|
|
|
| |
[Jacob van Dyk]
Dyk (Jacob van), geboren te
Vlaardingen, den 25 Januarij 1745, was aanvanglijk van
beroep een baggerman, doch verhief zich door zijne vlijt en geestvermogens uit
dien lagen stand, en werd in 1789 Gaarder van 's lands gemeene middelen te
Nieuwerkerk aan den Yssel. Hij heeft de dichtkunst
niet ongelukkig beöefend. In 1784 behaalde hij bij het Haagsche
Dichtgenootschap den zilveren eerpenning, met zijn dichtstuk:
De verheerlijking van christus op den
berg
1
. Afzonderlijk ziet van hem het licht: De welberaden stap voor
't Vaderland, Haarlem 1787;
Gedichten van jacob van dyk, ald. 1789 met zijne
afbeelding, en De Verlossinge van lsraël uit Egipte,
mede ald. 1791.
Misschien leest men in onzen tijd 's mans luimig, en geestig
gedicht, handelende over de tientallige | | | | verdeeling der maten en
gewigten, met meer belangstelling dan in den zijnen, toen er nog niemand in
Frankrijk of bij ons om de invoering van het decimaalstelsel dacht: wij
zullen hetzelve derhalve hier eene plaats geven:
Wiskundige droom.
Lest was ik, door wiskundig denken,
Op Morseus veelvermogend wenken,
Beroofd van menschelijk gevoel,
In 't rijk der dromen opgetogen,
En zat met halfgesloten oogen
Te knikkebollen op mijn' stoel.
Hoewel zich niets aan mij vertoonde,
Scheen 't echter dat de Wiskunst woonde
In een paleis van diamant:
Door 't onbegrensde werkvermogen,
Naar de eêlste bouworde, opgetogen,
In eenen onnaarvolgbren stand.
't Is verre boven mijn vermogen
Dat ik de trotsch gewelfde boogen
En zuilen van het hoofdgebouw,
Die steile sterrentorens dragen
En hemelstelsels onderschragen,
In al hun pracht beschrijven zou.
Mijn doelwit is alleen te melden
Dat in die welgeplaatste velden,
Daar netheid alles heeft bezield,
Ten toevloed was van stervelingen
Om in het hofpaleis te dringen,
Naardien de Wiskunst ijkdag hield.
| | | |
Straks werd de hooge poort ontsloten:
De Wiskunst stak bij al de grooten
Met eenen starrenmantel af;
Gewigten waren gloriekroonen,
De gouden korenmaten, troonen,
Een meetriet was de koningstaf.
Nu zou de plegtigheid beginnen;
Ik trad in al 't gedrang naar binnen,
Zag rond en zweeg eerbiedig stil.
Ik dacht, dat, in geduchte wondren,
De stem der Majesteit zou dondren
Het onherroepelijk ik wil!
Maar, neen, de Wiskunst sprak verpligtend,
Heur wet was raadend en verlichtend
Werd aan elks oordeel toebetrouwd.
Heur woord, beminlijk om zichzelven,
Drong zachtjes door de spreekgewelven:
Zij had Stevijn tot troonherout.
Hij sprak aldus: Beroemde mannen!
Bij wien 't vooroordeel is verbannen,
Die steeds met smarte uw' tijdverspilt:
Uwe eedle harssens moet verteeren,
Door 't eeuwigdurend reduceeren,
Wijl maat van maat alöm verschilt.
Gij, wien de handel moet vervelen
Door 't staâg verdubbelen en deelen
Van ellen, maten en gewigt,
Die alle schatten, hoe uitstekend,
Tot ijdle penningen verrekent,
Ontsluit uwe oogen voor mijn licht.
| | | |
De majesteit die wij verëeren,
Wil uw geluk uw heil vermeeren:
Uw waar belang is in uw hand.
Laat dan mijn raad u welbehagen
En, durft gij een hervorming wagen,
Brengt dezen goeden vond tot stand.
Gebruikt in welbestuurde staten
Dezelfde grootheid voor uw maten,
Denzelfden weegsteen voor uw wigt:
Dan stelt gij 't beeld van maat of ponden,
Dat aan de namen is verbonden,
Op 't enkel noemen voor 't gezigt.
Moet gij die algemeene heelen
Vermeenigvuldigen en deelen,
Neemt dan het tiental juist in acht:
Dan zult gij op uw vingers reeknen,
't Geen door een lange reeks van teeknen
Uit
Willem Bartjens wordt volbragt.
Uw zaak is onderzoekenswaardig,
Betoont u zelve slechts volvaardig,
Wij zijn tot uwe hulp gereed;
Ons doelwit is alleen het goede,
Treedt toe, vertoont aan mij uw roede,
Gij, die de vlakke velden meet.
Euklides geest met vleesch omgeven,
Scheen in
Jan Peters Dou te leven,
Die 't onderscheid der maat bewijst
Met eenen bundel halve roeden;
Doch hij wil haar verschil vergoeden
Door 't plan van een reductielijst.
| | | |
Maar, liet zich toen
Stevinus hooren:
Ik heb een beter plan verkoren;
De veldroe van uw Vaderland
Wil ik bekroonen met mijn' stempel,
Wijl die de poort van dezen tempel
In eens van post tot post bespant.
Die zal de roe der waereld heten,
Om
Snellius nauwkeurig meten
Van aarde en breede zee te zaam';
Verdeelt die, door een juiste snede,
Een vierde roede zij uw schrede,
Een vijfde uw ell', de helft uw vaâm.
Wilt ge als godes de Bouwkunst groeten;
Verdeelt uw roede in vijfpaar voeten,
En elken voet in vijfpaar duim,
Een duim nog eens in vijfpaar lijnen;
Dan zultge uw herssens niet verpijnen
Op lengte, vlakte of lichaamsruim.
Men zag, toen hij van Bouwkunst meldde
Dat zich Vitruvius herstelde
In 't ernstig wezen van Dulon.
Hij droeg, om Rottes poort te meten,
Zijn' duimstok aan een zilvren keten,
Met goud gehaakt aan zijn japon.
Hij dreef, gevat op zijn krakelen,
Dat een dozijn zich laat verdeelen
Door zes, en vier, en drie, en twee;
Daar tien zich enkel laat halveren,
Dus hij op 't ernstigst bleef begeren
Dat elk aan de oudheid hulde deê.
| | | |
Toen liet Stevinus zich ontvallen;
De hoofdvolmaaktheid der getallen
Wordt niet door deelbaarheid bepaald;
Maar 't zeker en gemaklijk werken
Doet heer uitmuntenheid bemerken,
Waarin niets bij het tiental haalt.
Nu pronkte in bonte feestsieraden
Jood Isrel, die de plechtgewaden
Van 't Godendom met de elle mat;
Hij sprak, als een gewis orakel,
Dat Mozes zelf den Tabernakel
Met korter el gemeeten had.
Dat thans de handel niet gehengde,
Dat deze maat nog meer verlengde;
Om dit veelzeggend kunstbewijs:
De stoffe zou in schijn versmallen,
En el voor el veel duurder vallen,
Zij groeide alreeds genoeg in prijs.
Hij was ook tevens van gedachten,
Dat zulk een grootheid best in achten,
Of, naar de keuze van 't gemeen,
In vier en halve vierendeelen
Zich aan de Wiskunst liet bevelen
En in 't gebruik gemaklijk scheen.
Toen sprak Stevinus, op dit praten:
't Is billijk dat de lange maten
Zoodanig evenredig staan,
Dat zij in dienstige gevallen
Zich door de eenvouwigste getallen
Ligt in elkandren overslaan.
| | | |
Wiltge iets bij mijn Godes verdienen,
Verdeel heur scepter dan in tienen;
Dit raakt den prijs der stoffen niet.
Maar met die strenge maat te meten,
Is voor uw veel te ruim geweten.
De beste boei die overschiet.
Nu zag ik voor den raad des vredes
1
Den opgewekten Archimedes
Met Ceres gouden koorenmaat,
Waarmede naar zijn beste weten,
Triptolemus reeds had gemeten
In 's waerelds ruwen kinderstaat.
Hij wilde deze maat doen ijken;
Doch naar naauwkeurig vergelijken,
Met d'achtbren stoel der Majesteit,
Die voor den held was opgerezen,
Heeft hem Stevinus afgewezen
Met dit welïngerigt bescheid:
Gij weet, hoe zeer in alle staten
Het onderscheid der ronde maten
Een eindeloos verschil verwekt:
Dus moet men billijk overhellen,
Om zekre grootheid vast te stellen,
Die overäl ten maat verstrekt.
Indienge u aan mijn' raad wilt houden.
Gij ziet, op 't voetspoor van de aêlöuden,
Een koorenmaat gereduceerd
Uit schepels van de handelsteden,
Verdeeld in tien en honderd leden,
Met naam van spint en kop verëerd.
| | | |
Verëischt de veelheid grooter maten?
Verkoopt men iets met lasten, vaten?
Tien schepels zij een hoed of vat.
Tien vaten, voor een last geteekend,
Is iets dat zeer gemaklijk rekent,
Ofschoon men lei noch griffe had.
Moet gij het ooft der boomwaranden,
Of de aardvrucht meten met de manden;
Vijf manden zij een halve ton.
Verdeelde gij uw mande in tienen,
Dan zoudt gij u den roem verdienen
Van een die niet met woeker won.
Zoo zal men veel gebrek genezen,
Dan zal elk mensch een burger wezen,
Zoo verre zich beschaafdheid strekt;
Die nu, door veel beteekenissen
Van pint en spint, zich moet vergissen,
Wen hij een mijl drie - vier vertrekt.
Toen scheen de schranderheid te nadren,
Met Leibnitz bloed en geest in de adren;
Een geest vervrolijkt door den wijn,
Die Bacchus invloed moest verkoopen
Met mutsjes, pinten, kannen, stoopen,
En in zijn maat naauwkeurig zijn.
Nu vergeleek de groote spreker
De stoop van Bacchus bij den beker,
Waaruit de wijze Majesteit
Heur troonstaffiers en dienstbre geesten,
Op dit en diergelijke feesten,
Beschonk met schrandre vrolijkheid.
| | | |
Hij heeft zich hier op uitgelaten:
't Is billijk dat de holle maten
Gelijk staan op denzelfden voet,
Het zij voor natte of drooge dingen,
Dan worden stoopen vierdelingen,
Het anker schepel, 't oxhoofd hoed.
Hij wilde ook tevens aanbevelen:
Wilt gij uw maat wiskunstig deelen?
Dan zij een stoop tien pinten wijn;
Of moet gij grooter maat verkoopen?
Een anker zij dan vijfpaar stoopen;
Tien ankers zal een oxhoofd zijn.
Verwerp dan ook de onnutte namen
Van halfjes, mutsjes, kannen, aamen,
Of hecht 'er beter denkbeeld aan:
Een olijäam laat zich ontknoopen
In vijfpaar virtels, vijftig stoopen,
Of zal in honderd kan bestaan.
Wiltge ook de vorige manieren
Toepassen op de fust der bieren?
Neem honderd kannen voor een vat;
Verdeel die grootheid juist in vijven.
Zoo zult gij, elk in 't klein gerijven,
Die graag een mopje verschbier had.
Ofschoon de reden dit erkende,
Verscheen 'er nog een gansche bende,
Die pleitte voor het oud gebruik:
Een brouwersknecht, riep uitgelaten,
Dat de omtrek van zijn halve vaten
Gelijk moest wezen aan zijn' buik.
| | | |
Hij vond tot aandrang goed te melden,
Dat deze fust zich met de gelden
Veel beter dan een andre schikt.
Toen sprak Stevijn: dit kan zoo blijven,
In volle vaten en in vijven,
Indien gij alles keurig wikt.
Nog dreef Sileen met bolle kaken:
Men moest de pinten kleiner maken,
Een mondvol was het grootst gewin.
De wijsheid zag dit dronkerts loopje,
En stelde met den naam van zoopje
Een tiende deel der pinten in.
Na 't lange voor- en tegenpraten,
Verdwenen natte en drooge maten:
En Newton, die de zwaartekracht
Op 't vlak der aarde heeft gevonden,
Heeft straks een hagelvlaag van ponden
En mindre deelen voortgebragt.
Ik zag het mengsel dus ontwarren:
De gouden kroon van vijfpaar starren
Werd in een fijne schaal gezet;
Terwijl de Troonherout verklaarde,
Een steen, die daaraan evenaarde,
Was in de weegkunst tor een wet.
Die steen, aldus gelijk bevonden,
Werd afgedeeld in tien tot ponden:
En ieder pond in vijfpaar lood:
Een lood in tien gebragt tot greinen:
Tot dat 'er door tienvouwig kleinen
Ten laatste een zandjen overschoot.
| | | |
De groote man was zeer te vreden;
Hij zag dit stelsel steunde op reden:
Hij wilde alleen voor grove waar
Een wigt van honderd pond bepalen,
Om groote fust op ruwe schalen
Te wikken met den centenaar.
Nu was deze ijkdag afgeloopen;
Nu ging de cabinetdeur open:
Elk zag met mij in 't schoonste licht
Eene evenredigheid en orden,
Die niet kon overtroffen worden,
In ellen, maten en gewigt.
Die keurigheid van tienverdeeling
Was een gewigtige aanbeveling,
Aan 't kennend oog en rijp verstand.
Dit stond tot een schenkaadje vaardig,
En was in alles overwaardig
Den handelvorst van Nederland.
Toen rolde door de ruime boogen
De stem van 't onbegrenst vermogen,
Dat alle zaken meet en wikt:
Dit zijn de keurige modellen,
Die ik uw wijsheid voor wil stellen:
Zij zijn tot uwen dienst geschikt.
Gij die in alles groot wilt worden,
Die voor een welgeregelde orden
Een soort van sterke geestdrift voelt;
Verzoek uw souveraine Staten
Om zulke wigten, zulke maten,
Indien gij 's volks geluk bedoelt.
| | | |
Kan niets uw onderzoek ontduiken,
Verbetert dan de volksgebruiken;
Elkeen, die nu angstvallig sust,
Wierd meester in de rekenkunde,
Indienge aan 't algemeen vergunde
Deez' enklen straal van uw vernuft.
Is ergens glorie meê te halen,
Geen eeuwen kunnen ooit bepalen
Den roem, die hier te wachten was;
De faam van zulke wondre dingen
Drong door de wijde hemelkringen
Van hier tot aan des aardbols as.
Het onderscheid van wigt en maten
Is door verdeeldheid van de Staten
In vroeger tijden voortgebragt:
Toen elk den andren wederstreefde,
Ten minsten voor zichzelven leefde,
Is aan deze orde niet gedacht.
Doch eeuwen door een' band van eenheid
Te zaam' gevoegd, tot algemeenheid
Van vriendschap, staatsbelang en wil:
Verëischt de trouw der medestanders,
De handel met de buitenlanders,
't Verëffenen van dit verschil.
Wat voordeel ware 'er al gewonnen,
Wierd dit in Nederland begonnen,
Daar zich de handel heeft gevest:
Men zag welhaast dezelfde maten
Gevolgd in alle waereldstaten,
Tot roem van dit Gemeenebest.
| | | |
Reeds is het hemelruim gemeten
En al zijn rollende planeten
Met de achtbre roê der trouwste stad:
Straks wordt de grootheid aller zaken
In alle menschelijke spraken
Naar Nederlandsche maat geschat.
'T Is waar, de tegenstand der dwazen
Die tegen alle nieuwheid razen,
Vertoeft de zaak misschien een wijl;
Gij zult hen eindlijk overmogen:
Zoo zegepraalt voor alle oogen
Gregorius of Cesars stijl.
Nog iets, iets groots heb ik te melden:
Verbetert ook den rang der gelden,
De maat van al wat dierbaar schijn.
Zoude alles welgeregeld worden,
En zelf de regelmaat der orden
Zoo vreeslijk ongeregeld zijn?
De thans gebruikte muntbepaling
Is menigmaal de bron van dwaling
En vol van kwelling, vol gevaars;
Integendeel, de tienverdeeling
Herschept de rekening in speling,
En 't domme volk in rekenaars.
Elk zal een kleine schade dulden;
Neem tot uwe eenheid eenen gulden,
Hij is alreeds in tien geschift:
Verdeelt hem voorts in honderd duiten,
Gij zult met duizend deelen sluiten,
Een penning zij de kleinste gift.
| | | |
Betracht gij dit, dan wordt de penning
Een waardig voorwerp van erkenning:
Hij was te lang een enkle schijn,
Die door veelvuldig reduceeren
De beste harsens deed halveren
In 't nutteloos oplettend zijn.
Verkiest gij ook op gouden stukken
Den leeuw des Vaderlands te drukken,
Zij rijzen in denzelfden graad:
Haar waarde zal tien guldens wezen,
Ten warenze ook tot honderd rezen,
Met naam van rijder of ducaat.
Nu hoorde ik 't onophoudlijk morren,
Om 't volk tot oproer aan te porren,
Door zulk eene onherstelbre schaê;
Toen sprak de Wiskunst: Laat u raden,
Dit stelsel zal u weinig schaden,
Zoo elk het volgend gadeslaê.
Men moet, en kan de grootste zaken
Niet in een oogenblik volmaken,
Maar werke naar een duurzaam plan!
Zoo zal men schade en moeiten stuiten,
Herschept men stuivertjes en duiten,
Wat schade of dit toch geven kan?
Aan andren moet men niet vergaêren,
Dan om de drie of zeven jaren
Maar telkens eene munt verslaan.
Wierd dit standvastig voorgenomen,
Men zag welhaast het einde komen,
Niets goeds bleef waarlijk ongedaan!
| | | |
Indien gewigt en maat de gelden
In evenredigheid verzelden,
En elke breuk in tien bestond,
Dan zaagt gij over 't handelwezen
Een nieuwe zon ten top gerezen,
Wier schijnsel nimmer weêrgaê vond.
Die evenredigheid en orden
Scheen hartlijk toegejuicht te worden.
Op 't zedig knikken van Stevijn
Klapte al het kunstkoor in de handen.
Mij scheen in die gewenschte landen
De waereld reeds vernieuwd te zijn.
Maar 't volk, dat naauwlijks tien kan tellen,
Wilde aan de Wiskunst wetten stellen,
Vervloekte dezen schoonen vond,
Verstoorde mijn genoeglijk droomen,
Zoo dat ik, tot mij zelv' herkomen,
Nog in den ouden chaos stond
1.
Zeer naïf schetst van dyk zijne dichterlijke loopbaan in de
gerijmde voorrede van zijne Gedichten waaruit blijkt dat hij,
Van schoone boeken en van menschenhulp versteken
2,
even als
bellamy, zich zelven vormde, en zich met
het maken van gelegenheidsverzen in de dichtkunst oefende, | | | |
Een proef, met welke zich de meeste dichters wijden
1
Doch toen hem smits dichtmatige vertaling van burmans Redevoering
over de Poëtische Verrukking in handen viel, werd hij
- getroffen door een eedle hartstogtroering
2
want
Dit vaars, ja dit alleen deed hem een dichter zijn
3
Hij las vervolgens
vondel,
hoogvliet en meer andere dichters,
Bij wier verhevenheid, geplaatst in schooner dag,
Hij eerst de kleinheid van zijne eigen werken zag
4
Zoodat hij na eene driejarige onderzoekende oefening,
- - zijn harsenvrucht zag rijpen voor het vuur
5,
waaraan hij dezelve dan ook heldhaftig overgaf, en
Apollo, meer vereend door zulk een offerande
Dan door den feniks, die op 't kruidaltaar verbrandde,
Verblijdde hem met hoop dat uit die heilige asch
Een feniks rijzen zou die driemaal schooner was.
Die troostelijke hoop heeft hem niet voorgelogen
6
En waarlijk zijne gedichten zijn gansch niet verwerpelijk; zij
bevatten veel oorspronglijks, natuur- | | | | lijks en eenvoudig schoons;
en hoewel wij niet met het
- - oordeel van de Haagsche Maatschappij,
instemmen, dat van dyk, gelijk hij zelf getuigt,
Den grooten landman
poot in dichtkunst evenaarde
1,
heeft hij toch den Abtswouder de kunst niet ongelukkig afgezien, en
zijne gedachten met gepaste dichterlijke sieraden weten in te kleeden. Zijn
dichtstukken hebben over het algemeen eenige uitgebreidheid, die wij wel geene
langdradigheid willen noemen, maar die toch derzelver lezing achter elkander
minder aangenaam maakt, om dat men voelt dat de dichter zijn onderwerp
beknopter had kunnen behandelen. Het Geweten, eene soort van leerdicht,
onder anderen, heeft regt krachtige partijen; bij voorbeeld:
De klank van 't fijn metaal verdoov' de stem der Reden,
De Waereldzorg beklemm' met drukke bezigheden
De lippen van 't Gemoed dat tegen zich getuigt,
De trotsche Staatzucht, die voor wet noch reden buigt,
Ontveinze uit al heur magt, de Godspraak van 't Gewisse;
Maar staaft een bliksemstraal dat Godsgetuigenisse,
Dan spreekt de ontwaakte ziel als met een donderstem,
En 't Godlijk wraakgericht geeft aan 't Geweten klem,
't Verschrikt een' dwingeland, ten rijkstroon opgestegen;
Hij mete zijn gezag met zijnen langen degen,
| | | |
Zijn gouden borstster, die van bliksemstraalen blikt,
Verspreideeen vlammend licht, dat de eedle deugd verschrikt -
Ontsteke een moordvuur, dat de waarheid doet verbleeken,
Verschroei d'oprechten mond, die naar het hart durftspreken,
Verteer' het pergament, dat haaren eisch ontzegt,
En geessel' met heur roê de vrijheid en het recht.
Maar twijl zijn hoogmoed rijst tot aan de sterrenronden,
Schrijft de Almagt aan den wand: ‘Gij zijt te ligt
bevonden.
Het koninglijk geweld is van u weggegaan:
Het moedig volk, dat gij in kluisteren deed slaan,
Verzweert uw ijzren juk op zijnen hals te dragen.’
Daar staat de boosheid nu met schrik voor 't hoofd geslagen;
De koninglijke ster, in wolken uitgedoofd,
Schiet bliksemstraalen naar het pratgekroonde hoofd:
De roede slaat hem zelv' met stinkende etterbuilen,
Waar in de luizen zich, met grooter heir, verschuilen,
Dan 't heir der zielen 't welk hem aanklaagt voor Gods troon:
Welks nagalm in de ziel' met donderenden toon
Zijn gruweldaden weet op 't schriklijkste aftemalen.
Nu schijnt de koningsster ten jammerpoel' te dalen;
De razernij verpijnt zijn reeds gedoemde ziel,
Met al de foltering, waarmêe het hem geviel
De zuiverste onschuld uit het leven weg te rukken:
Hij wenscht, in zulk een' drom verbaazende ongelukken,
Dat zijn geduchte staf, die volken heeft geplaagd,
Had schapen langs de heiof klaverwei gejaagd;
Maar ach! te laat gezucht, de daad lijdt geen herhaling;
Het vonnis ligt geveld: de rechter eischt betaling
1.
De gedichten, bij gelegenheid der geboorte, het verjaren en sterven
van zijne kinderen of ande- | | | | re personen, zijn meer gevoelig dan
kunstig; de eenvoudigheid zijner uitdrukkingen grenst wel eens aan platheid
1. Van valsch vernuft
2 en
gezwollenheid
3 is van dyk ook geenszins vrij te | | | | pleiten; maar
met dat al heeft hij wezenlijke echt dichterlijke verdiensten, die hem van
velen zijner meer beschaafde en zoetvloeijende tijdgenooten voordeelig
onderscheiden.
's Mans uitvoerig en afzonderlijk uitgegeven dichtstuk, De
Verlossing van Israël uit Egypte, behandelt in zes zangen den
wonderdadigen uittogt der Hebreën, wij kunnen niet zeggen dat dit stuk
eene aangename lecture oplevert; de wijsgeerige en natuurkundige aanmerkingen,
die in hetzelve voorkomen, zijn misschien meer vernuftig dan waar, althans
dichterlijk zijnzij niet, en vertragen, buiten noodzaak, niet weinig den gang
van dit bovendien reeds tamelijk gerekt rijmverhaal.
Zijn vroeger, mede afzonderlijk uitgegeven dicht-stuk,
De welberaden stap voor 't Vaderland, is geschreven in den
echt-patriottischen geest van 1787, en vond uit dien hoofde welligt eenigen
bijval.
In 1788 gaf het Leydsche Taal- en Dichtlievend Genootschap: Kunst
wordt door arbeid verkregen twee prijsverhandelingen in het licht over het
rijm, de eene, door
j. rochussen, die de gouden, en de andere,
door onzen van dyk, die de zilveren medaille behaalde. Beide schrijvers zijn
met het rijm zeer ingenomen. Het genootschap vroeg of hetzelve tot het
wezen der Nederduitsche poëzij behoorde. Het scheelt weinig of
beide schrijvers betogen niet alleen dat het rijm tot het wezen der poëzij
behoort, maarook dat wezen uitmaakt, vanwelk gevoelen, niet
tegenstaande een aanzienlijk genootschap hetzelve met gouden en zilveren
medailles bekroond heeft, wij de vrijheid nemen hemelsbreed te verschillen, en
het rijm niet hooger waarderen dan een toevallig sieraad. Immers treft men
opstellen bij menigte aan, die in verzen en op rijm, en evenwel
niet in poëzij geschreven zijn, en, omgekeerd, vele opstellen in
poëzij, die maat en rijm ontberen
1.
Het rijm vindt een' warm' voorstander en verde- | | | | diger in
van dyk, die ten voordeele van hetzelve alles aanvoert wat met mogelijkheid
aangevoerd kan worden, en dus ook somwijlen vrijnietige of duistereargumenten.
Zoo verstaan wij, bij voorbeeld, niet wat hij bedoelt met de wiskundige
waarheid, dat de omtrek van het (menschlijk?) ligchaam tot deszelfs wezen
behoort, als zonder welken hetzelve niet afzonderlijk zou bestaan, wanneer hij
daar uit afleidt, dat even zoo het rijm, als de eindpaal van het poëtisch
ligchaam, tot deszelfs wezen behoort
1. Een naakt
ligchaam heeft immers zoo wel een' omtrek als een gekleed, eene Egyptische
mumie zoo wel als eene venus van Medicis. Wanneer nu hetgeen van dyk
voor een poëtisch lichaam (dichtstuk) houdt, zoodanig eene Egyptische
mumie is, die, van derzelver stijveomwindselen (het rijm) ontwonden, toch geene
venus zou zijn, dan is zijne toepassing juist; maar daaruit volgt nog niet dat
die zelfde omwindselen tot het wezen der venus zouden behooren, die anderen
voor een poëtisch ligchaam houden.
Het rijm is somtijds voor een poëtisch ligchaam een kleed, een
bevallig, net, zelfs fraai kleed; maar - wat toch is een kleed op zich zelven?
Ongetwijfeld zeer veel in de oogen der geenen bij wie het den man maakt. Een
bekwaam verzenma- | | | | ker, die zich verbeeldt dat het rijm volstrekt
tot het wezen der poëzij behoort, en, zelf geen dichter zijnde, de
gedachten van anderen berijmt, is dus niets meer dan een bekwaam snijder, die,
niet kunnende beeldhouwen, begreep een' verdienstelijken arbeid te ondernemen,
wanneer hij een' pantalon, vest en rok naaide voor den apollo van
Belvedere, in de overtuiging dat dit pak kleederen, als het beeld
volkomen passende, tot deszelfs wezen behoorde, zoo wel als de omtrek, die -
daardoor juist zou bedekt en verborgen worden.
Men behoeft zich niet te verwonderen dat van dyk zulk een wakker
verdediger van het rijm is, als men in aanmerking neemt welke groote
verpligting hij aan hetzelve had, immers in het slot van zijne bekroonde
verhandeling zegt hij zeer naïf: ‘Ik ondertusschen zal het Rijm, dat
mij den eernaam van Dichter heeft doen erlangen, altijd als heilig eerbiedigen
1,’ enz. Nu, het
gebeurt ook niet alle dagen dat het rijm iemand zoo uitstekend begunstigt als
jacob van dyk!
|
1Proeven. van Poët. Mengelst. van het
Genootsch. Kunstliefde spaart geen Vlijt, X Deel, blz. 10.
1Dus noem ik den stoet der Wiskunde, om dat
hare ontwijfelbare bewijzen de twisten stillen en het gemoed
bevredigen.
1Proeven van Poët. Mengelst. van het
Genootsch. Kunstliefde spaart geen Vlijt, X Deel, blz. 159.
1Bijschrift op zijne afbeelding.
1Bij voorbeeld:
Mijn zoontje was verwezen,
Een 's lands Ontvanger moet natuur den tol betalen.
2Een ander poëet doopt zijne pen in inkt,
somtijds in gouden inkt (zie Vondels Poëzy, I Deel, blz.
580); van dyk doopt zijne
In 't stroomnat van de zilvren Maas.
Liet van der Goes noch Smits zich hooren
Tot lof van Y en Rottevliet....
Wel nu, wat zou het dan? - Wel, dan, zegt van dyk,
Verhefte, op 't zevenmondig riet,
De baars en snoek, hoe stom geboren,
Ei ei, baarzen en snoeken, die op het zevenmondig riet
spelen, zijn inderdaad regt kunstige baarzen en snoeken!
3Een voorbeeld, uit velen van gezwollenheid en
valsch vernuft tevens, zal wel genoegzaam zijn ter waarschuwing voor jonge
dichters.
De aanhoudendheid van 't woedend golfgeklots,
Heef zelf een schip gelijk een rots
Van 't paalwerk afgeslagen,
En op de Volewijk, der schelmen schrik, gedragen,
Waarop dat grof gevaarte zat
Als Noachs ark op Ararat -
Tot dus ver goed; maar nu....
Van waar men 't naauwlijks redde,
Toen Mozes slangenstaf of hand
Natuur herbragt tot d'ouden stand,
En d'Ystroom in zijn bedde.
Mozes, in Maart 1782, als mercurius met een'
caduceus, natuur tot d'ouden stand (den chaos?) herbrengende, en
d'Ystroom in zijne bedding jagende, gelijk voos eenige duizend jaren de
Roode zee of de Jordaan, welk een mengelmoes van verwarde
denkbeelden!
1Wie toch zal zoo dwaas zijn te beweren dat
fenelons Telemachus door
feitama, en florians Numa
Pompilius door nomsz, tot den rang van
dichtstukken verheven zijn, enkel daardoor, dat zij dezelven uit het
oorspronglijk proza in maat en rijm vertaald hebben? Op deze wijze is gessners
Dood van Abel ook eerst onder de handen van
schonk een dichtstuk geworden....
ô Wee!
1Prijsverhand. uitgegeven door het Genootsch.
Kunst wordt door arbeid verkregen, III Deel, blz. 75.
|
|