wij er
eene in voor het niet onaardige stukje, getiteld:
Verrukking.
Wie voert my onverhoeds van de aard,
Wie stuurt myn klanken hemelwaart?
Wie doet my, in die vlugge vaart,
De wolken dryven aan myn zy.
De trotsche torens deizen.
De heuvelen ontzinken my.
ô Dichtkunst! staa uw' dichter by:
't Is schroomlyk hier te reizen.
| | | |
Hoe dikwyls tuimelden voorheen
Van deze steilte naer beneên!
Wie hier zyn kragt wil overschreên,
Ziet haast zyn' yver blusschen.
Maar zagt, wat hemelsche Pandoor
Wie is het? Venus of Auroor,
Belust om op het veld zig voor
Daal neer, ô schoone! wie gy zyt:
Ik weet dat alles heeft zyn' tyd,
En dat zig een, die kust en vryt,
Niet gaarne ziet betrappen.
't Gaat wel: zy komt me naderby.
Nu kan ik haar beschouwen.
Wees welkom, schoone, op wie ik my
Gerust hier durf vertrouwen.
Dan och! uw hemelsblaauw gewaad,
Bezaaid met heldre starren,
Wier glans op 't koningklyk gelaat
Zoo luisterryk te schittren staat,
Zal myn gezigt verwarren.
ô Ja! ik zie my ziende blind
Op zulk een' gloed van stralen.
Best vlugten wy van hier gezwind.
Waar zig een godlyk licht bevindt,
Daar zal ons oog verdwalen.
| | | |
Maar stil: daar roept ze my weêrom:
‘ô Bloode! vlugt niet heenen;
Gy zyt my dubbel wellekom.
Ik koom, om u by 't dichterdom
Myn' bystand te verleenen.’
Wat 's dit? terwyl ik met veel spoeds
My diep voor haar verneder,
Verdwynt ze met haar vlugge koets;
En ik, ik vind my onverhoeds
Hier by myn boeken weder
1.
De besten van zijne Bijschriften en Puntdichten hebben wij reeds
elders opgenomen
2.
In 1772 gaf hij een' tweeden bundel met gedichten van denzelfden
stempel uit, dien hij in 1774 volgen deed door eene vertaling van klopstocks
treurspel, De dood van Adam.
|
2Gedichten van r. arends, den jongen,
Opdr.
1Gedichten van r. arends, den jongen, Opdr. blz.
70.
1Gedichten van r. arends, den jongen, blz.
99.
2Epigrammatische Anthologie, blz.
117.
|
|