Hagedoorn (Adolph Hendrik). Wij zijn in de onzekerheid of deze nog onder de levenden verkeert; blijkens een gedicht, gevonden wordende in zijne in 1794 uitgegeven Gedichten 1, was hij toen vijftig jaren oud, dus in 1743 of 1744 geboren, en zou thans bij de tachtig jaren oud moeten zijn; alleen omdat wij sedert dien tijd niets meer van hem gezien hebben, is het dat wij hem als niet meer bestaande aanmerken, en hier melding van zijn' dichtarbeid maken.
Behalve eenige stukjes met b. fremery, j.p. van heel en d. van stolk in 1788 te Dordrecht uitgegeven, onder den titel van Gemengde Dichtproeven van eenige letterlievende vrienden, gaf hij zijne straks gemelde Gedichten in 1794 te Rotter-
dam in het 1icht, met eene voorrede, waarin hij op eene wijsgeerige beöefening der dichtkunde aandringt, niet zoo zeer op eene redeneerkundige en bespiegelende wijsbegeerte, maar op dat geen wat men na dien tijd in Duitschland natuurphilosophie heeft beginnen te heten.
Zeker mag een dichter zoo min een vreemdeling zijn in het gebied der wijsbegeerte als in de geschiedenis of eenige andere wetenschap, zonder dat wij evenwel het nut inzien dat hij met de tourbillons van descartes, de zonnevlekken van galilei of de monaden van leibnitz op een haar bekend is. De dichter kan naar ons begrip de schoonheden der natuur en den aard en de hoedanigheden der schepselen treffend schilderen, zonder dat hij dezelven bij hunne Linnaeische namen behoeft op te tellen. Het komt ons voor dat de wijsbegeerte der poëzij eene Philosophia popularis behoort te zijn, en dat een dichter de zon in verzen gerust kan laten op- en ondergaan en eene reis rondom de wereld doen, zonder eerst copernicus te vragen of het wel waar is.
Hagedoorn behoorde tot het likkende en beschavende kransje van b. fremery c.s. en was lid van het Haagsche dichtgenootschap; dat beide deze omstandigheden invloed op zijne dichtoefeningen hadden, ziet men klaar; zijne dichtader had dus telkens een' gestremden, of ten minsten anders gewijzigden loop dan de natuur haar scheen aan te
wijzen; echter was zijn dichtvuur vrij wat verwarmender dan dat van zijn' vriend fremery, onder het lezen van wiens stijve en nette verzen men begint te klappertanden. Hoe diep nogtans onze voorstander der natuurphilosophie in de dichtkunst de natuur bestudeerd heeft, blijkt reeds in het begin van het eerste dichtstuk in dezen bundel, waar hij spreekt van een kroost,
De natuur, als hij haar had geraadpleegd, zou hem onderrigt hebben dat een zuigend kind nog geen tanden heeft, en dus niet kan watertanden.
zegt hij 2: dat was ongelukkig genoeg; ‘kenners,’ die ‘onvolkomen’ arbeid met lofspraken vereeren, men geloove dit vrij, zijn de regte kenners niet; dezen handelen ten aanzien van onvolkomen dichtstukken op den huidigen dag nog eveneens als ten tijde van horatius 3, en prijzen slechts de volkomenen.
Aan metaphoren en andere dichterlijke sieraden is er in zijne dichtstukken geen gebrek, somtijds een al te weelderige overvloed, die wel eens on-
gepast ten toon gespreid, somtijds ook geheel mal-à-propos aangevoerd wordt; sommigen hebben zelfs iets raadselachtigs, gelijk ‘schaduwtegenvoetelingen 1,’ hetgeen men in geen woordenboek door antipodes vertaald zal vinden, die toch daarmede bedoeld worden; ‘Genaverborgenheden 2’ is onzin, waaraan geen gezond denkbeeld te hechten is, en behoort onder de sesquipedalia verba, die veel schijnen te zeggen, en eigenlijk niets zeggen 3
Niettemin hebben zijne gedichten veel schoons en verdienstelijks, dat wij in geenendeele willen miskennen; in dat, getiteld: De Slag bij Nieuwpoort, zijn inderdaad krachtige en stoute partijen; de volgende coupletten daaruit behagen ons ongemeen: