Hennebo (Robert), een Fries van geboorte, had in zijne jeugd den krijgsdienst omhelsd, doch daar hij in het eerste gevecht, dat hij moest bijwonen, zich veiliger onder de dooden rekende, strekte hij zich ook maar bewegingloos neder, verzekerde door deze schijndood zijn leven, en begon in 1716 te Amsterdam, in de nabijheid van het voormalig Prinsenhof, thans het Stadhuis, eene herberg, waar hij het Gulde Vlies uithing, vervolgens werd hij kastelein in het koffiehuis De Karsenboom, in de Kalverstraat, en eindelijk acteur op den schouwburg. De beruchte Actiehandel van 1720 bezorgde hem een aanzienlijk fortuin. Hij kocht een fraai buitengoed tusschen Rotterdam en Gouda, hetwelk hij Actiehoven noemde; doch hij onderging het gewone lot der windhandelaars van alles weder te verliezen, en nam zijn vorig beroep van acteur op nieuw bij de hand, hetwelk hij kort daarna weder verliet, en zich aan het vertalen van boeken uit het Engelsch en
Fransch begaf. Eindelijk werd hij makelaar in effecten, waarmede hij weder een aanzienlijk kapitaal verkreeg, en na zijn' dood, die in Julij 1737 voorviel, zijner weduwe zoo veel middelen naliet, dat zij rijkelijk van hare inkomsten kon leven.
Hennebo was een vrolijke snaak; in zijn' dichttrant schijnt hij zich focquenbroch tot model gekozen te hebben, doch zijne boert is geestiger. Zijne gedichten, waarvan sommigen, gelijk de Rouwklagt van j. veenhuizen, de Lof van den Jenever, eerst afzonderlijk waren uitgegeven, zijn naderhand gezamentlijk onder den titel van Verzamelde Dichtwerken van r. hennebo, in het licht verschenen. De straksgemelde Rouwklagt en Lof van den Jenever, hoewel geestig en aardig, zijn te uitgebreid om ze hier mede te deelen. Liever ruimer wij eene plaats in aan het minder bekende luimige Bruiloftsgedicht op het Huwelijk van ysbrand vincent en johanna pauw, in den vorm van een pleidooi, gevoerd voor den edelen hove van Cyprus; hetzelve begint met het volgende