Haes (Frans de), een aanzienlijk koopman te Rotterdam, en schoonzoon van geeraert brandt wiens dochter kornelia hij in huwelijk had, besteedde den tijd van zijne jeugd, en naderhand de ledige uren, die hem van zijn beroep overbleven, aan de beöefening der dichtkunst, waarin hij echter minder gelukkig slaagde dan zijn schoonvader, met wiens dood, gelijk wij bereids aanmerkten 1, het gulde tijdperk onzer letterkunde gesloten was. Zijne gedichten zijn niet talrijk, en kort na zijn' dood door zijn' zoon, joan de haes, in 1711 teRotterdam met eenigen der zijnen in het licht gegeven. De verzameling bestaat uit eenige Psalmberijmingen en andere meestal gelegenheidsgedichten, waarin doorgaans meer welmenendheid en vroomheid dan dichterlijk vuur en geestverheffing gevonden wordt; het krachtigste daaronder is wel zijn bijschrift op
cornelis de witt, waarin hij den stijl van zijn' schoonvader schijnt gecopiëeerd te hebben.
Hij was de grootvader van een' anderen [Frans de Haes ...]