terug  begin  verderprepost

[Jan Hinlópen]

Hinlópen (Jan) was de zoon van den waardigen Utrechtschen Predikant jacobus hinlópen en isabella cornelia van der burgh; hij werd geboren te Utrecht, den 25 October 1759. In zijne jeugd ontwikkelden zijne geestvermogens zich zeer traag, zoodat hij op de Fransche en Latijnsche scholen met moeite zeer geringe vorderingen maakte. De vader wist gelukkig den naijver bij den onvatbaren knaap op te wekken, door hem en een' jongeling van gelijke jaren als het ware al spelende zeer veel te leeren, en zijne verstandelijke vermogens allengs op het voordeeligste te ontwikkelen.

Bij het vaderlijk onderwijs in de eerste noodige wetenschappen, genoot hij ook het onderrigt van zijnen oom nicolaas hinlópen, een geleerd man, en, als de kweekeling van huydecoper, een groot kenner der met ons Nederduitsch verwante taaltakken. Hij is beroemd als de schrijver der Geschiedenis van de Nederduitsche overzetting des Bijbels. In het aanleeren der Latijnsche taal bood de geleerde toenmalige Rector j.f. reitz hem de vriendschappelijke hand, en bragt hem weldra in gemeenzame kennis met de beste Grieksche en Latijnsche schrijvers; ook bleek het aldra, dat hij aanleg had voor de Latijnsche dichtkunde, vooral in de schoone lofrede in verzen over josephs gedrag als regent van Egypte, die hij bij het verlaten der scholen in het openbaar uitsprak.

[p. 200]

Aan de Utrechtsche hoogeschool stelde de jonge hinlópen de verwachtingen zijner onderwijzeren geenszins te leur; met ijver en vlijt behartigde hij zijne studiën, en verliet de hooge school met een openbaar bewijs van zijne meer dan gewone bekwaamheden, door het openbaar verdedigen van eene Dissertatio de fictionibus Juris Civilis Romani, den 21 Junij 1780.

Sedert 1759 bestond en bloeide te Utrecht een letterkundig genootschap, zoo wel uit professoren als uit studenten bestaande, hetwelk tot zinspreuk voerde: Dulces ante omnia Musae 1; weldra werd de jonge hinlópen tot lid van hetzelve verkoren; en het inleveren van verscheiden taal- en dichtkundige proeven 2 gaf getuigenis van zijn' lust en ijver zoo wel als van zijne bekwaamheid en smaak.

Aan het huis van hinlópen kwam omstreeks dien tijd een kring van ijverige jonge lieden bijeen, die opzettelijk handelden over de dichtkunst en derzelver theorie. In dit gezelschap telde men bellamy, rau, carp, kleijn, ockerse en andere ontluikende vernuften, die naderhand der wetenschappen zooveel luisters hebben bijgezet. Dit gezelschap

[p. 201]

had niets genootschappelijks, geene wetten of zinspreuk, en werkte in stilte, zonder eenige aanmatiging; met levendige kleuren schildert de Heer teissèdre l'ange deze werkzaamheden volgendermate:

‘Hier deelde men met gulle eenvoudigheid, hartelijke opregtheid en strenge getrouwheid, elkander de onderscheiden voortbrengselen mede van eenen geöefenden geest, eene rijke dichtaderen eene schoone luim. Hier voerde eene vrije oordeelkunde hare weldadige tuchtroede. Hier werd het gevoel opgewekt, geleid, gezuiverd en veredeld. Hier leerde men de stem en de gebaren buigen naar de wetten der natuur en de regelen der kunst. Hier werd de liefde bezongen, zonder de kuischheid te doen blozen. Hier werd de menschheid geëerd, de deugd betracht, het Christendom beleden. Hier sloegen alle harte eenstemmig voor God, de vriendschap en het vaderland 1.’

Bellamy had geen warmer' vriend dan hinlópen; deze stond hem bij met raad, hulp en troost op zijn ziek- en sterfbedde; in zijne armen gaf hij den geest, hij zorgde voor zijne begravenis, en nalatenschap, vertroostte zijne moeder en beminde, en nam de zorg voor de eer en roem van onzen onvergetelijken zelandus op de edelmoedigste wijze ter harte 2.

[p. 202]

Wij vermoeden dat hinlópen ook de hand gehad heeft in den Poëtischen Spectator en de Proeven voor het Verstand, den Smaak en het Hart; althans wij weten ten minsten met zekerheid dat het opstel over h. dullaert 1 van zijne hand is. Zeer gelukkig was hij in het overbrengen en naarvolgen der voortbrengselen van de oude Grieksche en Latijnsche dichters, inzonderheid anacreon; de Heer scheltema deelt een paar zoodanige naarvolgingen van den laatstgemelden mede 2.

In 1782 werd hij benoemd tot lid der vroedschap van Utrecht, en in het volgende jaar aangesteld tot Secretaris van het geregt. Hij bleef dien post bekleeden, door de onlusten en omwenteling van 1787 heen. Eerst bij den inval der Franschen in 1795, toen men verklaringen vergde van begrippen, die Hinlópen geenszins was toegedaan, en die hij dus niet in gemoede kon afleggen, werd hij van zijn' post ontslagen, en leefde tot 1802, als een ambteloos burger, enkel voor zijn huisgezin, de letteren en zijne vrienden.

Het kon niet missen dat de geleerde genootschappen in ons vaderland een' man van zulke uitstekende talenten als hinlópen aanzochten tot lid; hij was dan ook onder anderen lid en directeur van het Utrechtsche genootschap, van het Zeeuwsche ge-

[p. 203]

nootschap, van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leyden en verscheiden dichtlievende genootschappen.

In 1790 was hij gehuwd met anna elisabeth schorer, bij wie hij vijf kinderen won, waarvan nog drie in leven zijn.

Gedurende zijn ambteloos leven hield hij zich onledig met dicht- en letteroefeningen, zonder evenwel iets door den druk gemeen te maken, of ten minsten zonder zich als opsteller te doen kennen. Eenigen dier opstellen zijn sedert bekend geworden, onder anderen dat, getiteld: Een woord op Reis, aan w. van der pauw 1, benevens eenige tweeregelige versjes, Xeniën geheten 2. Zijne briefwisseling met de voornaamste geleerden en letterkundigen van ons vaderland was zeer belangrijk, en volgens de verzekering van den Heer scheltema 3zou de uitgave alleen der brieven tusschen Hinlópen en zijn' boezemvriend lambrechtsen van ritthem een dierbaar geschenk voor de letterkunde en onze geschiedenis zijn.

Behalve de Latijnsche taal, die hij sierlijk sprak en schreef, verstond hij het Grieksch, waarin hij ongemeen veel behagen had; voorts het Hoogduitsch, Fransch, Engelsch, Italiaansch en Spaansch,

[p. 204]

waarin hij met de beste letterkundige voortbrengselen gemeenzaam bekend was. Hoezeer de regtsgeleerdheid het vak was waarin hij zich bij uitnemendheid geoefend had, was hij lang na geen vreemdeling in de godgeleerde, wis- en natuurkundige wetenschappen; de geschiedenis, en vooral die van ons vaderland, had in hem een' ijverig' beöefenaar, en hij was in het bezit van een' rijken schat van belangrijke gedenkstukken voor dezelve; tot zijne uitspanning handteerde hij de lier, en maakte verzen in vijf talen; in de muzijk en teekenkunst was hij ook niet onervaren, en over de gelaatkunde wisselde hij brieven met den beroemden lavater.

Na dat de staatstorm met den aanvang der negentiende eeuw een weinig bedaard en de drift der opgewonden gemoederen merkelijk bekoeld was, liet hinlópen zich overhalen, en haalde verscheiden zijner ambtelooze vrienden over, om ten nutte des vaderlands wederom werkzaam te zijn. Hij werd dan benoemd tot lid der commissie ter regeling der gewestelijke zaken van Utrecht, en vervolgens tot Secretaris van het provinciaal bestuur. Gedurende het kortstondig bewind van den Raadpensionaris schimmelpenninck werd hij ook in verscheiden gewigtige bedieningen gebruikt. Toen louis bonaparte, onder den belagchelijken titel van Koning van Holland, de oppermagt over al de Nederlandsche provinciën in handen kreeg, en dus zowel Koning van Utrecht als van Holland was, werd hinlópen al dadelijk

[p. 205]

door dezen benoemd tot Staatsraad in buitengewonen dienst. Hij vleide zich dat zijn werkkring zich binnen Utrecht zou bepalen, doch vergeefs; zijn meester benoemde hem tot Staatsraad in vasten dienst, en hinlópen moest den wispelturigen louis volgen naar Amsterdam, waar hij zijne residentie nam en het stadhuis in een paleis herscheppen liet.

Met moeite en ongaarne had hinlópen zich laten overhalen om het aangeboden ambt aan te nemen; zijne woorden, bij die gelegenheid tegen den Koning gebezigd, zijn die van een' regtschapen, ronden, eerlijken Nederlander 1, en een' scipio waardig. Hij werd voornamelijk in het moeilijk vak der geldmiddelen gebruikt en wegens verscheiden andere zaken geraadpleegd. Hij zag zich overladen met werkzaamheden, zoo dat hij dikwijls genoodzaakt was tot laat in den nacht en zelfs des Zondags te arbeiden, het geen anders nimmer zijne gewoonte was.

Enkel het verlangen om zijn vaderland en zijnen medeburgers nuttig te zijn, en geene eerzucht, had hem bewogen om zulk een' zwaren last op zich te nemen. Hoe veel goeds heeft de edele man bewerkt, hoe veel kwaads voorgekomen, onder een bestuur, dat door spilzucht en krachteloosheid den uitgemergelden staat op den rand des verderfs gebragt had, toen dezelve in 1810 voor een aanspoelsel des Franschen rijks werd verklaard!

[p. 206]

Het is waar dat louis den uitmuntenden hinlópen hoogschattede en vereerde; hij had hem benoemd tot lid der Ridderorde van de Unie; bij de eerste benoeming echter der leden van het Instituut was hij voorbijgegaan; bij de aanvulling der open plaatsen door de leden zelven werd hij met eenparige stemmen tot lid verkozen van de tweede klasse en in de tweede vergadering tot voorzitter benoemd. ‘De leden der klasse,’ zegt de Heer scheltema 1 ‘leerden hem zoo gunstig kennen, dat zij niet wisten, aan welke hoofdafdeeling, die der Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheden, of die der Nederduitsche Taal- en Dichtkunde hij moest worden toegewezen.’ Ook hier was hij onvermoeid werkzaam, en regtvaardigde ten volle de goede verwachting, die men had van de rigting, welke hij aan de werkzaamheden gaf.

Dan zijn lust en ijver overtroffen zijne krachten, die tegen zulk eene overmaat van arbeid niet bestand waren; na een kortstondig krankbed overleed hij op den 21 December 1808. Diep werd zijn verlies gevoeld, zeker wel het zwaarst bij zijne echtgenoote 1, kinderen, bloedverwanten en vrienden, maar de rouw was algemeen. Met eene ongemeene pracht werd het lijk door commissiën uit alle staatscollegien naar de Nieuwe kerk verzeld,

[p. 207]

en aldaar in het koor voor het graf van den Admiraal de ruiter onder eene prachtige catafalque nedergezet. Des anderendaags werd hetzelve naar Utrecht gevoerd en aldaar in de Geertruids kerk bij dat van zijn' vader begraven.

In het Instituut boezemde het oudste lid der tweede klasse d. hooft het rouwgevoel der leden uit over het treffend verlies van hunnen waardigen voorzitter; de Hoogleeraar j.h. van swinden gedacht zijner op eene waardige wijze in zijne aanspraak bij het openen der algemeene vergadering van het Instituut, op den 28 Augustus 1809 1; zoo mede de Hoogleeraar j.h. van der palm in zijne redevoering bij de algemeene vergadering der ridders, op den 4 September deszelfden jaars 2 ook had reeds de Hoogleeraar j.w. te water in zijne hoedanigheid van voorzitter der jaarlijksche algemeene vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche letterkunde te Leyden, den 12 Julij, eene Lofspraak op hinlópen gehouden.

De dichters perponcher, strick van linschoten, dorn seiffen, van der loo een beelaerts, bezongen zijne verdiensten in roerende treurzangen 3, en elk die prijs stelde op het

[p. 208]

edele, schoone en goede, betreurde het verlies van den in alle opzigten voortreffelijken man.

[p. 209]

Hoezeer weinig dichtstukken van hinlópen door den druk ter kennis van het algemeen gekomen zijn 1, is toch door de uitgaaf van die weinigen zijn roem als dichter gevestigd; het is ook niet onmogelijk dat zijne nagelaten gedichten en theoretische geschriften ten eenigen tijde het licht zien; en dezen kunnen niet dan welkom zijn bij de geenen die smaak vinden in de gedichten van de perponcher, van alphen, bellamy en kleijn, met wie hinlópen gemeenzaam omging en wier dichttrant hij zich eigen maakte. Hadden wij uit deze nagelaten gedichten eene keus mogen doen, wij zouden hier gewisselijk er eenigen medegedeeld hebben; dan zulks uit de reeds gedrukten te doen, achten wij overtollig, daar dezelven toch in algemeen verspreide de werken bevonden worden.

1Dit genootschap gaf in 1775 en 1782 twee boekdeelen in het licht, getiteld Proeve van Oudheid, Tael- en Dichtkunde, waarin zeer veel goede opstellen gevonden worden.
2Een enkel stuk nogtans is van onzen hinlópen in de Tweede Proeve, blz. 305, geplaatst, namelijk een Klaagzang ter gedachtenis van jr. d.f. godin, in 1779 overleden.
1Lofrede op s.f.j. rau, blz. 18.
2Gedenkzuil op het Graf van j. bellamy, blz. 211.
1Poëtische Spectator, blz. 58.
2Geschied- en Letterk. Mengelwerk, III Deel, I St. blz. 202.
1Geplaatst in de Mnemosyne, V St. blz. 315.
2De Heer scheltema deelt er eenigen mede in zijn Geschied- en Letterk. Mengelw. III Deel, I St. blz. 243.
3Ibid. blz. 210.
1Documens historiques sur le Gouvernement de la Hollande, gar louis bonaparte, Tom. II, pag. 396.
1Geschied- en Letterk. Mengelwerk, III Deel, I Stuk, blz. 232.
1Zij overleefde hem tot den 18 mei 1817.
1Procesverbaal der tweede Alg. Verg. van het Koninklijk Instituut, blz. 10.
2Gedenkschriften van de Kon. orde der Unie, blz. 182.
3Het dichtstuk van den eerstgenoemden wordt gevonden in j. scheltema's Geschied en Letter. Mengelw. III Deel, 1 St. blz. 254; dat van strick van linschoten laten wij hier volgen.
Treurt, treurt, Zonen der Musen, verscheurt u den boezem van rouwe!
Rolt weemoedig en vliet, traanen des warmsten gevoels!
Ach! hij is niet meer, Utrechts onsterflijke Dichter,
Die met kunst en smaak hemelsche deugden verbond,
Godsdienst heusch met verdraagzaamheid, ('t edelste teeken van zielskragt:)
Zamenveréénde en nooit koene gedachten beloeg,
Trouw, rechtschapen en waardige Zoon van den waardigsten Vader,
(Neêrlands Massiilon) zich wijdde voor braafheid en plicht,
Als Vriend, Vader en Gade het tederste en treflijkste voorbeeld
En voor weetenschap steeds alles in alles ons was,
In wien Bato's geslacht, zoo wij andere tijden beleefden,
Wis eenen tweeden De Groot had tot zijn' luister gezien.
Ach! hinlópen, waarom toch hebben de nijdige Parken
U zoo spoedig den Staat en den Parnassus ontrukt?
Gij, dien Utrechts Pallas met dankbaare hulde en vereering
Naoogt, Phoebus met smart ziet uit zijn reijen gescheurd;
Gij, die Anakreons maat en Maro's staatigen versbouw
Ook op Neêrlands grond gaarne verplanttet en vaak
Met Horatius zongt, of, als Tibullus en Naso,
D'ouden Elegischen trant volgdet in 't Duitsche gedicht;
Die zoo groot eenen schat daarvan hebt overgelaaten,
Doch ons verborgen, helaas! droevige zedigheidsvrucht!
Ach! hinlópen, waarom is de hoop zoo spoedig verdweenen,
Die gij den dichter van smaak, trots den vooroordeelen, gaaft?
Koud is ach! uw gelaat, bleek zijn uw lieflijke lippen;
Weg is uw Pindaruszang, weg uw Demosthenestaal.
Honing ontwelde uwen mond, en lelieën cierden uw' boezem,
Deezen het beeld van de deugd, geen van het zoetste gekweel.
Cinnamoom was uw adem en roozen bemaalden uw kaaken,
Eikloof vlocht u een' krans om het geletterde hoofd.
Liefde verbond bij huislijk geluk met de tederste Gade,
Met het bevalligste kroost, vriendschap met lynden, uw hart.
Ach! roofzuchtige tijd, waar is dit alles gebleeven?
Heeft met haar akelig floers de eeuwige nacht het bedekt?
Zoo als baldrende stormen de keurigste bloemen ter neder
Slaan, zoo sloeg ook de dood ach! onverbidlijk U neêr.
Treurt dan, Zonen der Musen, verscheurt u den boezem van rouwe!
Rolt weemoedig en vliet; traanen des warmsten gevoels!
1Behalve de in den tekst genoemden vindt men zijne verspreide gedichten opgenomen of aangewezen in j. scheltema's Geschied- en Letterk. Mengelw u.a.
prepostterug  begin  verder