Helmers (Jan Fredrik). Wij schrijven dezen naam met eene eerbiedige weemoedigheid hier ter neder. Ach! dat deze naam hier niet behoefde aangeschreven te worden, en wij dien nog op de lijst der levenden opgeteekend zagen! Doch, daar wij denzelven nu moeten vermelden, vinden wij ons verlegen, hoe wij zulks met genoegzame lofverheffing zullen doen. Welke luisterrijke namen men in dit werk reeds heeft aangetroffen, en nog verder zal aantreffen, de naam van helmers vergt
den meesten eerbied; micat inter omnes. Een Grieksch redenaar had aangekondigd dat hij eene lofrede wilde houden op hercules. Wie veracht hem? vroegen zijne toehoorders, en keerden den redenaar den rug toe. Hetzelfde kon men ons ook vragen, als wij in den lof van dezen uitmuntenden dichter wilden uitweiden, en echter zullen wij ons overtollig offer aan zijne zeldzame verdiensten bezwaarlijk kunnen terughouden.
Helmers werd geboren te Amsterdam in 1767 van deftige burgerlijke ouders, die hem eene beschaafde opvoeding gaven; hij leerde in zijne jeugd de Fransche, Engelsche en Hoogduitsche talen; in zijne jongelingschap wilde hij zich ook de Latijnsche en Grieksche eigen maken, doch hierin vond hij, zonderling genoeg voor een' jongeling van zulk een vlug begrip, schranderheid, goed geheugen en gezond oordeel, onoverkomelijke zwarigheden, zoo dat hij geheel daarvan afzag; maar daarentegen was hij bij uitstek ervaren in de geschiedenis, de aardrijkskunde en de natuurlijke historie. Aangaande den godsdienst en de wijsbegeerte koesterde hij ook zeer heldere begrippen, onafhanglijk van eenige bekrompen kerkleer of schoolstelsels, waarvan hem de bewoordingen en bekleedselen niet eens bekend waren. Hij ontveinsde zijne denkwijze zoo min in zijne gedichten als in zijne gesprekken, en beleed rondborstig hetgeen hij voor waar en goed hield. Daarbij was hij een vurig beminnaar van zijn vaderland, een gezworen vijand van alle overheersching, zoo
wel van inlandsche demagogen als vreemde tirannen; voorts een braaf burger, opregt vriend, deugdzaam echtgenoot en vader, en edeldenkend mensch.
De geschiedenis der ontwikkeling van zijn uitmuntend dichttalent is te belangrijk, om niet eenige oogenblikken daarbij stil te staan. Daar deze ontwikkeling genoegzaam onder onze oogen heeft plaats gehad, zullen wij daarvan een zoo naauwkeurig mogelijk verslag geven.
Het vroegste dichtstuk, dat wij van helmers kennen, is een lijkzang op b. de bosch, in 1786 vervaardigd. Hij trad dus op in een tijdvak dat de ware dichtkunst plaats gemaakt had voor de koele werktuiglijke verzenmakerij, dat de dichtgenootschappen in de voornaamste steden van ons vaderland in vollen luister bloeiden, en er jaarlijks eenige dozijnen gouden en zilveren medailles werden uitgeloofd, die somwijlen door de middelmatigste verzenmakers of lieden werden behaald, die wel eenig begrip van versificatie, maar niet het minste denkbeeld van echte poëzij hadden. De negentienjarige helmers, die zijne sluimerende genie voelde ontwaken, ontving het eerste dichtkundig onderwijs in de school van uylenbroek, alwaar, hoezeer deze anders een man van zeer veel kunde, gevoel, smaak en gezond oordeel was, toch zeer ligt regels voor poëzij aangenomen werden als, bij voorbeeld, de volgenden, die in den bewusten lijkzang van helmers op de bosch voorkwamen:
Men vergelijke deze eeuwige waarheden op rijm eens met zijn meesterstuk, De Hollandsche Natie: welk een onderscheid!... In deze school kroop helmers zachtjes aan, als eene slak, met de anderen langs het door feitama en steenwijk afgebakende pad den zangberg op, hij, die met een' reuzenstap te doen, in eens den top bereiken kon! Zeer was hij ingenomen met van merken en haren echtgenoot van winter 2, toen in zijn oog, zoo wel als in dat van duizend anderen, een paar poëtische wondermenschen, voor wier zoetvloeijende gedichten elk den diepsten eerbied had. Allengs echter waagde het helmers zijne lier op een' stouter' toon te stemmen; reeds zijne ode, getiteld: De Nacht; die
van 1788 dagteekent 1 heeft veel meer dichterlijks dan de meeste gewrochten zijner tijdgenooten, nieuwland uitgezonderd.
In 1790 verscheen voor de eerste maal zijn dichtstuk Socrates, in drie zangen, in 4to in het licht. Hetzelve bragt de onmiskenbare blijken met zich van 's dichters vroegtijdige menschenkennis, zijne verlichte denkwijze, warm gevoel en verheven aanleg, om eenmaal de eerste zanger zijns vaderlands te worden; echte kenners zagen dit dadelijk, doch bij het groote publiek maakte dit dichtstuk weinig indruk, en de kritikasters van dien tijd zochten alle vlekjes en feiltjes met een vergrootglas op, en spaken hun oordeel uit 2 op eene wijze, die ons nog een' medelijdenden glimlach afperst. Hoe het zij, genoegzaam de geheele oplaag werd - tot misdruk geteld 3! ‘Mogen,’ zeggen wij des niettegenstaande met een' zijner lofredenaars, ‘mogen al zijne meer volmaakte zangen, van lateren leeftijd, dezen eersteling eenigzins verduisteren, voor ons, voor elken vriend der Hollandsche dichtkunst blijft het eene altijd dierbare herinnering aan den aanleg en de ontwikkeling van den voor treffelijken helmers 4!’
In zijne jeugd was hij een ijverig bezoeker en voorstander van den Amsterdamschen schouwburg; de aldaar heerschende gebreken bleven door hem niet onopgemerkt, hij zag als het ware Duitschland den toon geven op ons nationaal tooneel, de vertalingen der drama's van kotzebue en andere oppervlakkige vreemde vernuften werden onder luidruchtige goedkeuring aldaar opgevoerd, met achteraanstelling der voortbrengsels van onze oorspronglijke geniën. Dit maakte natuurlijk, als onverbasterd Hollander, zijne verontwaardiging gaande; hij schreef een tooneelmatig tijdschrift, onder den titel van De Amsterdamsche Nationale Schouwburg; waarin bij de gebreken van dat tooneel, hetwelk toen eene soort van finantiespeculatie geworden was, hevig gispte, doch met het zesde nommer zag hij zich reeds verpligt de verdere uitgave te staken. Zijn treurspel Dinomaché, of de verlossing van Athene, in 1798 op den Amsterdamschen schouwburg vertoond en uitgegeven, maakte ook weinig opgang; men vond dat hij in hetzelve voltaires Meropé en van merkens Gelonide te sterk had gecopieerd. Het scheen dat de tooneeldichtkunst het minst zijne zaak was. Clarescere omnibus rarum.
Eene reis maar Parijs in 1803 bragt niet weinig toe ter volkomen ontwikkeling van zijn heerlijk dichttalent. Hij bevond zich in Frankrijks hoofdstad in het tijdvak, toen de wenken van deszelfs
beheerscher bevelen waren voor genoegzaam alle bewoners der aarde, en de Parijssche museums de kunstschatten van genoegzaam alle natiën hadden ingezwolgen. Die te aanschouwen was het toppunt van aardsche zaligheid voor een' dichter gelijk helmers; in welk eene verrukking bragt hem de beschouwing van den goddelijken apollo van Belvedere, welligt het hoogste ideaal van schoonheid der menschelijke vormen! Daar stond hij voor hem, in al zijne majesteit, de god, dien helmers in 1801 reeds zoo goddelijk bezongen had, en dit gezigt maakte denzelfden indruk op zijn gemoed als een bevel van den god, om de stoutste zangen aan te heffen, die Nederland sedert antonides nog gehoord had, en dien helmers ook alleen overtreffen kon.
Eerst in 1809 en 1810 gaf hij te Amsterdam twee deelen met Gedichten in het licht, waaronder het straks genoemde dichtstuk Apollo gevonden wordt. Te Parijs zag hij den god werkelijk zoo als hij hem reeds te voren in zijne dichterlijke verbeelding gezien had: toen mogt hij op nieuw in verrukking uitroepen:
Met ongemeen veel goedkeuring werden deze beide gedichtenbundels ontvangen; algemeen was de lof die aan dezelven werd toegezwaaid; met gretigheid werden de stoute gezangen, daarin vervat, gelezen en bewonderd, en zoo vrijmoedig als scherpzinnig beöordeeld 2.
Zijn verlangen, om insgelijks Italië te bezoeken 1, werd niet vervuld: welke vruchten zou hij op dien grond geplukt en welligt op onzen zangberg overgeplant hebben! Billijk mogen wij dit vooronderstellen, daar zijne heerlijke lierzangen op het Museum van aeloude standbeelden 2, der Schilderijen 3 en den Keizerlijken Plantentuin 4 te Parijs de vruchten waren van zijn kortstondig verblijf aldaar.
Maar het heerlijkste gedenkstuk heeft hij zich opgerigt in het hart van elken Nederlander met zijn voortreffelijk meesterstuk, De Hollandsche Natie, in zes zangen, hetwelk voor de eerste maal in 1812 in het licht verscheen, nadat de Fransche boekencensuur er verscheiden schoone en krachtige regels had uitgeworpen, doch die bij de volgende
drukken (wij hebben den vijfden, van 1821, voor ons liggen, en een zesde is reeds aangekondigd) er weder ingevoegd zijn.
Dit uitmuntend gedenkteeken van den nationalen roem was het laatste dat de edele dichter bij zijn leven uitgaf. Bij gelegenheid der uitdeeling van de eereprijzen der Stads Teekenakademie, in de Remonstrantsche kerk, te Amsterdam, op den 2 Februarij 1813 sprak hij nog met veel vuur en nadruk een uitmuntend dichtstuk uit, en slechts vierentwintig dagen daarna, den 26sten, was hij reeds niet meer! Zijn stoffelijk overschot rust op het kerkhof te Muiderberg, onder een' eenvoudigen steen, die enkel zijn' naam tot opschrift heeft.
Diepe rouw vervulde het hart van elk' regtschapen Nederlander, bij het vernemen der treurmare van het overlijden des stouten zangers, die de eer des vaderlands tot zijn' jongsten snik handhaafde, te midden van de onderdrukkingen des Corsikaanschen despoots, die op den troon der Fransche Koningen de wereld als een jupiter voor het fronsen zijner wenkbraauwen deed sidderen, en in den stoutmoedigen helmers een' Nederlandschen tyrtaeus zag, die eenmaal gevaarlijk voor hem worden kon 1. Hij heeft dus de bevrijding zijns vaderlands van dit schandelijk juk, weinig maanden na zijn' dood, niet
mogen aanschouwen, en dus zijn' vurigsten wensch niet vervuld gezien. In stillen weemoed werd ook tot dat gelukkig tijdstip toe zijn' dood betreurd; doch op den 26 Februarij 1814, en dus op den eersten verjaardag van zijn overlijden, werd zijne 1ijkgedachtenis plegtig gevierd in de Amsterdamsche Afdeeling der Hollandsche Maatschappij van fraaije Kunsten en Wetenschappen, aan wier oprigting helmers zeer veel deel had, met eene schoone Lofrede door den heer g.j. meijer, tegenwoordig Hoogleeraar aan het Athenaeum te Brussel, en een voortreffelijk dichtstuk van den Heer Mr. m.c. van hall. Dergelijk eene Lofrede hield de Heer h.h. klijn op den 25 November deszelfden jaars in de Maatschappij Felix Meritis, gevolgd door een roerend dichtstuk van des overledenen schoonbroeder, den Heer c. loots, en afgewisseld door zangstukken, vervaardigd door den Heer b. klijn, bz., in muzijk gebragt door den Heer j.w. wilms 1.
Kort daarna verschenen door de zorg van de Heeren van hall, loots en klijn zijne Nagelaten Gedichtenin twee deelen in 1814 en 1815 te Haarlem in het licht; de tweede druk, in 's Hage in 1821, uitgegeven, bewijst met welk een genoe-
gen de Hollandsche natie deze dichterlijke nalatenschap van haren onvergetelijken zanger ontvangen heeft; eene Nalezing zijner Gedichten is insgelijks door mijne bezorging in 1815 in het licht verschenen.
Helmers is nimmer bij zijn leven geportretteerd geworden; het voor het eerste deel zijner Nagelaten Gedichten geplaatste portret, door den Heer w. van senus gegraveerd, is na zijn' dood geschilderd door den Heer j. smies; zeer gelijkend is de buste in gips, door den beeldengieter sartori op 's dichters lijk gemouleerd: ik heb deze buste in het koper doen graveren en voor de Nalezing geplaatst.
Helmers is, in onze schatting, onder de afgestorvene Nederlandsche dichters de grootste van allen; allen heeft hij ze overtroffen, zelfs vondel, dien men te veel gebreken vergeven moet, om hem, na helmers, nog langer de eerste plaats op den Nederlandschen zangberg te laten bekleeden, die welligt vooringenomenheid en onbedachtzame napraterij meer dan het gezond oordeel hem heeft laten behouden 1, daar hij toch reeds, als men
billijk oordeelen wil, in vele opzigten door antinodes overtroffen werd, en zeer zeker in onze dagen door bilderdijk en tollens oneindig overtroffen wordt. Ver van ons de onregtvaardigheid van met den grooten hoop altijd de verdiensten van het voorgeslacht te verheffen ten koste van den welverdienden roem onzer tijdgenooten! Wij gaan hoog met vondel,hooft, brandt en andere uitmuntende vernuften, wij doen regt aan hunne verdiensten, en weigeren hen geenszins den verdienden lof, maar dan verplaatsten wij ons in hunnen leeftijd, en brengen hen niet in aanraking met onze tijdgenooten, tegen wie zij in lange niet opwegen.
Volgens den aard en inrigting van ons werk zouden wij hier eene bloemlezing moeten doen volgen, uit de voortreffelijke gedichten van den onvergetelijken helmers, dan behalve dat zulks uiterst moeilijk zou zijn, alzoo de keus onder zoo veel schoons en edels, bezwaarlijk is, ware zulks welligt geheel overtollig, daar toch niet alleen deze gouden liederen, gelijk de Spaansche dichter yriarte ze noemen zou (Xacaras de oro), in de handen, boekerijen en het geheugen van duizenden onzer landge-
nooten zijn, maar dezer dagen ook een zoogenoemde goedkoope druk (wohlfeile Herausgabe, in naarvolging der Duitschers) is aangekondigd, zouden wij ons, zonder nadeel voor onze lezers, van deze verpligting gerustelijk kunnen ontslaan, en de ruimte besparen ter plaatsing van de dichtproeven van minder algemeen bekende dichters: dan wij willen ons werk niet van een wezenlijk sieraad versteken, dat zelfs het geringste voortbrengsel des edelen zangers daaraan kan bijzetten, en nemen dus hier over zijn' Pindarischen lierzang, met het opschrift:
Wij kunnen de fraaije schildering van den opgang der zon, uit zijn' lierzang Griekenland, hier ook geene plaats weigeren.
Om ook iets uit zijn meesterstuk, De Hollandsche Natie, mede te deelen, kiezen wij de schoone krach-
tige gelijkenis, waarmede hij het verhaal van den scheepstrijd van bossu op de Zuiderzee besluit
Warme vaderlandsliefde en gloeijende tirannenhaat kenmerken meest al zijne dichtstukken. Met welk een' diepen weemoed beklaagt hij de treurige vernedering des vaderlands, in den aanhef van het dichtstuk De Wereldburger!
Maar ook met welk eene geestdrift verklaart hij tegen van hall:
Hoe haat mijn ziel elk' dwingeland!
Kon ik het vuur dat in mijn' boezem brandt,
Dat in mijne aadren kookt, in verzen uit doen stroomen,
Gewis, elk dwingland zou een schrikbre straf bekomen.
Met de almagt van de kunst omgord
Zou ik 't heelal doen van mijn' zang gewagen!
Gelijk een bliksem nederstort
Zou ik des dwinglands kruin verbrijslen door mijn slagen 2.
Helmers behoorde noch onder de rijken, noch onder de aanzienlijken, maar, gelijk wij gezegd hebben, tot den deftigen burgerstand; hartelijk vergenoegd leefde hij in denzelven, twintig jaren lang waren wij getuige daarvan; hij kon zeggen, en meende het uit grond van zijn hart:
Zijne godsdienstige begrippen waren helder, gezond en verheven; hij onderwierp die niet aan eenig priesterlijk gezag, liet zich door geene kerkleer voorschrijven wat hij al of niet gelooven moest, maar volgde alleen zijne overtuiging, en beleed rondborstig het geen hij voor waar hield. Zijn Lofzang op Jezus van Nazareth 2 is van een' geheel anderen stempel dan de in het vorig artikel aangevoerde van heinsius; het smart ons, dat wij dit heerlijk meesterstuk niet in zijn geheel in zijne Nagelaten Gedichten lezen; te meer, daar de achtingwaardige uitgevers verklaard hadden dat zij deze dichtstukken gaven, ‘zoo als zij uit zijne
pen gevloeid zijn,’ zonder zich ‘uitlating of verandering’ te veroorlooven, waardoor zij oordeelden dat zij het vertrouwen, dat men in hen stelde, zouden misbruiken en eene vrijheid nemen, waartoe geen hunner, na den dood van den edelen man, geregtigd was 1; en ondertusschen is toch eene der schoonste plaatsen, ja, de allerbelangrijkste, wij zouden schier denken ten gevalle der bekrompenste bigotterie, achterwege gelaten; wij zouden het dichtstuk in zijne oorspronglijke geheelheid te voorschijn kunnen brengen; doch eerbiedigen de redenen, hoedanigen dan ook, die de uitgevers voor deze uitlating, ondanks hunne stellige verklaring van het tegendeel, gehad mogen hebben, en houden, voor als nog, het vollediger afdruksel voor ons zelven.
‘Helmers,’ zeggen wij met zijn' lofredenaar klijn, ‘was een van die zeldzame geesten, die zich boven den engen kring der aanschouwbare natuur verheffen, en zich eene eigene wereld vormen; hij was Dichter. - Als dichter waren zijne denkbeelden levendige afdrukselen van zijne ziel, beelden, akkoorden; hij overpeinsde niet, alles was bij hem geestdrift; hij ontwikkelde niet, maar schilderde; hij sprak niet, neen, de taal was bij hem zang 1.’
Helmers was dichter; er zijn meer aan wie men dien naam niet weigeren kan; maar, wat meer zegt, hij was oorspronglijk dichter, hetgeen men van slechts weinigen voor en na hem zeggen kan. Al zijne beelden, spelingen, uitdrukkingen, de wijze van behandeling zijns onderwerps, stijl, overdragten en sieraden, alles behoort hem in vollen eigendom, niets is van anderen ontleend, niets uit virgilius of horatius verplooid; want, - wij zouden schier zeggen tot een geluk voor een genie als het zijne, - hij verstond hen niet dan door middel van tolken, die, ten minsten in onze taal, hen slechts - vertaalden!
Bij zijne uitstekende verdiensten paarde hij eene beminnelijke zedigheid; nimmer plaatste hij zich op den voorgrond, nimmer deed hij zijne meerderheid gevoelen, van welke hij trouwens misschien zelf onbewust was 1, hartelijk verblijdde hij zich in den letterroem zijner tijdgenooten, moedigde aan
waar hij kon, en had zich, zoo het mogelijk geweest ware, met wellust zien overtreffen. Geen wonder dat hij in alle letterkundige en gezellige kringen even zoo bemind als geacht en bewonderd was; geen wonder dat zijn dood zoo menigen schakel verbrak in de keten der vriendschap, des gezelligen verkeers en der beoefening van kunsten en letteren.
Hij is niet meer; het is waar, hij heeft slechts de helft van vondels ouderdom bereikt, maar de nakomelingschap zal hem gewisselijk langer, en met veel meer regt, bewonderen dan dezen, die, ware hij zijn tijdgenoot geweest, althans geene soort van blindeling aangebeden poëtische afgod geworden zou zijn.
Hij is niet meer! Diep smart ons zijn verlies; maar uwe woorden, edele, gevoelige Klijn! zijn niet die van eene stem roepende in de woestijn; nog wedergalmen ze in ons hart; wij herhalen ze met al den nadruk, dien wij daaraan kunnen geven: ‘Nog zweeft zijn geest rondom ons; nog troost en verheft hij ons, in zijne heerlijke zangen. Leest en herleest die, Nederlanders! schenkt dezelven aan uw kroost, vaders en moeders! vormt daardoor hunne jeugdige harten, en leert hen zoo prijs stellen op echte vaderlandsche verdiensten 1.’