Hij [voorgaande, Frans de Haes] was de grootvader van een' anderen Haes (Frans de), insgelijks te Rotterdam geboren, den 18 April 1708, en aldaar overleden den 14 April 1761. Hij behoorde ongetwijfeld onder de netste dichters van zijn' tijd, die veel smaak en oordeelkunde aan den dag leide, niettegenstaande de bekrompen taalzifterij, waarmede men in zijn' leeftijd zoo veel ophad, en waarin hij ook zoo veel belang stelde, dat hij tot zijn eigen gebruik eene Nederduitsche Spraekkunst schreef, en al zijne gedichten met derzelver theorie deed overeenstemmen. Hij was ook medeoprigter in 1726 van het Rotterdamsche dichtgenootschap: Natura et Arte 2. Het eerste dichtwerk, dat hij in 1744 in het licht gaf, was eenePoëtische Uitbreiding en Bespiegeling over de Evangelische Gelykenis van den Verloren Zoon, die nog in hetzelfde jaar met privilegie herdrukt werd. Het was in dien tijd eene zekere mode om Bijbelsche onderwerpen te berijmen. Hoogvliet had met zijn' Abraham het
sein daartoe gegeven. Dit dichtstuk was de typus waarna genoegzaam alle gerijmde levensbeschrijvingen van Bijbelsche mannen en vrouwen werden ingerigt en als heldendichten aangemerkt. Geene natie ter wereld zou meer heldendichten bezitten dan wij, als de critici dit maar gelooven wilden; maar de Heidensche homerus en virgilius staan onze Christelijke Epische Muse reeds sedert zoo vele eeuwen in het licht, dat men begint te wanhoopen of achilles en aeneas wel ooit door eenigen Joodschen of Christelijken Bijbelheld op de letterkundige kampplaats overwonnen en uit de bibliotheken verdrongen zullen worden, en zeer zeker niet door dezen Verloren Zoon van de haes, wiens arbeid, zegt de Heer de vries 1 ‘voorzeker tot Heldendicht bevorderd was, zoo maar een naam aan dien zoon in de Heilige bladeren gegeven ware.’ Wij willen dit gedicht niet aan de critiek onderwerpen, en merken alleen aan dat deze schoone gelijkenis, zoo treffend tot staving van een troostrijk gezegde aangevoerd, en zoo beknopt en naïf geboekt 2, geenszins vatbaar is voor zulk eene matte en zenuwlooze uitrekking tot een vervelend alledaagsch rijmverhaal als deze zoogenaamde uitbreiding, waarmede De Haes den smaak van zijn' tijd huldigde. Beter behaagt ons
voltaires arbeid, die deze gelijkenis tot het onderwerp van zijn' Enfant prodigue 1genomen en op het tooneel gebragt heeft.
In 1746 gaf hij zijne Stichtelijke Gedichten in het licht. In deze verzameling worden verscheiden wezenlijk fraaije, krachtige en schilderachtige dichtstukken gevonden. Reeds het eerste, vervaardigd bij gelegenheid der overstroomingen in 1741, en getiteld: Tafereel des Zondvloeds, is regt dichterlijk gepenseeld; men oordeele:
Wij kunnen niet nalaten van ten minsten het begin af te schrijven van zijn' schoonen
Zeer veel prijs stellen wij op zijn uitvoerig cyclisch dichtstuk Het verheerlykte en vernederde Portugal in drie boeken, vervaardigd bij gelegenheid der verwoesting van Lissabon, door eene aardbeving, op den 1 November 1755, en benevens eene Verzameling van verscheide gedichten in 1758 te Amsterdam gedrukt. De vinding van hetzelve is eenvoudig en toch vernuftig: eene vooronderstelde reis des dichters naar het tooneel der verwoesting, waar hij al de bijzonderheden van dezelve in loco zelf beschouwt, of van een' aldaar gevestigd' Hollandsch' koopman verneemt, is het canevas tot zijn dichterlijk borduursel, hetwelk oneindig beter en rijker is uitgevallen dan zijne langdradige uitbreiding der gelijkenis van den verloren zoon.
Eer wij het goede, dat wij voornemens zijn van dit dichtstuk te zeggen, aanvoeren, willen wij toch erkennen dat hetzelve verscheiden prozaïsche brokken heeft, die wij met moeite doorslikken. Wij hebben schetsender wijze elders aangetoond dat er eene mathematische poëzij bestond 1, waarvan huygens ons het bewijs leverde; maar de haes verschaft ons in dit dichtstuk ook een staaltje van geographische poëzij, die niet veel beter uitgevallen is dan de mathematische van huygens; hij zegt, en bewijst het met eene kaart, dat,
een rijk ligt,
De dichter had liever moeten vertrouwen dat zij-
nen lezers de geographische ligging van Portugalbekend was: men kan somtijds al te gedienstig zijn. Zoo had hij de gerijmde lijst van handelartikelen, diePortugal oplevert, ook gerust kunnen weglaten, alzoo dezelven ter beurze van Amsterdam en Rotterdamzeer wel bekend zijn.
Maar niettegenstaande deze en andere ontsierende kleinigheden, die men gerustelijk op rekening van den beuzelgeest van 's dichters leeftijd stellen kan, die naauwkeurigheid en netheid vorderde tot zelfs in de geringste détails, heeft het dichtstuk wezenlijke schoonheden van den eersten rang; het minst zeker in het eerste boek, hetwelk hoofdzakelijk de vroegere geschiedenis van Portugal behelst; doch het tweede bevat verscheiden stoute en krachtige schilderingen, en begint al dadelijk met een overzigt van het verwoeste Lissabon, hetwelk inderdaad treffend is.
De beschrijving van de woning der Hemelwrake is echt dichterlijk, en kenmerkt den meester.
De Hemelwraak wordt uit dit verblijf,
en krijgt bevel om het zondig Portugal te tuchtigen. Zij begeeft zich dadelijk
naar de aarde, en heeft naauw den Portugeeschen grond bereikt,
Ook de zeeberoering op dit tijdstip is niet minder treffend en krachtig geschilderd:
In het derde boek, behelzende 's dichters denkbeeldige terugreis naar het vaderland, treft men onder anderen ook eene beschrijving aan van een zeegevecht tusschen een Engelsch oorlogs- en een Fransch Oost-Indisch schip, welk met een dergelijk tafereel van antonides 2, zoo wel als dat van brandt 3 wedijveren kan.
Nadrukkelijk en mannelijk is zijne taal tegen Nederland, bij gelegenheid der geduchte ramp van Portugal, die het geheele dichtstuk door als eene Godstraf voorkomt, waar wij, als dichterlijk idee, wel niets tegen hebben, maar dat toch ons zedelijk gevoel evenzeer hindert, als toen eenige dweepers de buskruidramp van Leyden in 1807 insgelijks daarvoor uitkreten; waant gij, zegt hij,
Regt profetisch is de taal, die hij vervolgens voert:
Des dichters voorspelling, aangaande het lot van Nederland, is maar al te zeer vervuld geworden.
Inderdaad, dit dichtstuk onderscheidt zich in vele opzigten zeer voordeelig boven vele voortbrengselen van zijne zoetvloeijende, tot in het oneindige be-
schavende tijdgenooten, en men ziet dat de haes al den aanleg had om een' uitstekend' dichter te worden, als hij slechts zijne genie in plaats van grillige en beuzelachtige taal- en dichtregelen gevolgd had.
Volgens het getuigenis zijner weduwe, voor de uitgave zijner Nagelaten Gedichten, heeft hij de meesten onder hevige folteringen van kwalen en ongemakken opgesteld. Genoegzaam vijf jaren was hij van het gebruik zijner beenen beroofd, en het vele zitten vooroorzaakte hem eene smartelijke nierkwale; roerend schetst hij zijn' deerniswaardigen toestand:
Gelukkig echter werd hij van deze vreeslijke kwaal genezen door het middel der Engelsche juffer stephens, in 1739 bekend gemaakt 2.
Wij zullen dit artikel besluiten met het volgend geestig bijschrift