|
|
|
| |
[Anna Byns]
Byns (Anna)
1, eene geestelijke dochter en schoolmatres te
Antwerpen, bloeide ten tijde van de opkomst der Hervorming,
tegen welke zij dapper met rijmen en refereynen te velde trok. Wij hebben
eenige der wapenen, waarmede zij de Vermaledide Luytersche secte bestreed, voor
ons liggen, namelijk een bandje met twee werkjes in lang formaat; het eene
getiteld: Dit is een schoon ende suuerlijc boexken,
inhoudende veel schoone constige refereynen, vol
scrifturen ende doctrinen van diuerschen
materiën, na wtwijsen der regulen, als hier int
register na volgen, seer wel gemaect vander eersame ende
ingeniose maecht Anna bijns, subtijlic en
| | | |
rethorikelic,
resuterende ind waerheyt alle dese dolingen ende groote
abusyen comende wt die vmaledide Luytersche secte. Die welcke
niet alleen van allen doctoren ende
vnivsiteiten: mer ooc vand' keyserlicke majesteyt rechtvdelic
gecondenneert is, gedrukt te Antwerpen in 1541; het andere
heet, Het tweede Boeck vol schoone ende constighe Refereynen, vol
schrifturen ende leeringhen, van menigherhande saken, na wtwijsen der regulen
die hier int register navolghen, seer subtijlijk ende
Rethorijckelijck gemaect van der eersame ende verstandighe maecht Anna
Bijns, seer treflijck straffende alle Ketterijen ende dolinghen van desen onsen
tijde, mede te Antwerpen in 1553 gedrukt, beiden waarschijnlijk vroegere
drukken van dezelfde werkjes, waaruit de heeren de vries
1 en willems
2, en vroeger reeds huisinga bakker
3, proeven medegedeeld hebben; althans
dezen worden in hetzelve ook gevonden.
Men kan niet ontkennen dat in dit misselijk gerijmel hier en daar
eene goede poëtische gedachte voorkomt, maar men moet er ook wel naar
zoeken; en zeer zeker is het bij den heer de vries medegedeelde nog wel een der
beste brokken. Dat | | | | hare tijdgenooten haar, koddig genoeg, met
sappho vergeleken, en hare refereynen in slechte hendecasyllaben of wel
gerijmde (!) Latijnsche verzen overbragten, is nog geen reden om van deze
gebrekkelijke voortbrengselen zoo veel ophefs te maken; zij zijn zeker
eenigzins vloeijender en minder met basterdwoorden doormengd dan de lamme
rederijkersgedichten, maar daarom nog in lang niet sierlijk en zuiver van taal;
hare levendige verbeelding, is eigenlijk onbezuisde geloofsijver, hare
vernuftige invallen zijn schimpschoten op de hervorming, en hare kracht van
uitdrukking bestaat in razen en schelden op
luther, die zeker ook geene hoffelijke
uitdrukkingen tegen den Paus en de Katholieken gebruikte. Wij geven toe dat
anna's taal zuiverder is dan die der rederijkeren, dat hare gedichten en
invallen levendiger zijn, en hare refereynen ook losser rollen, maar dat is het
ook al; en men ziet klaar dat de kunst, die, gelijk huisinga bakker zegt, als
een kind bij haar school ging, een kind gebleven is. De afstand van eene eeuw
tusschen het vernuft der dochters van roemer visscher, beiden insgelijks
Katholiek, en dat van anna byns is al te bemerkbaar, om te veronderstellen dat
hetzelve nog bij haar ter schole gegaan zou hebben.
Als wij van anna byns te rug zien op
melis stoke en
maerlant, hoe ver is zijn dan niet alreeds
boven dezen gevorderd! hoe laag zinkt zij nogtans weder weg bij
vondel en zijne tijdgenoo- | | | | ten! en wat zijn dezen bij onzen eenigen
bilderdijk! Het oneindig voorwaartsstreven
van den menschlijken geest schijnt ten minste in ons vaderland geen schoone
droom te zijn.
Dat wij kost, die ons niet smaakt, even daarom ook anderen zouden
onthouden, ware zoo onbeleefd als verwaand; kost bovendien, die oordeelkundigen
van vrij wat meer gezags dan wij geproeft en gansch niet onsmakelijk gevonden
hebben, zoo dat onze smaak ons oordeel ligt kon misleiden. Wij willen derhalve
uit elk der beide zeldzame werkjes eene proeve hier mededeelen, verschillende
van die, welke men reeds elders opgedischt vindt
1. Wij
kiezen - niet, maar slaan het bandje open bij het 22ste refereyn van de eerste
verzameling:
Lucifer sal lutherum croonen feestelijck
Want hi heeft hem menighe siele ghewonnen
Die eens waren gheestelijck, maect hi beestelijck
Tspel dat hi heeft gheroct, wert vast ghesponnen
Hi doetse qualick enden, die wel begonnen
Donstantachtighe macht men nv kennen voorwaer
Religiosen, beyde moncken en nonnen
Die reynicheyt gheloofden ouer menich iaer
Dien wert haer oordene nv veel te swaer
Si en willen niet meer draghen, sots caprunen
Deen loopt hier hoere, dander boeve daer
En hanghen haer cappen opte tunen
| | | |
Si en achten ghelooften wielen oft crunen
Maer loopen in dwilde, als menschen verwoet
Van deene sonde in dander, als turcken en hunen
Dit zijn de miraculen die Luther doet.
En uit het tweede boek, het begin van het 14e refereyn:
O Fy serpenten gespuys Vipers gebroetsel// quaet,
Die v moeder de heylige kercke duercnaecht
Slanghen venijn dat is v voetsel// jaet
Want gheestelijck en weerlijck ghy belaecht
Dat v ketterije gheen jonste en draecht
Vleesch eeters, bloetsupers, van muncken en papen
Want v haerlien leuen niet en behaecht
Om dat ghy zijt van den schorsten schapen
Liefhebbers ws selfs die wt zijt om rapen
Die van den gheest clapt en zijter heel sondere
Malchus geslachte, die Jesabel verknapen
Om gods propheten te brenghen tondere
Ghy noemt u Christen bruers en bedrijft wondere
Teghen Christum als boden van Antechriste
En onder tschijn van duechden, soect ghi der lien
kiste.
Einde des eersten deels.
|
1Paquot, Mém. Tom. V, pag. 406.
Foppens, Biblioth. Belg. Tom. I, pag. 63. Chalmot, Biogr.
Woordenboek, V Deel, blz. 162. N.g. van kampen, Gesch. der Ned. Letterk. en
Wetensch. I Deel, blz. 45.
1Gesch. der Ned. Dichtkunde, I Deel, blz.
34.
2Verh. over de Ned. Tael- en Letterk. I Deel,
blz. 225.
3Werken van de Maetschappy der Ned. Letterkunde,
te Leyden, V Deel, blz. 93.
1Hiervoor, blz. 454. Noot 1, 2 en 3.
|
|