de studiën geschikt, eerst in zijne geboortestad, toen te Leuven, en eindelijk te Padua, alwaar hij tot geneesheer bevorderd werd. Te rug komende oefende hij met veel lof de geneeskunst, en werd, op den 12 september 1599, toen de pest te Hoorn vreeslijk woedde, het slagtoffer zijner menschlievende hulpvaardigheid. De overigheid liet hem op stadskosten een epitaphium oprigten, hetwelk nog heden in de Groote kerk te zien is.
Hij was een zeer geleerd en welsprekend man, een voor zijn' tijd niet onbevallig Latijnsch en Nederduitsch dichter; doch hij stelde weinig prijs op zijn' arbeid, zoo dat velius, van de Hoornsche regering last hebbende om zijne schriften bij een te zamelen, slechts zeer weinig dichtstukken van dezen braven en geleerden man onder de papieren zijner vrienden heeft kunnen opsporen. Hij gaf dezelven in 1606 te Hoorn in het licht, onder den titel: petri hogerbetii Poëmata Reliquiae, waar achter Duytsche Gedichten, die behouden zyn, van p. hogerbeets. De Heer siegenbeek doet den inhoud van het hoekje oordeelkundig kennen en deelt eenige proeven daaruit mede. 's Dichters afbeelding vindt men in het werk van velius.