Biographisch anthologisch en critisch woordenboek der Nederduitsche dichters. Deel 2 CAB-GYZ


auteur: P.G. Witsen Geysbeek


bron: P.G. Witsen Geysbeek, Biographisch anthologisch en critisch woordenboek der Nederduitsche dichters. Deel 2 CAB-GYZ. C.L. Schleijer, Amsterdam 1822  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Pieter de Groot]

Groot (Pieter de) 2 was de tweede zoon van hugo, geboren den 28 Maart 1615, en door zijn' vader tot de regtsgeleerdheid opgeleid. Zijne studiën in Holland volbragt hebbende, keerde hij in 1637 weder naar zijn' vader in Frankrijk, wien hij behulpzaam was in de zaken van het gezant-

[p. 429]

schap. In het volgende jaar kwam hij te rug in Holland, en begaf zich tot de praktijk, tot dat karel lodewijk, Keurvorst van de Paltz, na den Munsterschen vrede hem benoemde tot zijn' Resident bij de Staten Generaal. In 1660 werd hij tot Pensionaris der stad Amsterdam verkoren, welk ambt hij zeven jaren bekleedde. In 1668 werd hij als gezant naar Denemarken en Zweden gezonden. Na zijne terugkomst in 1669 werd hij aangesteld tot Pensionaris van Rotterdam, welke waardigheid zijn vader insgelijks aldaar had bekleed, en werd in het hagchlijk jaar 1672 ook lid van de vroedschap, en vertrok als gezant naar Frankrijk; doch keerde, bij het uitbarsten van den oorlog, naar zijn vaderland te rug. Weldra geraakte hij te Rotterdam in moeilijkheid, waar hem het lot der de witten dreigde: des hij, om de handen des moordzuchtigen gepeupels te ontgaan, naar Antwerpen 1week, en zich aldaar nog niet veilig achtende, zich naar Luik, vervolgens naar Aken en eindelijk naar Keulen begaf, alwaar de onderhandelingen over den vrede plaats hadden, en hij den afgezondenen van den staat gewigtige diensten deed.

[p. 430]

Toen eindelijk de gemoederen een weinig bedaard waren, keerde hij naar zijn vaderland te rug; doch weldra werd hij voor de Hooge Vierschaar in 's Hage gedaagd, van gekwetste majesteit beschuldigd, en de verbeurte van lijf en goed tegen hem geëischt; doch de voortreffelijke advokaat simon van middelgeest, dien wij later ook als dichter zullen ontmoeten, verdedigde hem zoo mannelijk, krachtig en welsprekend 1, dat hij den 7 December 1676 bij sententie van het hof werd vrijgesproken.

Vervolgens sleet hij een ambteloos leven op zijn buitenverblijf Boekenrode, buiten Haarlem, aan de Leydsche trekvaart, waar hij zijne overige dagen als een wijze met boekoefeningen in stille rust doorbragt, en, zeventig jaren oud zijnde, overleed. Hij was, volgens het getuigenis van a. van cattenburch 2, ‘een man van een' openhartigen inborst, een blank gemoed en zuivere zeden. Zijne beleefdheid en minnelijkheid in voorspoed en onkreukbare trouw blonken op het helderste uit in al zijne daden. Den welstand van zijn vaderland stelde hij, naast de eer van God, zich voor als de hoogste wet. Zijn grootste lust en bezigheid was zijne vrienden te eeren, zijn vijanden goed te doen en het welzijn van het gemeenebest te behartigen;’ in een woord, hij was, gelijk s. van middelgeest

[p. 431]

ergens zeide, digno patre filius dignissimus, de waardigste zoon van een' waardigen vader, boven wien wij hem met den Heer de vries 1 als Nederduitsch dichter moeten verheffen. Zijn dichttrant is, even als die van dezen, godvruchtig, zinrijk, eenvoudig en verstandig, maar schilderachtiger en stouter. Zijne dichtstukken zijn in onderscheiden gedichtenbundels verspreid; eenigen daarvan komen voor in de Overgebleven Rymstukken, waaruit wij het volgende ter proeve afschrijven:

Overdenking.
 
Gelijk een heldre stroom van haaren oorspronk neder
 
Gestadig zakt, en nooit een druppel waters weder
 
En stuurt ter plaatze, daar zy is van daan gewelt:
 
Gelijk de rook zich zelv' verdrijft, de kaars versmelt,
 
De sneeuw verdwijnt, het vuur verteert, en nooit weeromme
 
Denzelven vonk en toont, die eenmaal heeft geglommen;
 
Zoo zinkt ons spoedig glas, zoo, en noch snelder, glijt
 
De reddelooze loop van onzen dieren tijd.
 
In kort, zo werden wy ons zelven quyt en 't leven,
 
Dat niet als tijd, en die noch zelfs maar eens kan geven,
 
Werd niet verbezigt, maar verquist, terwijl wy, 't geen
 
Dat onzen eygendom alleen bezit, besteen
 
Om onze vrijheyd en ons zelven vast te boeijen
 
In 't gunt, waar van de winst niet zonder schaa kan groeijen;
 
Dus slaven we allegaar, een yder na zijn lust,
 
Om goed, om gunst, om staat, en niemand om zijn rust;
 
En als 't al omme komt, zoo wagen wy het wisse
 
Om 't onwisse, en, terwijl wy dat noch zoeken, missen
[p. 432]
 
Wy 't beyden, vol van zorg en iel 1 van vrucht, dus word
 
De tijd wel lang, maar niet te min het leven kort.
 
Als een, die alle ding doorwoelt om te bekommen
 
Den steen der wijzen, (dien men regt den key mag nommen)
 
En wat hy heeft tot gout wil puren, schoon hy vint
 
Al iet van 't geen hy zoekt, spilt meer noch als hy wint.
 
Zo doen wy allegaar, een yder in het zijne,
 
Wy weven ons verderf, en trekken aan een lijne,
 
Die ons als kreeften drijft gevoelloos agterwaarts,
 
In al ons doen verkeert, als zy, in 't snoodste schaars,
 
In 't beste quistig, en nochtans, hoe loos, hoe schrander,
 
Hoe gierig dat we zijn, wy leven voor een ander,
 
En sterven voor ons zelv', terwyl wy onzen tijd
 
Besteden aan een winst, die voor een ander dijt,
 
En die te naauwer nood', bekocht met gansch een leven,
 
Voor al haar schatten niet een uur kan weder geven:
 
Wat scheelt die rijkdom dan, hoe lang ook datze blijft,
 
Die naauwliks eenen mensch op eenen tyd gerijft,
 
Van zulken, die met ernst en opzicht waargenomen,
 
Al wat 'er teffens leeft, gelijk te baat kan komen,
 
Die heden al een deel maakt van die eeuwigheyd,
 
Die niet als tijd en is in hare tijdloosheyd;
 
Ja zelfs in haar verloop, gelijk een bloem van aart is,
 
Die, hoeze minder duurt, hoe datze meerder waart is,
 
En hoeze eer verdwijnt, en spader wederkeert,
 
Hoe datze meer wil zijn geviert en bet geëert,
 
Als die wel ons ontgaat, maar niet zich zelven, dieze
 
Kan houden zonder ons, ons zonder haar verliezen:
 
Niet anders als een wild, dat snel voorby ons vlied,
 
Schoon 't ons gezicht ontloopt, 't ontloopt zich zelven niet.
[p. 433]
 
Dus is de tijd altijd weer tijd, en naa als vooren,
 
Al datze voor zich zelv' wint, gaat voor ons verloren:
 
Een ogenblik komt ons maar toe, al 't voor en naa
 
Is of onzekre winst of twyffellooze schaa.
 
Het tegenwoordig is 't alleen, dat in ons magt staat,
 
Dat weer zo kort is, dat men 't quyt is eer men 't agt slaat;
 
Maar dat zich staag vernieuwt, en op zijn wagters wagt,
 
Gelijk het weer verzuymt, al wie het eerst veragt:
 
Dies geeft een zelve stond en neemt ons ook het leven,
 
Niet wel door haar, maar ons bedryf, dat altijd even
 
Onachtzaam 't eerst en 't best verzuymt en 't lest verbeyd,
 
Daar niet alleen het minst, maar ook het slegtste leyd.
 
Dus gaat die versche bloem van onze lent verloren.
 
Dus derven wy van 't uur af dat wy zijn geboren;
 
Niet, dat de loop des jaars ons levens-draad verkort;
 
Maar, dat wy 't geen, dat door 't gebruik onsterflik word,
 
Door misbruyk doen vergaan. Dus heb ik zoo veel jaren,
 
My van den tijd vergunt, onvrugtbaar laten varen,
 
Waar van de heugenis my dagelijks verwijt
 
Het reddeloos verlies van mijn verzuymden tijd,
 
Dat is al 't geene, dat my over is gebleven
 
Van 't schoonste van mijn jeugt, en 't snoodste van mijn leven:
 
Dit is al 't geene, dat gy my op nieuws vermaant,
 
Onnoosle dag, die wel verdwaalt zijt, zoo gy waant
 
Mijn troostelozen druk door uwe komst te mind'ren,
 
Die mijn verlies verhaast, in plaats van te verhind'ren,
 
Die zoo uytdrukkelijk stelt voor mijn ogen, dat
 
Ik eeuwig quyt ben, wat ik eenmaal heb gehad,
 
En minder door den tijd, tot heden toe verworven,
 
Toont, dat ik heb geleeft als dat ik heb gestorven.
 
Wat rust is zoo gerust? wat blyschap is zo groot,
 
Die zoo een hert, dat schuld heeft aan zijn eygen doot,
[p. 434]
 
Die zoo een ziel, die zich bewust is zulken zegen
 
Zoo langen tijd misbruykt te hebben, kan bewegen
 
Tot vreugde pleging over haar geboortenis,
 
Die meer getuyge van haar doot als leven is?
 
Nogtans beken ik, dat ik u ook dank ben schuldig,
 
Die my zoo dikmaal door uw komst, en zoo geduldig
 
Hebt aangemaant, gelijk ge nog doet, waarde dag!
 
Terwijl het tijd is, dat ik my bekeren mag.
 
Mijn God! ik ken mijn schuld, en val voor uwe voeten,
 
En bid u om genaa. Laat mijn berouw de boete
 
Van mijn vertreding zijn, en handel niet zo zeer
 
Naa uw gerechtigheyd, als naa uw goedheyd, Heer!
 
Vergeef de dwaasheyd van mijn jonkheyd, en laat deze
 
Den eerste dag van mijn herboren oorsprong wezen,
 
Neem van nu af myn ziel in uw bescherming aan;
 
Laat al haar ogen-merk op uw geboden slaan;
 
Beweeg ze zoo, dat al de handel van haar leven
 
Bequaam mag zijn om daar van rekenschap te geven:
 
Op dat zy eyndelijk, gezuyvert door uw bloed,
 
Geloutert door uw Geest, en door uw vleesch gevoed,
 
Met vast vertrouwen zich verlaten mag op 't voordeel,
 
Dat ons te wagten staat uyt uw genadig oordeel,
 
Ter tijden als uw licht, van allen nacht bevrijd,
 
Maar eenen eeuw'gen dag zal maken van den tijd 1.

Gaarne hadden wij ook hier zijn fraai wijsgeerig gedicht overgenomen, geplaatst voor j. westerbaens Ockenburgh; doch daar men hetzelve ook bij den Heer de vries aantreft 2, oordeelen wij

[p. 435]

dit onnoodig. Zoo iemand, dan mogt hij onder anderen daarin zeggen:

 
En seeker, als wy wel doortasten
 
Met wat voor onlust, arrebeyt,
 
Sorgh, wangunst en ondankbaarheyt
 
De overheden sich belasten,
 
Selfs als sy op haer lyfsgevaer
 
Hun ampten trouwlijck nemen waer,
 
Bevinden wy in ons gewissen
 
Dat yemand, die sijn schoone tijd
 
Besteed in sulcke kommernissen,
 
Veel eer beklaeght dient als benijd 1.

Het is door dezen pieter de groot dat het geslacht van hugo tot op den tegenwoordigen tijd is voortgeplant geworden, onder den naam van cornets de groot 2, van hetwelk tegenwoordig nog verscheiden afstammelingen te Delft en te Rotterdam in leven zijn.