Havart (Daniel), Amsterdammer, vervaardigde op de kust van Coromandel eene vertaling in verzen der Treurdichten van ovidius, die hij, in het vaderland terug gekeerd, te Utrechtin 1692 heeft in het licht gegeven, onder den titel van p. ovidii nasonis Tristium Lib. V. dat is De vyf boeken der Treurgezangen, enz. Het werkje is
een pendant der vertaling van naso's Heldinnenbrieven van jonas cabeljau, getiteld: Treurbrieven der blakende Vorstinnen, en de behandeling niet veel beter 1. De vertaler drukt zich daaromtrent nog al vrij zedig uit:
Och! waarom niet? ovidius is geheel niet moeilijk te vertalen, als hij maar den regten dichterlijke vertaler aantreft. Maar, zegt hij verder,
Wijders heeft hij het werk
De ‘zoetvijl’ en de ‘fijnschaaf’ hebben ondertusschen hier het werk van eene foute dichterlijke vertaalpen niet kunnen verrigten, en daaraan heeft het den vertaler van het begin af aan ontbroken. Dit stuk gereedschap is oneindig beter bij het overbrengen van ovidius dan een paar dozijnen vijlen en schaven.