Hoffham (Otto Christiaan Fredrik). Deze geestige Duitscher heeft zich in het vak van onze vaderlandsche dicht- en letterkunde ongemeen verdienstelijk gemaakt, en door zijn luimig vernuft zich zeer voordeelig onderscheiden van menig' zoetvloeijend voortrijmenden Nederlander Onder zijne tijdgenooten, die minder in het echte wezen der Nederduitsche dichtkunst doordrong dan deze schrandere en vernuftige vreemdeling.
Hij werd geboren den 2 Junij 1744 te Custrin, en was de zoon van christiaan hoffham, Hervormd Hofpredikant aldaar 2, en dorothea carolina jablonski, dochter van den beroemden Berlijnschen Hofprediker daniel ernst jablonski.
De eerste gronden der Latijnsche taal in zijne geboortestad gelegd hebbende, reisde hij in 1754 met zijne beide ouders naar Amsterdam, alwaar zijn' vader den tienjarigen knaap achterliet, en aan de zorg van zijn' broeder, den koopman hendrik hoffham, toevertrouwde, die hem in de Fransche taal en wetenschappen liet onderwijzen, en vervolgens eerst als klerk bij een' notaris en toen op een koopmans kantoor plaatste. In 1769 deed hij voor zijnen meester eene reis door Duitschland, en bezocht zijne moeder, die als weduwe te Alt-Landsberg bij Berlijn woonde, alwaar zijn' vader, nadat de stad Custrin in 1758 door het vreeslijk bombardement der Russen in een' puinhoop was verkeerd, van schrik en ziekte overleden was. Nog in hetzelfde jaar keerde hij naar Amsterdam te rug.
In 1773 reisde hij andermaal naar zijne moeder, die hem bewoog bij haar te blijven. Van October 1774 tot October 1775 onthield hij zich te Berlijn, en begaf zich toen naar Löhme, om zich in de landhuishoudkunde te oefenen, en bleef aldaar tot in 1778, wanneer hij Amsterdam nog eens bezocht, en afscheid van zijne Hollandsche vrienden nam, keerende hij nog in hetzelfde jaar naar Löhme te rug. In het volgende jaar kocht hij het landgoed Karolinenhof, bij Landsberg, aan de Warthe, en betrok hetzelve met zijne moeder.
In 1780 huwde hij met johanna elisabeth schramm te Prenslow, oudste dochter van den
toen reeds overleden Lutherschen Predikant jacob schramm. Het volgende jaar ontdeed hij zich weder van Karolinenhof, en kocht daarentegen het Krausengoed te Alt-Huttendorp, in de Ukkermark, het welk hij met zijne echtgenoote en moeder betrok.
Hier leefde hij in rust en genoegen, tot hij in 1786 zijne moeder verloor. Toen verkocht hij ook het Krausengoed, en begaf zich met zijne echtgenoote ter woon naar Prenslow.
Hier bragt hij zijne overige dagen in onvermoeide arbeidzaamheid door bij de stiefouders zijner echtgenoote, tot hij door hun onvermoed gedrag eensklaps ongelukkig werd, en, ten gevolge van den schrik, na eene ziekte van weinig dagen, den 11 Februarij 1799 overleed.
Het is inderdaad een zeldzaam verschijnsel, gelijk hoffhams boezemvriend uylenbroek te regt aanmerkt 1, ‘dat een Duitscher, die slechts in zyne jongelingsjaren eenigen tyd in Nederland heeft verkeerd, in den verderen loop van zyn leven, diep in Duitschland, de Nederduitsche taal- en dichtkunde, beiden, niet oppervlakkig, als vele hedendaagschen, maar grondig, beöefent met eene scherpzinnigheid, waarvan, wat men ook zegge, misschien niet ligt een wedergade zal te vinden wezen.’
Hoffham was, volgens het getuigenis der Duit-
schers en Nederlanders, die hem gekend hebben, een uitmuntend braaf, beminnelijk en goed mensch, wiens deugdzaam en edel karakter aan gellert en wiens letterkundige bekwaamheden aan rabener herinnerden, die hij beiden zoo gelukkig op zijde streefde.
Hij begon zijne letterkundige loopbaan met in zijne jeugd eenige vrolijke vertoogen te leveren tot het weekblad De Denker, dat toen met veel graagte gelezen werd; ook zijn de meeste vertoogen van den Kosmopoliet of Waereldburger, een weekblad in den smaak van steeles Spectator, te Amsterdam, in 1776-1777 uitgegeven, van zijne hand, toen hij te Löhme bij Berlijn woonde. In 1781 verschenen van hem eenige Hekelschriften en andere Gedichten in het licht, die hem den naam van Nederduitschen boileau waardig maakten. In 1783 volgde een geestig blijspel, Al stond er de galg op! of de verydelde Toneelkomparitie, eene scherpe satyre op de zucht voor tooneelliefhebberijen in dien tijd. Wat hij wilde met zijn zoogenaamd voorspel, in 1784 uitgegeven, geschikt voor de vertooning van Medea, en getiteld: De Broek, is ons niet duidelijk. In hetzelfde jaar verscheen zijne regt luimige en geestige Proeve van Slaapdichten, behelzende tweeëndertig onderscheiden stukjes over een en hetzelfde onderwerp, namelijk den slaap, die, wel verre van vermoeijend erg slaapwekkend te zijn, integendeel
den leeslust opwekken en gaande houden 1. Al deze stukjes zijn rijmloos en in de voetmaten der
oude Grieksche en Latijnsche dichters opgesteld, niet alleen, maar zelfs hun geest en stijl is niet ongelukkig daarin naargevolgd; men oordeele:
Zijne in 1788 Uitgegevene Proeve eener Theorie der Nederduitsche Poëzy is misschien het geestigste
oorspronglijk hekelschrift dat immer in onze taal verschenen is; de daarin voorkomende vernuftige zetten en luimige slagen toonen zoo wel blijken van 's mans zuiveren smaak en gezond oordeel als vindingrijke genie. Zoo immer, dan wordt in dit werk, den werktuiglijken verzenmakeren al schertsende de waarheid gezegd.
Eene menigte aardige en geestige stukjes zijn verspreid in de Kleine Dichterlyke Handschriften; een enkel willen wij hier daaruit overnemen, namelyk
Eenige snedige puntdichten 2 kenmerken hem ook als een voortreffelijk epigrammatist, gelijk zijne Losse Gedachten, in proza, te vinden achter zijne nagelaten geschriften, door zijnen vriend uylenbroek in 1801 uitgegeven, onder den titel van Boerenschouwburg, de Kluchtige opera, Gedichten, enz. heldere genievonken zijn, die zijn vernuftig brein bij alle voorkomende gelegenheden ontsprongen. Het kluchtig blijspel, de voornoemde Boerenschouwburg, vinden wij te gerekt en te wei-
nig belangrijk om te behagen, al is het dat de lach somwijlen opgewekt wordt door het radbraken van vreemde namen door boerentooneelspelers, Alewyns Latona, of de verandering der Boeren in kikvorschen 1, die hoffham gecopierd schijnt te hebben, trof in diens tijd beter doel, en is in sommige opzigten ook geestiger.De Kluchtige Opera is eene parodie van het tooneelstukje De Zijden Schoenen, met bedoeling om de luchtbollen en zangspellen belagchelijk te maken. De overige losse stukjes dezer dichterlijke nalatenschap hebben hunne verschillende waarde. Zeer voordeelig onderscheidt zich van de kleineren daaronder het hekeldicht, met het opschrift