Halma (François) werd geboren den 3 Januarij 1653 te Langerak over deLek, in de provincie Utrecht, alwaar zijn vader, reinier halma, predikant der Hervormde gemeente was. Na den dood zijns vaders, in 1660, begaf zijne moeder zich ter woon naar Utrecht, alwaar françois naar de Latijnsche schole gezonden en tot den predikdienst bestemd werd. Een zamenloop van omstandigheden onttrok hem echter aan de studiën, en hij leide zich met ongemeenen ijver toe op het aanleeren van den boekhandel, waarbij zijne verworven taalkennis hem bijzonder te stade kwam. Toen de Franschen in 1672 Utrecht bezet hielden, verkeerden in zijn' meesters winkel dagelijks eenige voorname Fransche officieren, mannen van letteren en geleerde lieden, die, de Nederduitsche taal zoo min verstaande als zijn meester de Fransche, in hem, door middel van het Latijn, een' geschikten tolk vonden; nemende hij van zijnen kant deze gelegenheid waar om zich verder in het Fransch te bekwamen, en door vertalen daarin verder te oefenen.
Nadat de Franschen Utrecht ontruimd hadden, nam hij zelf in 1674 den boekhandel bij de hand, en trad in huwelijk met machteld pos, bij wie hij tien kinderen, zes zonen en vier dochters, won. Als boekverkooper verwierf halma
weldra even grooten roem als geleerde, wordende geacht en geëerd door de vermaardste geleerden binnen en zelfs buiten ons land, en daaronder de Hoogleeraar graevius, die zijn' Thesauras antiguitatum Romanarum, in twaalf deelen in folio, bij hem en pieter van der aa in 1694-1699 liet drukken, welk kostbaar werk uitmuntend is uitgevoerd. Het geluk liep hem mede, en hij nam gedurig meer toe in aanzien en vermogen, zoo wel als in geleerdheid en kennis der fraaije letteren. Weldra werd hij tot Academiedrukker te Utrecht aangesteld, en leefde aldaar ruimbemiddeld en vergenoegd tot 1699, wanneer hij zijn' boekhandel naarAmsterdam overbragt, en denzelven aldaar met verdubbelden ijver voortzettede en uitbreidde. Ook hier genoot hij de vriendschap en omgang der aanzienlijkste en geleerdste ingezetenen, en zocht zijne uitspanning in de beöefening der dichtkunst, hierin niet weinig aangemoedigd wordende door vollenhove, moonen, rotgans,hoogstraten en andere beroemde dichters zijne tijdgenooten, met wie hij in vriendschappelijke betrekkingen stond. Zijne dichtstukken waren meest van ernstigen en godsdienstigen inhoud; ook het verbeterd Psalmgezang trok zijne aandacht: zijne berijming van Davids Harpzangen, eerst in 1707, en vervolgens in 1717 met muziek gedrukt, droeg de goedkeuring der kenneren weg 1
In 1710 benoemden de Staten van Friesland hem tot Landschapsdrukker, welke bediening halma in dank aannam, en zich te Leeuwarden nederzettede, alwaar hij insgelijks in den boekhandel een onbekrompen bestaan en in de letteroefeningen zijn' lust en uitspanning vond, gevende van tijd tot tijd verscheiden nuttige en goed beärbeide werken in het licht, waaronder zijn Woordenboek van het land Kanaän en het Tooneel der Vereenigde Nederlanden bijzondere vermelding verdienen. Het laatste bragt hij slechts tot de letter W, wanneer de dood een einde maakte aan zijn nuttig en werkzaam leven op den 13 Januarij 1722, zijnde het werk voltooid en in 1725 uitgegeven door m.b. van nidek, in twee deelen in folio. Zijn Fransch en Nederduitsch Woordenboek wordt van sommigen boven dat van p. marin geschat.
Zijne gedichten, behalve de zoo even gemelde Psalmberijming, bestaan in twee boekdeelen, het eene getiteld: Heilige Feestzangen, gedrukt in 1708 is, benevens zijne Bybelsche Mengelzangen, herdrukt in 1718. De titels berigten ons reeds van welken inhoud de daarin vervatte dichtstukken zijn. Zij laten ja zich geleidelijk lezen, maar halen lang niet in sierlijkheid en kracht van uitdrukking bij de bijbelsche dichtstukken van bake. Halma bond zich te zeer aan den letterlijken tekst der verouderde Nederduitsche Bijbelvertaling van 1619, en werd daardoor ook al te duidelijk, stijf en prozaïsch; ook
valt hij niet zelden in nuttelooze uitweidingen en eene vervelende wijdloopigheid, waarin hij zijn onderwerp geheel uitput; bij voorbeeld in zijn gedicht De Algemeene Wereldvloed telt hij de dieren met namen op, die in de ark gingen, even als of hij een' gerijmden catalogus leverde van een naturaliënkabinet, op deze wijze:
Dit gedicht is overigens ver beneden het hier voor medegedeelde van f. de haes, over hetzelfde onderwerp, wat de poëtische schildering betreft; zoo is ook zijn Ondergang van Sodom 3 niet te vergelijken met hoogvliets meesterlijke beschrijving van deze verschrikkelijke gebeurtenis 4.
Men zal ons niet vergen dat wij iets afschrijven uit halma's Dichtkundige Uitbreiding der Profeten joël, obadja, nahum, zephanja, mala-
chias; liever doen wij zulks uit zijn' Vredezang, vervaardigd bij gelegenheid van den vrede van 1713, welk gedicht inderdaad krachtige en schilderachtige plaatsen heeft; wij nemen tot besluit van dit artikel daaruit over de volgende