|
|
|
| |
[Bernardus Jacobus Bongardt]
Bongardt (Bernardus Jacobus). Zeer spijt
het ons, dat wij, ondanks alle aangewende moeite, niet hebben kunnen bekomen 's
mans Troostzang of Rymkatechismus, in LIV Psalmen voor Davids Huis, geschikt
naar ursinus Leerwyze en datheens
Zingtrant, by de zogenaemde waere Gereformeerde Batavieren; om verbysterde
Kristenen te regt te brengen, of te koesteren, in de Moederschoot der Heilige
Katholike Kristelyke Kerk, Hoorn, by t. tjallingius 1762, ten einde
den lachlust onzer lezers in een' ongemeen hoogen graad op te wekken; dan, wij
doen wat wij kunnen, en leveren, tot dit oogmerk, uit de tweede hand
1 eenige staaltjes van dit stukje, welks inhoud nog zonderlinger is
dan deszelfs titel:
De Wet doet me eerst opletten:
En min den naasten.’ (Sant
Santinnen, Quant en Sletten)
-
Viel ik in hem, en werd, in Aart, Gods mallen
| | | |
Geloof aan God, in God en God verschilt
Niets in opregt Geloof. 't Koomt aardig:
't Blyft by de Bruid, schoon zy 't bedilt.
Door dit Geloof is ze al Regtvaardig
En heilig: ja 't geloof maakt haar
Opregt in Gods Schriftuurzin klaar.
't Leert ons ook God, met Gods beloften,
Verstaan, begeeren, en in kruis
Vertrouwen, niet verwaant, als schoften,
Als Huichelaars; maar als Gods Gruis
1.
-
o Nutte Kruisleer! dat wy zyn gekruist
Toen Kristus stierf, gedood en voorts begraaven;
Zoo wy hem zoeken, ons gedrag beschaven
En God eerbieden, hinkende en vergruist,
-
De Misdienst zegt: geen heil word ooit verovert
Van Kristus kruis, ten zy hy word getovert
In Schuim en Wyn: ook moet ge eerst daarvoor knielen
Eer hy ter keel insnapt, naar Buik en Hielen
3.
-
Als Leeraars eerst vertoonen
Wie in Gods Ryk zal woonen
En voorts wie by de Honden
In 't Helhol word gezonden;
| | | |
Dan werkt de Predikaatsy egt.
Verwringt gy dezen Sleutel,
Dan maakt hy slegts gereutel;
Want dwarsom draait hy overslegt
1.
-
Waardeere ik alle Goede werken nuttig:
Ten blyk dat ik bekoort ben, om, niet duttig,
Maar raps te zyn tot 's Naastens Nut, Gods roem
En mynen troost als Jesus Zonnebloem
2.
Men denke niet dat bongardt de dolhuispoëet was, van wien
van effen spreekt
3,
ô neen! toen hij dezen Troostzang uitgaf was hij Gereformeerd
predikant, of, gelijk hij zich zelven betitelt: ‘Pastor’ te
Hoorn.
|
1Vaderl. Letteroef. III Deel, I St. blz.
181.
3Holl. Spectator, I Deel, blz. 189.
|
|