geboortestad. Zijne moeder bestelde hem als leerling bij een' heelmeester te Groningen, doch hij een' tegenzin in deze wetenschap krijgende, keerde spoedig naar Dokkum te rug, alwaar de Rector der Latijnsche schole, bij welke zijne moeder den post van clavigera of portierster bekleedde, hem in het Latijn en Grieksch onderwees, waarin hij weldra uitmuntende vorderingen maakte.
In 1740 of 1741 begaf hij zich naar de hooge schole te Franeker, waar hij bijna zes jaren het onderwijs van den grooten valckenaer mogt genieten; hij vervolgde zijne studiën te Leyden, met het oogmerk om zich tot den predikdienst te bekwamen; doch kennis en vriendschap gemaakt hebbende met den geleerden p. burman, Professor aan het Athenaeum te Amsterdam, zag hij af van het predikambt, en gaf zich geheel over aan de beoefening der fraaije letteren, en werd in 1749 aangesteld tot Rector der Latijnsche scholen te Alkmaar, en trad nog hetzelfde jaar in huwelijk met dorothea lemke 1. Dertien jaren was hij in zijnen post met onvermoeiden ijver werkzaam geweest, toen hij, na eene ziekte van weinig dagen, den 22 Junij 1762 overleed.
Higt was een zeer verdienstelijk geleerde, bij uitstek bedreven in de Grieksche en Latijnsche let-
terkunde; de Roomsche lier was zijner handen even zoo goed aanvertrouwd als de Hollandsche en Friesche 1. Het eerste wat hij in het licht gaf was een uitvoerig gedicht, den Lof der Toneelpoëzij behelzende, geplaatst achter zijne Nederduitsche vertaling van s. werenfelsii Oratio de Utilitate Comaedia 2. Zijn in 1758 vervaardigd uitmuntend Carmen trochaicum in reditum Veris zag in 1761 het licht met eene schoone Nederduitsche vertaling in denzelfden trant van den verdienstelijken huisinga bakker. Zijn Zwanenzang op de kapel te Alkmaar, kwam na zijn' dood in 1762 in het licht. Zijne overige Latijnsche en Nederduitsche Gedichten heeft de Heer a. ijpeij bijeenverzameld en de voornaamsten in een boekdeel in 1803 te Harderwijk bij inteekening uitgegeven.
Als men in aanmerking neemt dat higt bloeide in een tijdvak dat de Nederduitsche dichtkunst diep vervallen was, of ten minsten bukte onder de heerschappij van feitama en de overige behendige vertalers van Fransche treurspelen en andere dichtwerken, moet men zich verwonderen over 's mans oorspronglijkheid, zoo wel in zijne Latijnsche als Nederduitsche gedichten. ‘Zijne Latijnsche poëzij,’ zegt de Heer ijpeij 3, en het is ten vollen
waar, ‘was gestemd geheel in den toon der ouden, zonder dat er lappen van de ouden tusschen ingestoken waren, hetgeen men anders in de gedichten van velen zijner kunstgenooten, ten dien tijde, aantreft.’ Even waar is ook de uitspraak des geleerden mans, dat higts ‘Nederduitsche poëzij meer in den smaak viel van hooft en vondel dan men het in zijne dagen bij iemand der meest bekende dichteren vond, en alles blijken draagt van een eigen, grootsch, verheven, schoon, poëtisch genie.’
De voorhanden bundel bevat, ja, voor het grootste gedeelte gelegenheidsgedichten op het verjaren, trouwen en overlijden van bijzondere personen, maar zij steken zeer voordeelig af bij die van den gewonen stempel; sommigen zelfs zijn meesterstukken van echte lyrische poëzij, anderen behagen wederom door eene geheel nieuwe en aardige wending, gelijk, bij voorbeeld, de beide laatste coupletten van den Tweeden Lierzang aan willem karel henrik friso:
In al zijne gedichten heerscht iets Latijnachtigs, als wij het zoo noemen mogen, die eene ongewone zinvolheid te weeg brengt, en eene kracht aan sommige uitdrukkingen geeft, die men in dezelven niet zou vermoeden. Niet alleen als lierdichter vinden wij in higt ongemeene bekwaamheden; ook als hekeldichter had hij verdiensten. Geheel met den geest van juvenalis doortrokken is het hekeldicht, dat wij hier afschrijven, en ten opschrift heeft: