|
|
|
| |
[Onno Zwier van Haren]
Haren (Onno Zwier van)
3 werd in 1713,
waarschijnlijk te Leeuwarden, geboren; hij was Grietman van
Stellingwerf-Westeinde, en bekleedde nog verscheiden andere
aanzienlijke regerings- | | | | posten, behalve de hooge staatsambten en
bezendingen, waarmede hij vereerd werd. In zijne eerste jeugd genoot hij het
onderwijs van den beroemden duker, Rector der
Latijnsche schole te Zwolle, en oefende zich vervolgens aan
de academiën van Franeker en
Utrecht, geraakte vervolgens in kennis en gunst bij
françois fagel, en trad zijne
staatkundige en diplomatieke loopbaan in. Wij ontmoeten hem als Burgemeester
van
Sloten, Commissaris van de
Zwitsersche troepen in dienst der Vereenigde Nederlanden, Afgevaardigde
in de Staten van Friesland, Gecommitteerde te velde, Afgevaardigde tot
den vredehandel te Aken, Commissaris tot het regelen der vereischte
zaken in de door de Franschen genomen en te rug gegeven steden in
Braband. Hij stond zeer in gunst bij den Stadhouder willem IV, en na
diens dood bij deszelfs weduwe, de Gouvernante anna, en behoorde onder de
geleerdste en aanzienlijkste staatsmannen van zijn' tijd. Hij had in huwelijk
sara aleyda van huls, bij wie hij tien
kinderen verwekte, waaronder een paar ontaarde dochters en derzelver mannen
eene afschuwelijke kladde op zijne zedelijkheid wierpen, hem, in 1760, toen hij
met zijn gezin zich in 's Hage bevond, schaamteloos
beschuldigende van het crimen tentati incestus, en de schriftelijke
bekentenis daarvan met geweld afdwongen. Veel opziens en gerucht verwekte deze
onkiesche zaak; verscheiden boekdeelen in folio met | | | |
verweerschriften, aanmerkingen en gedichten
1 kwamen in het licht, en de Hertog van
Brunswijk nam daaruit gelegenheid om hem zijne ongunst te doen gevoelen,
en van zijn' toen reeds veelvermogenden en naderhand zoo verderflijken invloed
gebruik te maken, om van haren, als afgevaardigde van Friesland, uit de
Statenvergadering te verwijderen, en voorts buiten alle bewind te houden
2. Hij sleet zijne overige dagen te
Wolvega, en hield zich bezig met de beöefening der
fraaije letteren en de dichtkunst; doch de rust, die hij hier had gehoopt te
vinden, werd in 1769 gestoord, eerst door eene geweldige inbraak in zijn huis,
door lieden, die, gelijk bleek, met een geheel ander oogmerk kwamen dan om te
stelen
3, en
vervolgens in 1777 door het afbranden zijner woning, waarbij hij insgelijks
zijne kostbare en aanzienlijke bibliotheek verloor; dezelfde ramp was hem den
31 December 1732 te St. Anna nogmaals overgekomen. Nog
slechts twee jaren overleefde hij dit laatste ongeval, en overleed te
Wolvega, den 2 September 1779.
Wij zien in van haren een sprekend voorbeeld, dat noch eene
aanzienlijke geboorte, noch hooge eerambten, noch groote rijkdommen, noch
uitmuntende geestvermogens, iemand tegen de rampen en wederwaardigheden des
levens kunnen beveiligen; | | | | ja, dikwijls des te gevoeliger treffen,
naarmate het voorwerp, waartegen de slagen des noodlots gerigt zijn, boven
anderen verheven is
1. Van haren, die in geboorte boven alle Friezen
verheven was, en den grootsten invloed had op het staatsbestuur van ons
vaderland, met vorsten over vrede en oorlog handelde, werd het slagtoffer van
een verfoeilijk complot, dat - wij schrijven het met afgrijzen en verbazing,
zijne eigen kinderen tegen hem smeedden, op eene wijze, die de natuur walgen en
ijzen tevens doet. Dan, wij stappen hier van af, en zullen hem nu als dichter
beschouwen.
Volgens het getuigenis van zijn' lijkredenaar
2, blonk hij uit ‘in bijkans alle soorten van geleerdheid;
hij sprak verscheiden talen, en zeer vaardig; meer nogtans verstond hij; hij
was een groot geschiedkundige, zoo in de algemeene geschiedenissen der wereld,
en onderscheiden koningrijken en natiën, onder verschillende luchtstreken,
als in de bijzondere van ons vaderland, een' doorslepen staatsman zoo
noodzakelijk, gelijk ook in die van Gods kerk; een goed philosooph, vooral in
eenig gedeelte van de natuurkunde, een bekwaam regtsgeleerde, en voor een'
staatsman een groot Godgeleerde.’ | | | |
In het bezit van zoodanige bekwaamheden, van welken hij de
doorslaandste blijken geeft in zijne prozaïsche en poëtische
geschriften, sloeg hij wel met ruwe, maar toch geene roekelooze vingeren de
hand aan de lier. Het is zonderling, wij keuren die ruwheid, slordigheid en
stroefheid in zijne dichtstukken ten hoogsten af, en echter behagen zij ons
oneindig meer dan de nette, gelikte en vloeijende verzen van feitama en zijne
‘kunstvrienden,’ waarin geen comma verkeerd geplaatst is, en waarop
dus niets te zeggen valt dan dat zij den slaap niet weinig bevorderlijk zijn.
Dat wij ons niet bedriegen, blijkt daaruit, dat zijn, wat de zoogenaamde
‘kunstregelen’ betreft, allergebrekkelijkst en tevens, hoe is het
mogelijk! allerkrachtigst en schoon dichtstuk De Geuzen
1 een' verbeteraar
gevonden heeft in onzen grooten, eenigen
bilderdijk, die reeds in 1785, met de hulp
van den Heer
feith, eene verbeterde uitgave daarvan
heeft bezorgd. ‘De ruwheid van versmaat,’ zegt bilderdijk
2 ‘of liever,
om juister en eigenlijker te spreken, 't gebrek aan een geregelde en draaglijke
versmaat, de hardheid, de gedwongenheid der uitdrukkingen, de ongelijkheid van
den stijl, die nu eens tot de hoogte der heldentrompet opklom, dan weêr
tot | | | | de laagste platheid verzonk; het volstrekt gebrek aan een
zuivre, dikwijls aan een leesbre en verstaanbare taal; een volslagen gemis van
alle schoonheden van den tweeden rang, op welke onze leeftijd en landaart zo
gezet, zo kiesch en zo keurig is, die somwijlen het gemis van eerste, van
verheven schoonheden vergeten doen, die de wezenlijkste misslagen bedekken, en
schijnen te kunnen vergoeden, en zonder welken zelfs de innige schoonheden van
een Dichtstuk zich in onze (beschaafde!) dagen niet kunnen doen gelden: dit
alles moest noodwendig De Geuzen in hunne geboorte als versmoren, en in
de vergetenheid brengen, zelfs eer zij bekend konden zijn. Slechts weinigen,
tot wier kennis zij kwamen, konden zich zo veel geweld aandoen, om het boek te
doorbladeren; nog minder, om de lezing van meer dan vierduizend gebrekkige
verzen door te staan. - Van daar dat eenparig verslag in de Letterkunstige
berichten, die den schrijver alle aanspraak op den eernaam van dichter
ontzeggen
1.’
Zeer zeker, oordeelkundige
de vries! is dit ‘dichtstuk vervuld
met al die schoonheden van den eersten rang, te veel in zijnen tijd
verwaar- | | | | loosd
1,’ en gij hebt die met zoo veel smaak
als gezond oordeel aangewezen; gij hebt den miskenden dichter regt laten
wedervaren, zonder nogtans uwe oogen te sluiten voor zijne inderdaad grove
gebreken, en wij vinden het overtollig, na de voorbeelden, die gij van dit
desniettegenstaande voortreffelijk dichtstuk bijbrengt, hier nog meer aan te
voeren, die zulks evenzeer verdienden. Wij vereeren, even als gij, ‘van
haren, met een warm gevoel, als een' dichter van zeer zeldzame verdiensten, die
moed en kunde genoeg had, om slaafsche banden te breken, en zich op eene hoogte
te stellen, door dichtlievenden van zijnen tijd op verre na niet bereikt
2.’
Nog heeft men van hem twee treurspelen,
Agon, Sultan van Bantam, en
Willem de Eerste; het eerste verscheen te
Zwolle in 1769 in het licht, en had de eer niet van den Letteroefenaren
zoo min als zijne Geuzen te behagen
3; hetzelve werd nogtans spoedig herdrukt, en zelfs nagedrukt.
Naderhand zijn beide gezamentlijk insgelijks te Zwolle in 1773 gedrukt,
onder den titel van
Proeve van Nederduitsche Treurspelen, en
vervolgens nogmaals aldaar in 1779, met bijvoeging van een tooneelspel,
Pietje en Agnietje, of de doos van Pandora.
| | | | Met eenige beschaving zou het treurspel Willem de Eerste
ongetwijfeld bij ons ten tooneele gevoerd kunnen worden en behagen.
Het zou ons eenigzins moeilijk vallen hier alle de dichtmatige en
prozaïsche schriften van dezen edelen staatsman op te tellen; onvermeld
echter mogen wij niet laten, dat hij in 1772 een werkje uitgaf, getiteld:
Proeve op de Levensbeschrijvingen der Nederlandsche
Doorlugtige Mannen, behelzende het leven van den
Gouverneur-Generaal van Neerlands-Indië,
joannes camphuis. Denkelijk had hij ten
oogmerk dit werk voort te zetten; althans er moet nog eene levensbeschrijving
van françois fagel in handschrift van hem
bestaan, die waarschijnlijk voor dit werk bestemd was. Ook vindt men in het
zesde deel der werken van het Zeeuwsche Genootschap te Vlissingen eene
zeer oordeelkundige verhandeling van hem over de Nationale of Vaderlandsche
Gedichten, die, hoezeer wij niet omtrent alles, wat hij desaangaande zegt,
met hem van hetzelfde gevoelen zijn, echter een zeer schrander oordeel en
grondige kennis verraadt.
|
3J. scheltema, Staatk. Nederl. I Deel, blz. 422.
J. de vries, Gesch. der Nederd. Dichtk. II Deel, blz. 201.
1Ook een zeer fraai vers van L. Trip,
Tydwinst, blz. 176.
2Vaderl. Historie, onmiddellijk Vervolg op
wagenaar, XXIII Deel, blz. 207.
3De Geuzen, N. druk, blz. 376.
1
Saepius ventis agitatur ingens
Pinus, et celsae graviore casu
Decidunt turres; feriuntque summos
Horat. Lib. II. od. X. 12.
2S. nauta, Lijkrede op O.Z. Baron van haren,
blz. 14.
1Een gedeelte van hetzelve kwam voor het eerst
in 1769 in het licht, onder den titel: Aan het Vaderland, en vervolgens
in 1772 en 1776 vermeerderd onder den hier genoemden.
1Nieuwe Vad. Letteroef. IV Deel, I St. blz. 85.
Gunstiger viel de beöordeeling uit van den druk van 1772, in de Hedend.
Vad. Letteroef. II Deel, I St. blz. 252, en genade vond bilderdijks
verbeterde uitgave van 1785 in de Alg. Vad. Letteroef. VII Deel, I St.
blz. 271.
1J. de vries, Geschied. der Ned. Dichtk. II
Deel, blz. 207.
3Nieuwe Vaderl. Letteroef. III Deel, I St.
blz.
|
|