|
|
|
| |
| | | |
[Agatha Deken]
Deken (Agatha)
1, die wij reeds ontmoet hebben als de
vriendin der brave en godvruchtige
maria bosch
2, en nogmaals als
zoodanig zullen aantreffen in gemeenschap met
elisabeth bekker, weduwe van
adrianus wolff in het artikel aan deze
gewijd, werd geboren den 10 December 1741 in de nabijheid van
Amstelveen; hare ouders waren brave, welgestelde
landlieden, doch, die door een' zamenloop van rampen en tegenspoeden tot
behoefte vervielen en beiden ten grave daalden, toen agatha naauwelijks drie
jaren oud was. De regenten van het weeshuis der Rhijnsburgsche Collegianten te
Amsterdam, ofschoon hare ouders tot deze gezindte geene
betrekking hadden, namen liefderijk de zorg voor de opvoeding van het weesje op
zich, en weldra ontwikkelde zich haar beminnelijk, godvruchtig en edel
karakter, terwijl zij door dankbaarheid en een zedig gedrag zich de gunst van
hare edelmoedige verzorgers waardig maakte.
Reeds vroegtijdig gaf zij blijken van hare zucht en geschiktheid
voor de beöefening der fraaije letteren en de dichtkunst, en gelukkig
bleven dezen niet onopgemerkt; de voornaamste leden van het letteroefenend
genootschap: Diligentiae omnia moedigden deze zucht aan, wijzigden
dezelve en zagen spoedig de gewenschte gevolgen van hunne poging- | | | | en.
‘Ook de moschroos,’ zegt haar welsprekende
lofredenaar
1, ‘in het
wild gestruikt, buigt het hoofd naar den grond, zonder te worden opgemerkt:
eerst dan, wanneer de kenner haar op de juiste hoogte plaatst, verheftzich haar
purper boven duizend andere bloemen, en dingt in den ganschen lusthof naar den
prijs der eer.’ De Heer Duplouis, een man van
oordeel en smaak, droeg edelmoedig zorg voor de onderrigting en
verstandsbeschaving der jeugdige agatha, op eene wijze volkomen geschikt naar
haren aanleg; en zoo trad zij de wereld in met een schuldeloos hart vol reine
godvrucht en gevoel voor het edele en goede, met eene ziel verwarmd door de
eenvoudige godsdienstleer van jezus zelven, en afkeerig van allen kerkdwang en
voorschriften van sectenhoofden, die deze leer zoo jammerlijk misvormd hebben;
zij trad de wereld in, op een tijdstip, dat er in ons vaderland nog eene
heerschende kerk bestond, die door haren invloed op het staatsbestuur en de
zamenleving met nadruk toonde dat zij heerschte; zij trad de wereld in, toen
men nog van nature geneigd was God en zijne naasten te haten, en negenendertig
artikelen ter zaligheid noodig oordeelde, terwijl het eenvoudige, vrome
weesmeisje van nature God en hare naasten hartelijk lief had, en het met een
paar geloofsartikelen wel doen kon; zij trad de wereld in, niet als eene rijke
erfgename, beschermd door vermogende | | | | bloedverwanten, in het
vooruitzigt van eene schitterende toekomst, maar in een' staat van volstrekte
afhanglijkheid
1 ‘Gelaten
in haren stand, en boven de woelingen van ziedende hartstogten verheven, was
hare ziel vrede. Stil van aard, altijd eenvoudig en eenparig van geest, schatte
zij elke aanwinst van kunde en genot naar waarde. Weldra werd zij door hare
meerderen geëerd, en ontving de schatting van zeldzame verdiensten; men
zocht hare verkeering: haar weetlust vond zich gesterkt, hare vinding
uitgebreid, en zij zelve zich eerlang tot dichteresse en schrijfster verheven
2.
De vijfjarige zamenwoning en de gemeenschappelijke beöefening
der poëzy met hare vriendin, de godvruchtige
maria bosch, die zoo geheel met haar
eenstemmig dacht en gevoelde, vreugd en leed met haar deelde, voor wie zij in
haren ziekelijken toestand een vertroostende engel was, wier laatste krankbed
en godvruchtig uiteinde zij zoo aandoenlijk bezong
3,
besliste de vorming van haren smaak voor het eenvoudige, heldere, gevoelige,
hartroerende, waardoor hare gedichten zich meer onderscheiden, dan wel door
hooge vlugt of stout- | | | | heid van denkbeelden; ‘het zijn de
levendige gewaarwordingen der ziel, getoetst aan de ervaring en door haar als
echt erkend. Namen, beelden, vergelijkingen, leenspreuken, vragen,
uitroepingen, zijn de bloemen waarmede de konst wordt gestrooid, zonder echter
waarheid of duidelijk begrip aan geleende sieraden op te offeren. De uitvoering
is even levendig als het oorspronglijk gevoel bij de eerste voorstelling.
Verband en eenheid, bij afwisselende uitweiding, geven kracht aan het geheel,
en de lezer wordt als het ware onvrijwillig met denzelfden droom medegevoerd
1. De
Stichtelyke Gedichten, die zij in 1775 met die van hare overledene
vriendin uitgaf, werden met genoegen ontvangen, en geoordeeld opwekkende
denkbeelden te behelzen, ‘in vloeibare verzen, voorgedragen in een'
onopgesmukten stijl, die de aandacht vestigt, het harte roert, en den geest
vervult met indrukselen, welken, naar eisch gadegeslagen zijnde, niet nalaten
kunnen een' heilzamen invloed op het gedrag te hebben
2.’
Het verlies van hare vriendin werd haar weldra vergoed door
elisabeth bekker, echtgenoote van
adriaan wolff, toenmaals, predikant in de
Beemster, eene vrouw, wier levendig karakter, vlug vernuft, luimige
geestigheid en bijtende scherts, | | | | oppervlakkig beschouwd, zoo
weinig met agatha's stille zachtzinnigheid, bedaarde redenering, aandachtigen
onderzoeklust en bedachtzamen ernst schenen te strooken, en echter bestond
tusschen deze beide zoo verbazend ver uiteenloopende karakters agtentwintig
jaren lang onafgebroken eene vriendschap zonder voorbeeld.
Naauwelijks had zij in Amsterdam het berigt ontvangen van het
schielijk overlijden van
a. wolff, op den 29 April 1777, of zij
schreef dienzelfden dag aan zijne weduwe:
Ik voel al wat gij voelt: 'k zal morgen bij u wezen
1.
en snelde naar de Beemster, om hare vriendin te troosten niet
alleen, maar ook om haar niet weder te verlaten, gelijk zij haar dan ook op
haren verderen levensweg verzeld, en lief en leed, ballingschap en behoefte
getrouw met haar heeft gedeeld, en haar slechts negen dagen overleefde.
Haar gemeenschappelijk verblijf uit de Beemster
eerst naar de Rijp en vervolgens naar de
Beverwijk verplaatst hebbende, sleten de beide vriendinnen
aldaar hare gelukkigste en vergenoegdste dagen op het bekoorlijk
Lommerlust; aldaar vervaardigden zij die vernuftige geschriften in
verzen en proza, die met zoo veel genoegen ontvangen en gelezen werden.
Welverdienden roem verwierven zij door | | | | hare vaderlandsche romans,
de Historie van Sara Burgerhart, van Willem
Levend en van Cornelia Wildschut, waarin al de karakters en
handelende personen naar de natuur geteekend zijn en op den vaderlandschen
bodem te huis behooren. Zonderling is het dat op de titels van al deze
onmiskenbaar oorspronglijke romans staat: niet vertaald. Waarschijnlijk
was dit een satyrieke zet van de schrijfsters, waarvan de bedoeling niet
duister is; een niet vertaalde goede echt Nederlandsche roman, was toen een
phaenomen, dat men nog niet gezien had, en moest derhalve ook met deze
bijvoeging aangekondigd worden. Hoe het zij, men las deze werken met ongemeen
veel vermaak, gelijk ook de uitmuntende Brieven van Abraham
Blankaart, waarin agatha deken hare edele, inschikkelijke en
verdraagzame denkwijze, haar gezond oordeel, menschenkennis en goedhartigheid
op zulk eene eenvoudige, innemende, onderhoudende en aangename wijze aan den
dag legt, want het lijdt geen twijfel dat zijdeze brieven, zoo niet allen, ten
minsten grootendeels heeft opgesteld.
Grootendeels van hare hand zijn ook de Economische
Liedjes, welken, zegt haar lofredenaar, ‘miskenning van den
volksgeest, en het staatsverzuim, om dezen geest te voeden, uit de scholen
gebannen heeft
1.’
Welk eene eenvoudig- | | | | heid, natuurlijkheid, en welk eene
bevalligheid tevens heerscht in dezelven! Elk wordt daarin tot pligtvervulling,
nijverheid, vaderlandsliefde en alle maatschappelijke deugden opgewekt door
drijfveeren, die in zijn' stand, beroep of werkkring zelven liggen, terwijl
verstand en hart er ook een wel eenvoudig, maar gezond voedsel in vinden.
Wij zouden niet eindigen, indien wij alle vakken van het uitgestrekt
gebied der letterkunde wilden doorloopen, waarin onze deken met hare vriendin
werkzaam was; en daaronder zelfs die geweldig | | | | ver uiteenloopen,
ook zoodanigen, waarin anders zelden door vrouwen geärbeid wordt. Wij
zullen hierover eenigzins breeder spreken op het artikel van dekens vriendin,
als wanneer wij natuurlijk ook op haar weder te rug zullen komen.
Van de onlusten, die ons vaderland in het achtste tiental jaren der
vorige eeuw zoo jammerlijk teisterden, bleven beide vriendinnen geene
onverschillige aanschouwers; hare pen was dier partij gewijd, die door
Pruissische huzaren beduid werd dat zijongelijk en de toenmalige Stadhouder
gelijk had. Velen, die met deze wijze van betogen geen genoegen namen,
verlieten den vaderlandschen bodem en weken naar Frankrijk; ook agatha
volgde hare vriendin derwaarts, en beide vrouwen verkozen
Trevoux tot haar verblijf, welks bekoorlijke omstreken zij
in eenige dichtstukken regt schilderachtig bezongen, die in 1789 te 's
Hage in het licht kwamen, onder den titel van Wandelingen door
Bourgogne. Aanvanglijk smaakten zij hier vele genoegens; dan de
Fransche omwenteling barstte uit: het vreedzaam Trevoux zag ook zijne
onschuldige burgers onder de moordbijl vallen; en de tedergevoelige deken had
de onbeschrijflijke smart van te zien dat het schrikbewind ook zijne klaauwen
naar hare meer dan zusterlijke vriendin uitstrekte; bekker, voor den bloedraad
gedaagd, om hare veroordeeling aan te hooren, ontkwam de moordbijl slechts door
hare tegenwoordigheid van geest met hare beschul- | | | | digers slechts
met boert en spot te bestrijden, en der grijnzende bloedgierigheid een'
glimlach af te persen, die het sein was dat zij in de armen harer
beängstigde vriendin kon wederkeeren.
Hartelijke vriendschap hadden zij gesloten met zekere mevrouw
renauld, wier echtgenoot onschuldig als
een offer des schrikbewinds in den kerker zat, waaruit zij hem echter wisten te
redden. Deze edelmoedige en erkentelijke vrouw nam, toen een trouwlooze vriend
al het tijdelijk en vrij aanzienlijk vermogen, hetwelk beide vrouwen bij hare
uitwijking hem toevertrouwden, had ontvreemd, en zij dus volstrekt behoeftig en
verlaten waren, de zorg voor haar onderhoud welwillend op zich. Veel kostte het
zeker dezen van het geliefd Trevoux, en vooral van zulk eene edele
vriendin te scheiden; dan
De liefde tot zijn land is yeder aengebooren
1
en deze trok zoo wel deken als hare vriendin, toen in 1795 de
Fransche wapenen eene geheel andere orde vanzaken op den Nederlandschen bodem
daargesteld hadden, met te sterke koorden: beiden keerden alzoo te rug, en
namen haar verblijf in 's Hage. Op eene kiesche wijze werd
hierdoor eenigen harer vrienden, en vooral door een' edeldenkend' en dankbaar'
boekhandelaar, die uit ondervinding | | | | hare verdiensten wist te
waarderen, in haar onderhoud voorzien. Zij namen de pen weder op, en leverden
eenige oorspronglijke opstellen en vertalingen; deken schreef onder anderen, in
1799, een hartelijk woord bij gelegenheid der afscheiding van de Kerk van den
Staat en der toen op het tapijt zijnde hereeniging tusschen de Remonstranten en
de aankleveren der Dordsche canons, door de eersten aangeboden, doch door de
laatsten van de hand gewezen. Het stukje is nog lezenswaardig, en heet:
Mijne Offerhande aan het Vaderland. Vervolgens leverde
zij verscheiden bijdragen tot de Christelijke Gezangen en Liederen, ten
gebruike van de Doopsgezinde gemeente te Haarlem. In hare
Liederen voor den Boerenstand heerscht nog dezelfde toon
en bevallige populariteit, die ons in de Economische Liedjes zoo zeer
behagen; minder lofs moeten wij toekennen aan de liederen onder den titel:
Iets voor Ouderen en Kinderen, met de vorigen kort voor
haren dood uitgegeven, en welligt haarzwanenzang, vervaardigd voor het krankbed
harer dierbare vriendin, die haar dan ook eindelijk op den 5 November1804
ontviel.
‘Het overlijden van hare vriendin,’ zegt de Heer
scheltema
1 ‘veroorzaakte zulk een' schok
in haar gestel, dat men haar' dood als een | | | | gevolg van denzelven
mag aanmerken. In het eerst was zij zeer gelaten, en meer bedaard dan de
meesten harer vrienden verwachtten, die haar kwamen troosten,’ dan reeds
den volgenden dag wierp eene koorts haar insgelijks op het krankbed; spoedig
volgde een verval van geest- en ligchaamskrachten; zij stierf den 14 November,
en werd twee dagen daarna, op het kerkhof te Scheveningen,
aande zijde van hare vriendin begraven.
Diep werd het gemis dezer beide verdienstelijke vrouwen gevoeld en
betreurd, door ieder die prijs stelde op gezonde godsdienstige begrippen,
verlichting, deugd en zedelijkheid, in zulk eene ruime mate door beiden onder
ons bevorderd. Dit gevoel openlijk uit te drukken, was eene verpligting der
erkentelijkheid, en van deze kweet zich de Amsterdamsche Afdeeling der
Bataafsche Maatschappij van Taal- en Dichtkunde op den 14 Maart 1805, wanneer
de Heer
j. konijnenburg in haren naam eene
voortreffelijke Lofrede
1 uitsprak, en de Heer
Mr.
m.c. van hall een' uitmuntend schoonen
Lierzang
2 voordroeg.
Agatha deken, die wij toevallig in dit werk een drievoudig artikel
moeten inruimen, verdient zulks ten volle. Als godsdienstige, zede- en
volksdichteres moet hare nagedachtenis nog lang bij ons | | | | in
zegening blijven, en wij kunnen hare eenvoudige, stichtende, opwekkende,
roerende en deugdwekkende gedichten, vooral den middelstand en het opkomend
geslacht, niet genoeg aanprijzen, al is het ook dat wij uit de groote menigte
hier slechts een enkel mededeelen, met de verzekering dat allen goed, ja, velen
voortreffelijk zijn; het is een van hare vroegere opstellen, en zeer lezens- en
behartigenswaardig voor de geenen die nog in dat levenstijdperk zijn, hetwelk
het opschrift aanduidt, namelijk
De jeugd.
Blyde en zorgelooze Jeugd!
Zaligste aller stervelingen!
Help myn doffe Zangster zingen!
Zing met haar uw gulle vreugd!
Alles wat gy hoort en ziet,
Alles wat gy kunt verwachten,
Schenkt u vrolyke gedachten:
Sombre droefheid kent gy niet.
Naauw voelt gy door 't zonnelicht
't Halföntlooken oog bestraalen,
Of uw blydschap kent geen paalen,
Straalt op 't vriendlyk aangezicht.
Na den blyden Morgengroet
Denkt ge: In welke vrolykheden
Zal ik deezen dag besteden,
En wat houde ik nog te goed?
| | | |
Nooit valt de Avond u te lang:
Gy weet de uuren te verdeelen
Tusschen 't lieflyk orgelspelen
En 't zieltreffend maatgezang.
Of gy scherpt uw fyn vernuft
Op een reeks van oefeningen,
Waarvoor 't brein der stervelingen
In den aanvang staat versuft.
Of de Vriendschap schenkt u vreugd;
Doet uw gulle blydschap groeijen,
Daar 't onschuldig, zedig stoeijen
't Ligchaam sterkt, den geest verheugt.
't Nadren van den stillen Nacht
Doet u voor geen onheil zorgen,
Daar gy, na uw rust, een' morgen
Vol van zaligheên verwacht.
Als de wind in 't Najaar woedt,
Kan geen zorg uw' geest verdrukken:
Gy verlangt dan 't ooft te plukken,
't Geen uw hoop reeds heeft gevoed.
Goudgeele appels, schoon en frisch,
Doen u d'eêlsten nektar smaken;
Druiven kunnen u vermaken,
Door geen bange zorg gestoord,
Dat de fruit u iets zal schaden,
Moet het all' u bly verzaden,
Wat uw hart en oog bekoort.
| | | |
't Allerstrengste Jaarsaizoen
Ziet gy zonder kommer nadren:
't jeugdig bloed vliegt u door de adren:
Wat zou u de Winter doen?
Schenkt u nog veel meer genoegen,
Als ge u-zelf, nu moê van 't zwoegen,
Aan het Buitenleeven wydt.
Als gy door het gulle zand
Heenen stapt, en, wit bestoven,
U verlustigt in de hoven,
Of vermaakt op 't lugtig land.
Als gy in het groene gras
Dartelt met uw Medgezellen,
En, om vriendlyk hen te kwellen,
Plofplast in een waterplas.
Als gy, aan vermaak gehecht,
Zachtjes afglydt langs de zoomen,
En u spiegelt in de stroomen
Van de zilverblanke Vecht.
Als gy 't Ros, schoon wuft en stout,
Moedig spant voor uwen wagen,
En al rollende u laat dragen
Naar het Harelemmer Hout.
Als gy daar het Pluimgediert'
Vóórkomt met uw lieflyk kweelen,
Vreugderyk geboorteüur viert.
| | | |
Als gy ziet hoe zelfs de nacht
Mensch, en Vee, en Planten zegent,
Paerels op het aardryk regent,
Eerst uit de aarde omhoog gebragt.
Ziet den daauw van 't bloempje lekken,
Die 't tot voordeel niet zou strekken,
Maar veel eerder schaden kon.
Als gy, om, den heeten gloed
Van de Middagzon te ontkomen,
Zit in schaduw van de boomen,
Wyl u 't lugtig voedsel voedt.
Als gy, in den Avondstond,
't Weste windje zacht hoort spelen,
En verkwikking meê ziet deelen
Aan den halfverschroeiden grond.
Als der vooglen zoet geluid
In 't bosschaadje u kan bekooren,
En gy bly hunn' zang moogt hooren,
Tot Natuur hen de oogen sluit.
Alles wat den geest verheugt,
Alles wat u kan vermaken,
Kunt gy in den Zomer smaken,
Vreugd van 't Menschdom! gulle Jeugd!
Maar de Lente, uw Zielsvriendin,
U gelyk in aart en jaren,
Wilde ik liefst voor 't laatst' besparen:
Zy geeft u het grootst gewin.
| | | |
Zy lagcht de Aarde minzaam toe:
Wil haar door heur warmte stooven,
Vrede en zaligheid belooven,
In gedienstigheên nooit moê.
Als Zy ademt krygt Natuur
Kracht en groei, en warmte en leven.
Niets kan d'invloed wederstreeven
Van het zachte lentevuur.
Zy, een Minnares der vreugd,
Plant, langs effen wandelpaden,
Hoven vol met bloemsieraden,
Tot vermaak van u, ô Jeugd!
Zy versmelt, door haaren gloed,
Kuische harten, reine zinnen,
En ontsteekt de drift tot minnen,
Zelfs in 't allerkoudst gemoed.
Ze is gedurig aan uw zy':
Haar hoort ge overäl u roemen:
Zy zet, door haar schoone bloemen,
U de schoonste schoonheid by.
Wie ook kwyne, en zorge, en zucht',
Gy verkiest van vreugd te kweelen:
Want uw yver bouwt kasteelen,
Schoon, ô jammer! in de lucht.
Lente, daar ge uw oog op slaat,
Doet u denken: ‘ô! zo heerlyk,
Zo bestendig, zo begeerlyk,
Is myn blydschapvolle staat!
| | | |
Ik ben als die lentebloem,
Die men hoort van ieder looven,
Ja, ik ga haar verr' te boven,
En verdien veel grooter' roem.
Welk een onäfmeetbaar veld
Van geluk staat voor my open!
Ik zal eer op rykdom hoopen,
Roem vermeerdren met myn geld.
Dees myn arm zal, door zyn kracht,
Nyvrig werken, wroeten, slaven;
In de diepste goudmyn graven,
Van den ochtend tot den nacht.’
Laat myn Zangster, lieve Jeugd!
Laat haar onbelemmerd zingen
Van uw losse handelingen,
Van uwe onbedachte vreugd.
Gy begint, met drift en vuur,
All uw zinnen opteschrandren,
Werkt veel zaken door elkandren,
Maar verricht niets op den duur.
Nu is 't eene van uw' smaak,
Dan zult gy weêr 't andre kiezen.
Maken, breken, tydverliezen,
Is bestendig dus uw zaak.
Zy die, van verheevner aart,
In haar blyde Lentejaren,
Godsvrucht met hun blydschap paren,
Zyn te meerder achting waard.
| | | |
Ach! kon ik, door zorg en vlyt,
U, ô Jeugd! een' indruk geven
Van 't vermaaklyk, Godeleven!
Hoe vernoegd sleet ik myn' tyd!
Zie, ik vroeg, u, onbevreesd,
Reine Godsvrucht lieven, eeren,
Onverniste deugd waardeeren;
Dit 's een wellust voor myn' geest.
Is dit reeds uw liefste zin;
Wil dan naar geen waereld hooren
Laat toch niemand u verstooren
In uw pryzenswaard begin.
Houd u aan den Hoogsten vast.
Wuftheid moog' naar 't dwaze jagen:
Ach! hoe zal zy 't zich beklagen,
Als haar de Eeuwigheid verrast!
Wordt de Heiland vaak gehoond;
Durft men roekloos hem versmaden,
Laat hy uwen geest verzaden,
Daar de Godheid in hem woont.
Laat dan, Godgezinde jeugd!
Nimmer u de deugd verdrieten.
Al de vreugd die we ooit genieten
Wordt door haar eerst ware vreugd.
Laat die vreugd, van uw gezicht,
In 't gezicht der Oudren stralen:
Dan kent ook hun vreugd geen paalen,
Als gy leeft naar uwen pligt!
| | | |
Dan ziet gy hen, weggerukt
Door een dankbre blydschap, nadren
Tot den Vader aller vadren,
Met uw heil op 't hart gedrukt.
Dan zal eens hun zilvren hair,
Daar hun zorgen gantsch verdwynen,
Door uw deugd al schooner schynen,
Meerder schittren, jaar op jaar.
Dan eens zullenze all' hunn' druk,
Al hun zwoegen, al hun zweeten,
Al hun voorig leed vergeten,
Dan zult gy, 't gevaar der jeugd,
Op des waerelds woeste baren,
Eindelyk geheel ontvaren,
Vast staan op den weg der deugd.
Vast staat gy dan in uw hoop,
In uw zaligend vertrouwen,
Dat ge uw' Goël zult aanschouwen,
Na het eind' van d'aardschen loop.
Vast staat gy dan tot de Dood
U, van 't logge stof ontslagen,
Vriendelyk zal overdragen
In uws Vaders liefdeschoot
1.
|
1J. scheltema, Korte
Levensschets van a. deken: Alg. Konst- en Letterbode, 1804, II Deel,
N 0. 49, blz. 322.
1J. konijnenburg,
Lofrede op e. wolff, geb. bekker, en a. deken, blz. 54.
1Zie haar dichtstuk Euzebia, of de
Godvruchtige Dienstmaagd, waarin zij zichzelve schetst: Stichtelijke
Gedichten van m. bosch en a. deken, blz. 307.
2J. konijnenburg, Lofrede, blz. 56.
3Stichtelijke Gedichten, blz. 397.
1J. konijnenburg, Lofrede, blz. 57.
2Hedend. Vad. Letteroef. IV Deel, I St. blz.
268.
1Brieven van e. bekker en a.
deken, blz. 24.
1J. konijnenburg, Lofrede, blz. 64. Deze
miskenning van den volksgeest had wel het eerste plaats bijden uitgever; want
wel ver van deze Liedjes afzonderlijk voor eenige duiten te verkoopen, opdat
zij gemakkelijk in de handen en het geheugen des gemeenen mans kwamen, hetgeen
toch de bedoeling der opstellers was, verschenen zij gezamentlijk in 1781 in
drie groot octavo boekdeelen, ten prijze van f4.10; vervolgens begreep de
boekverkoopersspeculatie er een prachtwerk van te maken, en er kwam een druk
met platen voor den dag. Dezelfde dwaasheid beging men ook ten aanzien van de
door de maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen uitgegeven
Volksliedjes, waartoe men ook platen liet graveren, even als of deze
eenvoudige Liedjes bestemd waren om prachtige bibliotheeken te versieren! De
boekverkoopers miskennen wel eens meer den volksgeest, zoo wel als het doel
hunner schrijveren; wanneer hetzelve is hunne medemenschen te beschaven, te
verlichten en te verbeteren, is dat der uitgeveren somtijds enkel en alleen -
geldwinnen. De Rotterdamsche boekhandelaar
immerzeel, zelf een man van smaak en verdienstelijk dichter, heeft vrij
wat verstandiger gehandeld, met buiten de kostbare uitgave der Gedichten van
tollens, dezer dagen ook een' zindelijken en eenvoudigen druk voor eenige
stuivers verkrijgbaar te stellen; eene oplage van tienduizend exemplaren heeft
bewezen dat hij daarmede den volksgeest geheel niet miskende.
1Vondel, Gysbrecht
van Aemstel, laatste Toon.
1Algemeene Konst- en Letterbode van 1804, II
Deel, N 0. 43, blz. 324.
1Uitgegeven in 1805, te Amsterdam, bij
w. holtrop.
2Te vinden in zijne Gedichten, blz.
25.
1Stichtelijke Gedichten. blz. 347.
|
|