Haren (Willem van) 1, ouder broeder van den voorgaanden, en Grietman van het Bildt, werd in 1710, denkelijk ook te Leeuwarden, geboren. Even als zijn broeder betrad hij de letterkundige zoo wel als de staatkundige loopbaan; onder ande-
ren was hij in 1747 gedeputeerde te velde, en bewees den Staat in die hoedanigheid gewigtige diensten bij den aanvang der belegering van Bergen op den Zoom; hij had zitting in de Hooge Staatsvergadering dezer landen, en was Ambassadeur aan het hof van den toenmaligen Gouverneur der Oostenrijksche Nederlanden, Prins karel van Lotharingen, te Brussel. Hij stierf te St. Oedenrode, in Peelland, den 27 Junij 1768.
Hij was een man, die boven zijne tijdgenooten niet alleen door zijne aanzienlijke geboorte en eerambten, maar ook door zijne buitengemeene geleerdheid, geestvermogens en bekwaamheden uitmuntte. Als dichter mogt hij aanspraak maken op eene levendige verbeeldingskracht, schrander oordeel en oorspronglijk vernuft, behoorlijk ondersteund door die kundigheden, welken voor den dichter, althans voor den heldendichter, volstrekt onontbeerlijk zijn; en als heldendichter komt van haren wel het meest in aanmerking; immers is zijn dichtstuk, De Gevallen van Friso, onder de menigte uitgebreide Nederduitsche gedichten, in twaalf of meer boeken verdeeld, welligt het eenige waaraan de naam van Heldendicht kan gegeven worden, en gewis met meer regt dan aan de Henriade van voltaire, die ten hoogste een zeer fraai Poëme historique, maar in lang geen Poëme épique is, zoomin als hoogvliets Abraham, hetgeen wij op diens artikel zullen aantoonen.
Van Haren schijnt, in stede van de theoriën van marmontel, batteux en anderen te raadplegen, zich een gemengd model uit homerus en fenelon geschapen te hebben. Het verwondert ons ten hoogsten dat er in de uitgebreide verhandelingen over het Heldendicht, in onze taal voorhanden 1, hoegenaamd geene melding van dit dichtstuk gemaakt wordt, hetwelk voor de eerste maal in 1741 in 8vo en in 1746 in 4to, merkelijk veranderd, ook op sommige plaatsen verbeterd, te voorschijn kwam; het verwondert ons, zeggen wij, dat men vrij algemeen de stoute en schilderachtige dichterlijke schoonheden, treffende beschrijvingen en deftige zede- en staatslessen in hetzelve heeft kunnen voorbijzien; maar het verwondert ons niet, dat, niettegenstaande huydecoper er de beschavende hand in gehad heeft, en zijne verzen daardoor een veel bevalliger voorkomen hebben dan die zijns broeders, dit gedicht zoo weinig opgang heeft gemaakt, in een' tijd dat de gerijmde levensbeschrijvingen van Bijbelhelden elkander als het ware verdrongen, en in daarvoor geplaatste hoogdravende lofdichten als wonderstukken uitgekreten werden, die alles overtroffen wat in dit vak voor-
handen was; in dien tijd moest een Gideon van steenwyk, of een Mozes van versteeg natuurlijk meer fortuin maken dan van harens Indiaansche emigrant Friso, die als eene onrijpe lettervrucht 1 aangemerkt en met minachting behandeld werd. Het is derhalve onze pligt, en de aard van ons werk vereischt zulks, dat wij de eer van verdienstelijke in hunnen, en somtijds ook nog in onzen tijd miskende dichters, gelijk van haren, handhaven, met dezelfde vrijmoedigheid en onvooringenomenheid, waarmede wij een' nietsbeduidenden bernardus bosch, of koppigen le franq van berkhey van den geusurpeerden dichtertitel ontzet hebben, en er nog meer van zullen ontzetten, van wie men dit mogelijk niet verwachten zou. Wij kunnen in het onderhavige geval van harens eer als dichter niet beter handhaven dan door het aanwijzen der dichterlijke waardij van eenige schoone plaatsen uit zijn' in ons oog uitmuntenden Friso. Daar de Heer de vries zijne aanhalingen uit den veranderden, naar zijn gevoelen, verbeterden 4to druk heeft gedaan, zullen wij ons bedienen van dien in 8vo, en ons met de variantes niet inlaten.
De dichter vond in de lotgevallen van friso, den door agrammes verdreven Koning der Gangariden en Prasiaten, den stamvader der Friezen, voormaals Alanen geheten, bij wie hij, na veel omzwer-
vens aankwam, en hen van eene schrikkelijke landplaag verloste, waarop zij hem tot hunnen Koning verkozen 1, een gelukkig onderwerp voor een heldendicht. Het historisch fonds van dit dichtstuk is slechts het lijstwerk der tafereelen, die geheel en al van 's dichters vinding zijn. Wij zullen er dadelijk eenigen mededeelen, en wel in de eerste plaats de beschrijving van den oostenwind bij een' storm:
Zelfs in de geringste détails is zijne teekening fiksch en geestig, gelijk, bij voorbeeld, die der gewapende elephanten:
Met welk eene kracht schildert hij een' storm op zee!
Met geene mindere kracht vertoont hij ons ook het tweegevecht tusschen diocaar, den zoon van Segon, met een' reusachtigen Marder, dien hij eerst op de volgende wijze afbeeldt:
Deze opgeblazen barbaar, deze Scytische goliath
Zijt gij, zeide deze Noordsche Philistijn tegen den Indiaanschen david,
en, onverschrokken,
Vrees voor uitvoerigheid alleen wederhoudt ons om meer fraaije en treffende dichterlijke tafereelen uit dit heerlijk gedicht af te copieren; de regt Miltonische stoute afschildering van den Persiaanschen geest des kwaads, ahrimanes (bij van haren arimanius) mogen wij niet onopgemerkt voorbij gaan.
in de hel namelijk, in welke friso met een' engel, even als aeneas, was nedergedaald,
De vergelijkingen zijn onbetwistbaar een voornaam sieraad, inzonderheid van het heldendicht. In dit werk zijn zij even zoo juist gekozen als gepast voorhanden. Hoe natuurlijk deze gelijkenissen zijn, hoe beter; van haren begrijpt dit ook, en neemt zijne gelijkenissen nooit van voorwerpen die de aanschouwing zijner lezers te boven gaan. Torymbas sterft, in het gevecht met friso,
Met welk eene kracht en juistheid, en tevens hoe natuurlijk, is de volgende gelijkenis gebezigd!
Wij behoeven naauwelijks te zeggen dat de dichter, een schrander staatsman zijnde, zijn werk overal met uitmuntende echt wijsgerige staatslessen doorzaaid heeft. Ach! had men in de vorige eeuw in Nederland en Frankrijk het gewigt van de volgende gevoeld en in het oog gehouden, hoe veel ramps ware Europa bespaard gebleven!
Ontelbare malen heeft de ondervinding de gegrondheid der volgende aanmerking bevestigd:
Nogmaals, het is ons onbegrijpelijk dat dit uitmuntend dichtwerk bij onze landgenooten zoo weinig gekend en gewaardeerd is, daar wij, als wij de drie voortreffelijkste heldendichten moesten opnoemen, zonder aarzeling zeggen zouden: De Ilias, de Aeneis en de Friso.
Ook als lierdichter heeft van haren uitstekende verdiensten; van zijne afzonderlijk verspreide lierzangen heeft de Heer de vries dien met het opschrift Het Menschlyk Leven in zijn werk voor de vergetelheid bewaard 2; wij willen onzen lezers dat lierdicht onder het oog brengen, getiteld:
De beide broeders van haren waren onder de talrijke gladde en vloeijende verzenmakers hunner eeuw misschien de eenigen die de naam van dichters toekwam, in de eigenlijke beteekenis des woords. ‘Door geboorte en aanzien boven de meesten hunner landgenooten verheven, was natuurlijk het bekrompen oordeel van kunstregters en zoogenaamde zuiveraars niet zoo zeer voor hen gevaarlijk; zich op zaken van staat toeleggende, boden zij hunne werken aan geene Genootschappen angstvallig aan; zij vierden hunnen vrijen geest den teugel, waardoor zij eenen beteren dichttrant erlangden. Eene levendige verbeeldingskracht, eene grondige oefening in alle oude en levende talen, ziedaar wat hen boven hunne tijdgenooten heeft doen uitblinken. In alle vakken van geleerdheid bekwaam gemaakt, voorzien met eene grondige kennis der geschiedenis, met den aard
en de zeden van ieder volk bekend, in de hoogste ambten werkzaam, kregen zij door zulke gelukkige omstandigheden den waren smaak, het echte gevoel voor dichterlijke schoonheden. Zij verzamelden uit die rijke voorraadschuur hunner oefeningen zulk een' schat van vergelijkingen en beeldspraken, zulk eene hoogdravendheid, dat men als het ware van hen zekere herleving der Dichtkunst in de laatste helft der vorige eeuw gerust rekenen mag 1.’
Van haren is mogelijk de eenige Nederduitsche dichter, die door den beroemdsten buitenlandschen dichter van zijnen tijd met een lofdicht is vereerd geworden. Het was voltaire, die 's mans vernuft en dichterlijke bekwaamheden gewis oneindig beter wist te schatten dan de ziftende, wrijvende, schavende en likkende berijmers van Bijbelsche historiën hier te lande, en deze voortreffelijke Fransche dichter, ongetwijfeld het grootste vernuft zijner eeuw, zond hem de volgende dichtregelen: