Heinsius (Daniel) 1 werd geboren te Gend, den 30 Mei 1580 uit een aanzienlijk geslacht, hetwelk aldaar de eerste waardigheden bekleedde. Zijne eerste jeugd bragt hij in aanhoudend zwerven door, waartoe zijne ouders door de ongunst der tijden genoodzaakt waren. Naauwlijks drie maanden was hij oud, toen zijne moeder met hem zijne geboortestad verliet, en zich naar Veere, in Zeeland, en van daar, doch toen in gezelschap van zijn' vader, naar Engeland begaf; van daar vertrokken zijne ouders weder naar Holland, en namen hun verblijf in het dorp Rijswijk, bij 's Hage, in welke laatste stad hij den grondslag leide zijner taalkennis en geleerdheid; vervolgens ging hij met zijne ouders naar Middelburg, en genoot het akademisch onderwijs eerst te Franeker, en toen te Leyden. Hij was buitengemeen kundig in de Grieksche en Latijnsche talen, die hij zoo grondig
Deze ongemeene vorderingen bezorgden hem de gunst en vriendschap van scaliger en dousa 2. Op den ouderdom van achttien jaren werd bij tot hoogleeraar aangesteld in de Grieksche letterkunde te Leyden, vervolgens in de geschiedenis, en werd ook tot bibliothecaris benoemd.
Grooten roem verwierf hij door zijne geleerdheid en zijne veelvuldige schriften, ook buiten 's lands. gustavus adophus, Koning van Zweden, benoemde hem tot zijn' geheimraad en geschiedschrijver, de Republiek Venetië vereerde hem met de ridderorde van St. Marcus, en Paus urbanus VIII liet hem door de uitlokkendste aanbiedingen naar Rome noodigen.
Bij het uitbarsten der kerkelijke geschillen, nam hij deel in dezelven, en koos de zijde der Contra-Remonstranten, wier gevoelen hij ijverig en zeer onverdraagzaam voorstond, en vertoonde zich in gansch geen gunstig licht op de beruchte Dordrechtsche Synode van 1618 en 1619, welke hij in hoe-
danigheid van Secretaris der afgevaardigden uit de Staten Generaal bijwoonde, en aldaar zeer werkzaam was tot het doen veroordeelen der Remonstranten. Men wil dat de voorrede der handelingen van die kerkvergadering van zijne hand is. Schoon geen godgeleerde van beroep, wijdde hij toch ook somwijlen, even als de groot, zijne pen aan theologische schriften; zoo wel als deze, nam hij ook het Nieuwe Testament tot een voorwerp van zijne oefeningen 1, en week overigens voor dezen in geen vak van wetenschap en geleerdheid; doch in gematigdheid van denkwijze omtrent godsdienstige begrippen stond hij ver beneden zijn' verdraagzamen tijdgenoot.
Heinsius bereikte den ouderdom van ruim vierenzeventig jaren, zijnde hij den 25 Februarij 1655 te Leyden overleden. Zijner verdiensten werd door zijn' ambtgenoot anthoni thysius hulde gedaan in eene welsprekende lijkrede. Op het laatst van zijn leven had hij zijn geheugen geheel en al verloren. Hij was gehuwd met ermgard rutgers, eene zuster van den geleerden janus rutgers 2 bij welke hij een' zoon naliet, nicolaas genaamd 3 die zich in de geleerde wereld insgelijks zeer beroemd heeft gemaakt.
Ongetwijfeld behoort heinsius zoo wel onder de geestigste en vindingrijkste als geleerdste dichters der zeventiende eeuw. Zijn dichttrant heeft zeker wel iets van dien van cats, doch is steviger en minder met nietsbeduidende stopwoorden opgevuld. Van zijne Nederduitsche gedichten schijnt hij zelf weinig werks gemaakt te hebben; immers de meesten derzelven kwamen aanvanglijk, of onder een' versierden naam, of buiten zijne kennis in het licht, althans de achtregelige versjes tot de Emblemata amatoria en den Spiegel der Doorluchtige Vrouwen, in zijne jeugd vervaardigd, kwamen in het licht op den naam van Theocritus a Ganda of theocritus van Gend, zinspelende op zijne geboorteplaats en den Griekschen herdersdichter, dien hij vertaalde en naarvolgde. Zijn vriend petrus scriverius, aan wien hij zijne meeste gedichten mededeelde, en die welligt gunstiger daarover dacht dan hij zelf, gaf in 1616 te Amsterdam eene verzameling van dezelven in het licht in 4to, onder den titel dan. heinsii Nederduitsche Poëmata.
Heinsius nam deze uitgave zijner gedichten eenigermate kwalijk, uit vrees dat dezelve welligt bij het publiek niet wel ontvangen mogten worden, en geen wonder! hij speelde den Contra-Remonstrantschen godgeleerden, op hoop van een professoraat in de theologie, en er werd een Hymnus op Bacchus, een' Heidenschen afgod (quelle horreur in dien tijd!) in deze verzameling gevonden; wijsselijk
maakte hij, denkelijk om den kwaden indruk uit de orthodoxe gemoederen van dien tijd weg te wisschen, een' Lof-sanck van Iesus Christus, die nog hetzelfde jaar afzonderlijk in het licht kwam, en waarschijnlijk de gewenschte uitwerking deed.
In 1618 werd deze verzameling herdrukt, en in 1622 kwam dezelve nogmaals in 8vo in het licht, met bijvoeging van den lofzang, onder den titel van dan. heinsii Lof-sanck van Iesus Christus, den eenigen ende eeuwigen Sone Godes, ende zyne andere Nederduytse Poëmata. Nieuwelijks oversien, vermeerdert ende verbetert. Met de uytlegginghen. Wij hebben van deze verzameling een 8vodruk voor ons liggen van 1650. Behalve de hier bijeengevoegde bestaan er nog hier en daar verspreide gedichten van heinsius, inzonderheid voor de werken van andere gelijktijdige schrijvers.
Door middel van heinsius kreeg de Nederduitsche letterkunde een gewigtigen invloed op de Hoogduitsche, met welke het in de eerste helft der zeventiende eeuw erbarmlijk gesteld was, tot de geestige martin opitz verscheen, die met heinsius in vriendschappelijke betrekking kwam, hem de kunst gelukkig afzag, en sedert Duitschland smaak inboezemde voor de echte dichtkunst. Opitz erkende dat de poëzij van heinsius de moeder der zijne was in eenige dichtregelen aan dezen gerigt, die wij met genoegen hier eene plaats inruimen:
Opitz heeft ook de beide lofzangen van heinsius, zoo wel dien op bacchus als dien op jezus christus, in vloeijende Hoogduitsche verzen vertaald 2. Ondertusschen kunnen wij niet zeggen dat deze lofzangen ons zeer behagen; zij dragen meer blijken van de groote geleerdheid des opstellers dan wel van zijne geestige vindingrijkheid die in zijne gedichten, vooral de erotische, zoo voordeelig uitblinkt. Scriverius heeft ze ook beiden cum notis uitgegeven, ter verklaring inzonderheid van de ontelbare Grieksche namen en Nederduitsche bijnamen, met welken bacchus in dezen Hymnus genoemd en aangesproken wordt, onder anderen ook met deze en dergelijke koppelwoorden:
Geene mindere geleerdheid blijkt ook in den Lof-sanck van Iesus Christus, eene geleerdheid, die zelfs in ergerlijken wansmaak ontaardt. De omstandigheden, die plaats hadden bij den dood van jezus aan het kruishout, en die mattheus, Cap. XXVII, vs. 51-53, verhaalt, worden op de volgende Heidensche wijze daarin voorgedragen:
Veel voordeeliger dan deze twee lofzangen onderscheiden zich de meesten zijner andere gedichten, die krachtig, vloeijend, geestig en vol aardige en natuurlijke vergelijkingen zijn. Het Gedicht op den dood ende treffelicke victorie van jacob van heemskerk, in den zeeslag bij Gibraltar, heeft inderdaad fiksche partijen; wij zien al dadelijk den dapperen Admiraal op zijn' post:
Aldaar zag hij de wakkere matrozen
Ongemeen stout en krachtig is ook de volgende episode:
Mannelijk en fier, zonder windbrekerij, is de echt-Bataafsche aanspraak aan de Spanjaarden in dien heldhaftigen voor den Nederlander zoo roemvollen tijd:
Fraai mogen wij ook het gedicht noemen Aan Leyden. Hoe aandoenlijk is de volgende schildering:
En hoe grootsch de volgende gelijkenis:
Het dichtstuk eindigt met de volgende deftige kernspreuk:
Zijne Theocritische minnedichten zijn uiterst bevallig en geestig; zoo ook zijne zinnebeelden, onder den naam van Het Ambacht van Cupido en de Emblemata amatoria, door aardige plaatjes verduidelijkt. Regt behaaglijk is de bezigheid der minnegoodjes op zijne eigen bruiloft:
Tot besluit, en waarlijk het kost ons moeite om hier tot een besluit te komen, schrijven wij nog het bevallige stukje af, getiteld:
Dit stukje is een geestige pendant van dat, het welk cats, onder het opschrift: Cupido verloren en uytgeroepen, naar het Grieksche van moschus gevolgd heeft.
Wij vinden van heinsius op de naamrollen ook nog een tooneelstuk aangeteekend, onder den titel van den Moord der Onnozelen, in 1639 gedrukt.