Haen (Abraham de) 1werd geboren te Amsterdam, den 6 April 1707. In zijne jeugd werd hij bestemd tot de regtsgeleerdheid, en had zich de kennis der Latijnsche en Fransche talen vroegtijdig eigen gemaakt; doch eene onbeteugelbare zucht voor de teekenkunst, waarin hij cornelis pronk tot meester had, deed hem zich genoegzaam geheel daarop toeleggen. Hij teekende meest gezigten van steden, dorpen, kerken, kasteelen en andere gebouwen in en nabij ons vaderland, van welken velen in het koper gebragt zijn. Als dichter verdient hij onder zijne tijdgenooten eene eervolle onderscheiding; inzonderheid was het herdersdicht zijne zaak. ‘Zijne veldfluit gaf eenvoudige, maar treffende toonen; het schilderachtige, waartoe zich het herdersdicht bepaalt, en dat het als van zelve aanbiedt, blinkt zeer juist en natuurlijk bij hem uit,’ zegt de Heer de vries 2, en met regt; de daarin voorkomende beschrijvingen zijn fiks geteekend; zijne persoonaadjen voeren wel eene eenvoudige en natuurlijke, maar tevens beschaafde en bevallige taal, waarin hij virgilius de kunst ge-
lukkig heeft afgezien. Ook in andere dichtvakken, brieven en minnedichten vooral, slaagde hij mede niet ongelukkig, zijn stijl is los en bevallig, zijne versificatie gemakkelijk en vloeijend; al zijne dichtstukken dragen blijken van een' goeden aanleg, en zijn dood, die den 8 September 1748 voorviel, was een wezenlijk verlies voor de teeken- en dichtkunst beiden.
Zijne gedichten zijn na zijn' dood in 1751 uitgegeven door de dichteresse sara maria van der wilp, onder den titel van De Herderszangen en Mengeldichten van abraham de haen, en werden met lofdichten van zijne beroemdste tijdgenooten vereerd 1. Zijne afbeelding, naar de schilderij van quinkhard, door c.f. fritsch gegraveerd, is aan het hoofd der herderszangen geplaatst, van
welken wij met genoegen dien hier eene plaats inruimen, die ten opschrift heeft
Al zijne overige herderszangen munten uit, even als deze, door het eenvoudige, natuurlijke en naïve, dat deze dichtsoort zoo behaaglijk maakt, omtrent welke wij op het artikel wellekens eenigzins uitvoeriger zullen handelen.
Wat zijne poëtische brieven betreft, dezen zijn geene zoogenaamde Héroides, maar slechts gewone brieven, losweg aan gemeenzame vrienden in dichtmaat nedergeschreven; zijne gedachten omtrent deze dichtsoort drukt hij volgendermate uit in zoodanig een' brief aan zijn' vriend p. verbrugge, te Delft:
De haen schreef ook deze brieven met hetzelfde gemak, en genoegzaam in denzelfden tijd, dat hij die in proza zou geschreven hebben.
Het overige dezer verzameling, die men met regt keurig heeten mag, bevat dichtstukken van onderscheiden aard, onder verschillende afdeelingen gesorteerd.
Onder die der minnedichten vinden wij een stukje, waarin hij het gekozen beeld geestig uitgewerkt en gelukkig volgehouden heeft; het heet:
In zijne boertige gedichten is veel luim en geestigheid; in een derzelven bespot hij niet onaardig den basterdstijl der regtsgeleerden, door het gebruik maken van hunne bedorven Latijnsche en Fransche zoogenaamde stadhuiswoorden. Wij deelen hetzelve hiermede:
Wij herhalen het, de haen was een zeer verdienstelijk dichter, en een waardig kunstgenoot van zijne gemeenzame vrienden bernardus de bosch en lucas pater.