stierven: Al spoedig bleek in het knaapje een aanleg die tot iets hooger dan het vaderlijk beroep van zilversmit bestemd scheen. Zoo dikwijls hij daartoe gelegenheid had, verwisselde hij het gereedschap met boeken waarin hij zoo vlijtig las, dat zijne ouders besloten hem naar hun vermogen in de gelegenheid te stellen om zijne zucht tot de letteroefeningen in te volgen, te meer, daar hun ouder zoon meer lust en geschiktheid toonde tot het vaderlijk beroep, en zich met allen ijver in hetzelve bekwaam maakte.
Na dat de leerzuchtige jongeling de lagere scholen met lof verlaten had, werd hij op een praktizijnskantoor geplaatst. Hier won hij weldra door zijne onafgebroken vlijt en werkzaamheid het geheel vertrouwen van zijnen meester, voor wien hij weldra geheel onontbeerlijk en met bezigheden overladen werd, zoo dat hij alleen in zijne tusschenuren zich op andere nuttige wetenschappen kon toeleggen. De Predikant en Praeceptor der Latijnsche scholen te Middelburg, a. van deinse, onderwees hem in de Latijnsche taal, in welke hij binnen twee jaren zoodanige vorderingen maakte, dat hij in staat was de collegiën van den Heer k.k. reitz over de regtsgeleerdheid met vrucht bij te wonen, en zich in dit zijn geliefkoosd vak zoo zeer bekwaam maakte, dat hij op het punt stond om het doel van zijn ijverig pogen te bereiken, wanneer de dood op den 18 September 1803 een einde maakte aan 's braven jongelings werkzaam, nuttig en voorbeeldig leven.
Vruchteloos spoorden zijne vrienden hem aan, bij zijn zwak ligchaamsgestel en steeds wankelende gezondheid, tot het nemen van eene geöorloofde uitspanning; hij vond geen smaak in de gewone uitspanningen der jeugd, en nam ter verademing de lier in handen.
Er heerscht in zijne gedichten een weemoedig zacht gevoel, eene aandoenlijke somberheid en tevens eene kracht, die dezelven al dadelijk van het laffe sentimenteele onderscheidt, dat voor ruim dertig jaren uit Duitschland tot ons was overgewaaid. Zijne eerste stukjes worden gevonden in de Kleine Dichterlijke Handschriften; de lezing dezer lieve stukjes kunnen wij niet genoeg aanbevelen; reeds het eerste, dat van hem in dit dichtwerk voorkomt, regtvaardigt onze uitspraak, dat er kracht en gevoel tevens in zijne voortbrengselen gevonden wordt; wij nemen hetzelve hier des te gereeder over, om dat een man van zestig jaren, die, gelijk men zegt, de wereld gezien heeft, dit tafereel niet sterker kleuren zou dan de brave jongeling, toen twee-entwintig jaren oud, hier met fiksche penseelstreken doet, in een' zijner eerstelingen, getiteld:
Op het einde van zijn leven had hij een bundeltje met dichtstukjes ter uitgave gerangschikt, hetwelk dan ook, kort na zijn overlijden, te Middelburg in 1803 met een zeer zedig voorberigt in het licht verscheen, onder den titel van Letterkransje: Al deze stukjes getuigen wat deze uitmuntende jongeling eenmaal geworden zou zijn. Al weder gevoel en kracht vindt men in het stukje:
Vergeten? - Heron? - Neen, naast bellamy, si placet!