terug  begin  verderprepost

[Pieter Corneliszoon Hooft]

Hooft (Pieter Corneliszoon) 1, dat

 
doorluchtig Hooft der Hollandsche Poëten 2,

sproot uit een der aanzienlijkste en vermogendste Amsterdamsche geslachten 3 en was de zoon van den eerbiedwaardigen Burgemeester, cornelis pieterszoon hooft 4 en anna jacobs blaauw. Hij werd geboren te Amsterdam, den 16 Maart 1581, en genoot eene voor dien tijd zeer beschaafde opvoeding. Na zijne studiën aan de Leydsche Hoogeschole volbragt te hebben, deed hij met zijn achttiende jaar eene reis naar Frankrijk en Italië, van

[p. 236]

welke hij in 1601 te rug keerde. Reeds vroegtijdig leide hij zijne zucht voor de dichtkunst aan den dag; met zijn zestiende of zeventiende jaar schreef hij een treurspel Achilles en Polyxena genaamd; in dit stuk, hoe gebrekkelijk ook, kondigt zich reeds een ontluikend vernuft aan, doch de verzen zijn meestal lam en hortende; zoo zegt, bij voorbeeld, achilles in het begin van dit stuk:

 
Calchas, waert ghy in 't waerzegghen zoo gheleert,
 
Ghy zoudt Achillis val wel hebben gheprofeteert.

De Amsterdamsche kamer In Liefd' bloeyende telde hem nog voor zijn twintigste jaar onder hare werkzaamste leden. Gedurende zijn verblijf te Florence, waar hij zijne Amsterdamsche kunstbroeders geenszins vergat, blijkens den fraaijen dichterlijken brief, dien hij hen in 1600 toezond 1, ‘sprak en las hij de zoetvloeijende Dichters van Italië, in hunne eigene spraeke; vond bij dezen dat zagte, dat tedere, dat zangrijke, in de Poëzije, welke hem in ovidius behaegd had, maer dat hij als nog in zijne vaderlandsche tale niet had weten naar te volgen 2.’ Hij bevond zich in het vaderland

[p. 237]

van dante, in een tijdvak, dat met Tasso's dood de gouden eeuw der Italiaansche letterkunde verdwenen, en de smaak door guarini en marini anders gewijzigd was; laffe woordspelingen, schitterend valsch vernuft en zoogenaamde concetti behaagden toen algemeen. Hooft bleef van deze besmetting wel niet vrij, gelijk blijkt uit sommigen zijner minnedichten, en vooral uit velen zijner brieven; doch de geest van petrarcha oefende toch zijn vermogen op de ziel des gevoeligen jongelings, die, verrijkt met een' schat van nuttige kundigheden, in het twintigste jaar zijns ouderdoms tot de zijnen wederkeerde.

‘Geluk zij 't vaderland’, zegt zijn lofredenaar 1, ‘dat toen dat uitmuntend juweel weder in zijnen schoot ontfangen mogt, om vervolgens te pronken als een parel aan zijne kroon, tot roem van zijne stadsgenooten, een blinkend voorbeeld voor de nakomelingschap en een regtmatige ijver voor alle vreemdelingen.’

Na zijne terugkomst leide hij zich met allen ijver toe op het beöefenen der geschiedenis, door het oordeelkundig lezen van polybius, julius caesar, suetonius en tacitus, zonder evenwel de zanggodinnen te veronachtzamen; in 1601 voltooide hij een ander tooneelstuk, Theseus ende Ariadne ge-

[p. 238]

naamd, doch het welk ook, even als het eerste, hoewel in vloeijender verzen en zuiverder taal geschreven, om deszelfs gebrekkelijkheid naderhand door hem verworpen werd 1. Het toneelstuk Granida volgde in 1602.

Hooft bleef bij aanhoudendheid lid van de kamer In Liefd' bloeyende, en zettede haar niet weinig luister bij boven hare zusters in andere steden. De negen vertooningen, die zij, bij gelegenheid van het gesloten bestand, op den 5 Mei 1609 des avonds op den Dam liet voorstellen, waren door hem uitgedacht en door bijschriften verklaard 2.

Ondertusschen had hij tot hiertoe ambteloos geleefd; doch op den 28 Mei 1609 werd hij door Prins maurits aangesteld tot Drost van Muiden, Bailluw van Gooiland en Hoofdofficier van Weesp en Weesper Carspel. Met dit aanzienlijk ambt viel hem het slot te Muiden tot zijn gewoon verblijf ten deel, alwaar hij zijne meeste verdere werken geschreven heeft.

In het jaar 1610 trad hij in huwelijk met christina van erp, bij welke hij drie zonen en eene dochter won, die hij allen, en ook deze zijne echtgenoote, overleefde, die hem den 6 Junij 1623 door den dood ontviel. Hooft leefde zeer geluk-

[p. 239]

kig en vergenoegd op het slot te Muiden, ‘waaraan Nederland,’ zegt zijn lofredenaar 1, ‘niet minder dan aan het slot te Loevestein, zoo vele vruchten van gezond verstand verschuldigd is.’ Als een tweede atticus ontweek hij wijsselijk alle beslommeringen van staat en regering, vergenoegde zich met zijn ambt, zonder naar grooter eer, hooger aanzien of meer voordeel te streven; nog minder moeide hij zich met de in zijn' tijd zwevende hevige kerkgeschillen, bleef niet alleen geheel onzijdig tusschen arminius en gomarus, maar was zelfs niet eens lid van eenig kerkgenootschap hoegenaamd; doch toonde, door een' eerlijken handel en wandel, dat hij zich alleen gedroeg naar de korte, duidelijke en eenvoudige voorschriften van den verheven insteller des Christendoms, en met de grillige begrippen en beuzelachtige geschillen van verwaande en heerschzuchtige geestelijken niets te maken wilde hebben 2. Vrij wat verstandiger wist hij de edelste vernuften onder alle gezindheden zich tot vrienden te maken, onthalende op het slot te Muiden, zonder eenige uitzondering, even gul, somtijds gelijktijdig, de beide beminnelijke Roomsche dochters van visscher, den Remonstrantschen van baerle, den hevigen Contra-Remonstrantschen hein-

[p. 240]

sius, den gematigden orthodoxen van den honert, den Doopsgezinden anslo, en zoo vele anderen, die in staatkundige en kerkelijke begrippen hemelsbreed van elkander verschilden, en deze bijeenkomsten leverden al de aangenaamheden des gezelligen verkeers op, die men zich met mogelijkheid voorstellen kan.Vondel had in het eerst ook toegang tot deze bijeenkomsten, en deelde in de hartelijke vriendschap van den drost; doch omstreeks 1641 verkoelde dezelve merkelijk 1, en sedert kwam het tusschen beiden tot eene geheele verwijdering.

Zijne toenmalige verblijfplaats gaf hem aanleiding tot zijn treurspel Geeraardt van Velzen, hetwelk weldra in 1616 gevolgd werd door eene gelukkige dichtmatige vertaling der Aulularia van plautus, onder den naam van Warenar met de pot, op de Amsterdamsche zeden en gebruiken van dien tijd toegepast. Dit stuk behaagde in dien tijd ongemeen 2, en nog tegenwoordig is hetzelve niet onbelangrijk voor de geenen die het plaatslijke en de volkstaal van het toenmalig Amsterdam verlangen te kennen. In hetzelfde jaar had hij ook zijn treurspel Baeto, of oorsprong der Hollanderen afgewerkt,

[p. 241]

doch hetzelve verscheen eerst tien jaren daarna in het licht.

Inmiddels beving hem de lust om ook zijne krachten als geschiedschrijver te beproeven, en hij begon in 1618 met het te boek stellen der daden en lotgevallen van henrik IV, Koning vanFrankrijk, een arbeid, die acht jaren daarna in het licht verscheen 1. Zeer veel roems verwierf hem dit voortreffelijk werk, het eerste, waarin de geschiedenis van den dorren chronijkstijl afweek, in welken bor, van meteren en reyd haar tot hiertoe voorgedragen hadden, en den deftigen, welsprekenden schilderstijl aannam 2; het tafereel van den St. Bartholomeusnacht, onder anderen, is een meesterstuk. De groot, schreef hem uit zijne ballingschap in Frankrijk een' verpligtenden brief wegens dit werk 3; Koning lodewijk XIII schonk, waar-

[p. 242]

schijnlijk door de groot op den inhoud opmerkzaam gemaakt, Hooft daarvoor eene gouden keten, vereerde hem met de orde van St. Michiel, en verhief hem en zijn geslacht tot den adelstand.

Zijn brave tachtigjarige vader was intusschen op den eersten dag des jaars 1626 overleden; zeker geen ontijdig verlies voor den zoon, die het geluk genoten had van den voortreffelijken grijzaard zulk een' gezegenden ouderdom te zien bereiken. Het volgende jaar hertrouwde hooft met leonora hellemans, weduwe van jan baptista bartelot, en dochter van arnout hellemans, voornaam' koopman te Antwerpen; bij deze tweede echtgenoote won hij eene dochter, die hij, naar zijne eerste, christina noemde, en vervolgens een' zoon, arnout, met wiens kinderen de tak van het geslacht des Drossaarts uitgestorven is.

Na de voltrekking van zijn huwelijk begaf hij zich op nieuw aan eenen geschiedkundigen arbeid, die, als belangrijker voor zijne landgenooten, hem nog meer roems verwerven zou; wij bedoelen hier zijne Nederlandsche Historiën, waaraan hij de eerste hand leide op den 19 Augustus 1628 en negentien jaren lang, genoegzaam tot zijn' dood toe, heeft voortgewerkt. Hij verwaarloosde de zanggodinnen wel niet geheel en al, maar het schrijven der geschiedenissen benam hem te veel van den tijd, dien hij anders aan de dichtkunst gewijd zou hebben; althans hij deed te weinig om zijne meerderheid,

[p. 243]

boven vondel te handhaven, en wij vinden de aanmerking zeer gegrond ‘dat vondel zonder hooft zekerlijk geen vondel zou geworden zijn, naardien de laatste alle de kunstigste zwieren van onzen drost, als ook deszelfs nette en gekuischte taal en zinnelijke woordvoegingen zoo wel bestudeerde, en de vloeibaarheid der verzen, op goede regelen, zoo vast kreeg, dat hooft, in dit geval, zich meest op de Historiën toeleggende, eenigzins achter vondel bleef 1,’ het geen zeker het geval niet geweest zou zijn, bijaldien hooft naderhand de lier minder zeldzaam gehandteerd had, daar vondel in grondige geleerdheid zoo min als in vernuft, vindingrijkheid en kieschheid van uitdrukking bij hooft in lang niet halen kon 2.

Nadat hooft omstreeks het jaar 1638 De Rampzaligheden der Verheffing van den Huize Medicis had afgewerkt, kwam op het einde des jaars 1642 het eerste stuk zijner Nederlandsche

[p. 244]

Historiën in het licht 1 met eene opdragt aan Prins fredrik henrik, die hem, tot erkentenis van dit eerbewijs, met een zilveren lampet en schotel vereerde. Met algemeene goedkeuring werd dit voortreffelijk werk ontvangen, alle geleerden verhieven en prezen hetzelve in wel verdiende lofspraken. ‘Men vond er,’ zegt brandt 2 ‘geen bloot verhaal van zaaken, maar een school van staat; een leidstar van regeeringe; een kompas van beleidt; een wegwijzer ter oorloghskunde; een leermeester van grootmoedigheit, bescheidenheit en gemaatightheit; een opwekker tot liefde des vaderlandts en der vrijheit.’ Met regt deed dit werk hem den titel van Hollandschen tacitus verwerven, dien hij zich bijzonder ter navolging voorstelde, en wiens werken hij niet alleen tweeënvijftigmalen had gelezen, maar ook in het Nederduitsch vertaalde. Het ligt buiten ons bestek om de uitmuntende schoonheden van stijl en welsprekendheid van dit onsterflijk werk te ontleden of aan

[p. 245]

te wijzen, waarvan wij ons naauwlijks zouden kunnen wederhouden, bijaldien dit niet reeds meermalen door andere bekwame penvoerders gedaan ware 1.

Na de uitgave van dit werk was zijn oogmerk hetzelve te vervolgen, doch zulks geschiedde met tragen voortgang, uit hoofde van ligchaamsongesteldheid en toenemende zwakheden des ouderdoms, die zijn leven ten einde deden spoeden. Toen de Stadhouder fredrik henrik den 14 Maart 1647 overleden was, waren de laatste dichtsnikken van Hooft drie grafdichten op dezen vorst 2, wiens begravenis hij ook verlangde te zien, die den 10 Mei eerst zou plaats hebben. Hij vertrok, hoewel reeds ongesteld en zwak zijnde, met dit oogmerk, naar 's Hage, en zag de lijkstatie; doch kort daarna werd hij ten huize van zijne vrouws schoonzoon, johan van der meyde, Oud-Burgemeester van Rotterdam en lid der Gecommitteerde Raden van Holland, door eene zware ziekte aangetast, die een einde aan zijn nuttig en werkzaam leven maakte op den 21 Mei 1647. Zijn lijk werd naar Amsterdam gevoerd, en den 27 in het koor der Nieuwe kerk begraven. Den volgenden dag werd op den Amsterdamschen schouwburg door den welsprekenden too-

[p. 246]

neelspeler adam karelsz van zjermes eene lijkrede uitgesproken, die door geeraert brandt was opgesteld 1, en terstond daarop werd zijn Geraardt van Velzen vertoond. anslo betreurde hem in een' treurzang, getiteld Muiden in rou 2; ‘maar van baerle,’ zegt brandt 3, ‘bleef hem dien lijkdienst schuldigh, zoo hadt de droefheidt zijnen geest, anders zoo vaardig, beklemt.’

Vruchteloos zou men naar een praalgraf of eenig ander gedenkteeken omzien, ter vereering der nagedachtenis van den man, die zijn vaderland zoo veel eer heeft aangedaan; zijn lofredenaar De Bosch gaf zijne gevoeligheid deswegens reeds in 1785 nadrukkelijk te kennen 4; de Heer scheltema vernieuwde in 1807 den wensch dat men dit verzuim als nog herstelle, en herinnerde bij die gelegenheid klemmend de woorden van de bosch 5.

De afbeelding van hooft, die voor de beste gehouden wordt, is door r. persyn gegraveerd naar de schilderij van sandrart; deze prent verbeeldt

[p. 247]

hooft in zijn tweeënzestigste jaar; van baerle maakte daarop dit fraaije bijschrift:

 
Suspice, Belga, virum, tragico quo vate paratu
 
Coepit et Arctoö scena sub axe loqui.
 
Gallia quem titulis; Batavus tot fascibus ornat
 
Et Dominum gaudet Muda praeesse sibi.
 
Qui patrias scripsit Veneres; Cyprumque Gnidumque
 
Transtlulit in terras, Amstela clare, tuas.
 
Sceptraque Borbonii vitamque et fata recenset,
 
Et tantum dictis grandibus implet opus.
 
At cum gesta leges, nostris quoque bella sub oris
 
Victaque Nassovia regna Ducesque manu:
 
Dic illum quae nos facimus, sic scribere, tanti
 
Ut fuerit, Reges succubuisse tibi.

Naar deze prent heeft a. sylvelt die gegraveerd, welke voor hoofts Nederlandsche Historien staat, met dit bijschrift van vondel:

 
Het brein, gespitst op 't roer van Staeten te regeeren,
 
En 's waerelts oceaen met kloekheit te braveeren,
 
Den geest, die Tacitus en d'outste dichters tart,
 
Besloot natuer in 't Hooft, herboren uit Sandrart,
 
Die hooft- en halscieraed des Ridders heeft vergeten,
 
De Duitsche lauwerkroon en Fransche koningsketen 1.

De fraaije afbeelding door houbraken, gegraveerd naar de schilderij van miereveld, thans berustende in de gehoorzaal van de Doorluchtige schole

[p. 248]

te Amsterdam, en geplaatst voor de Brieven van hooft, door huydecoper in 1750 uitgegeven, is door dezen voorzien met dit bijschrift:

 
Draagt achting voor dit beeld, gy jongen en gy ouden.
 
Het is de ridder Hooft: waar moet men hem voor houden
 
ô Wijzen, meldt het my indien gy hier niet suft,
 
Voor eerlijker van harte, of kloeker van vernuft 1?

Er bestaat nog eene afbeelding, in koper geklopt, door j. lutma, het borstbeeld van den Drost à l'antique voorstellende, met een' lauwerkrans om het hoofd, en het bijschrift: Alter Tacitus.

Op de bibliotheek der Doorluchtige schole te Amsterdam berusten de oorspronglijke brieven en handschriften van hooft. De Heer scheltema heeft omtrent deze handschriften een uitvoerig berigt gemeen gemaakt 2, dat zijne naauwkeurigheid eer aan doet.

Thans kennen wij hooft als edel', braav', weldenkend' mensch, eerbiedwaardig' burger, gulhartig' vriend, verdraagzaam' en opgeklaard denkend' Christen en voortreffelijken historieschrijver; thans zullen wij hem ook leeren kennen als

Geluckigh Hooftpoëet van all' die Holland baerde

Of Holland baeren sal 3.

[p. 249]

Deze uitspraak van huygens is wel een weinig sterk, daar zijn tijdgenoot vondel, die zeker in grondige geleerdheid en sierlijkheid van uitdrukking bij hooft ver te kort schoot, hem echter als dichter voorbij streefde, doordien hij meer en menigvuldiger dichtstukken leverde dan hooft, wien hij de kunst juist van pas had afgezien, toen deze de harp aan de wilgen hing, maar niet te min is hij toch de vader van onzen verbeterden dichttrant, die voor hem, zelfs bij coornhert, visscher en spiegel uiterst gebrekkelijk was; van lange en korte lettergrepen, voetmaat, stemrust, klemtoon, smelting en dergelijke vereischten tot den versbouw had men volstrekt geen begrip; men zorgde alleen maar voor het rijm, dat somtijds drie- en meermalen herhaald werd, op het einde en in het midden der regels. Hooft leerde in Italië eene geheel andere soort van verzen kennen; hij ontmoette eene bevallige melodie in de Italiaansche gedichten, die hij in de Nederduitschen miste, en merkte op, dat dezelve door eene behoorlijke plaatsing der lange en korte lettergrepen te weeg gebragt werd; hij beproefde zulks ook in het Nederduitsch, en de uitwerking was dezelfde. Nu had hij de cadans, maat en snede der verzen ontdekt, waar zijne kunstbroeders niets van wisten, en eerst bij zijne terugkomst in 1601 door hem deswegens onderrigt werden. Hij schreef sonnetten, zangen en minnedichten in den trant der Italianen, en ook de zamenstelling der

[p. 250]

verzen van zijn tooneelstuk Granida, is geheel in hunnen smaak en ongemeen vloeijend. Het is waar dat cats bijna gelijktijdig de lamheid en stroefheid der gedichten van zijne voorgangeren ontdekte en den barbaarschen rederijkerstrant verliet, zoo wel als hooft 1, en, hoewel op eene verschillende wijze, de versmaakkunst merkelijk beschaafde en verbeterde; doch zijn dichttrant werd meer in Zeeland gevolgd dan in Holland, gelijk men uit den Zeeuwschen Nachtegael, te Middelburg in 1633 gedrukt, duidelijk zien kan; terwijl men in Holland zich hooft en vondel tot voorbeelden koos 2. Hoe zeer cats dan ook deel hebbe aan de verbetering van onzen dichttrant, heeft men dezelve nogtans hoofdzakelijk aan hooft te danken, vooral zoo het vermoeden van huisinga bakker gegrond is, dat de Zeeuw bij den Amsterdammer school gelegen 3, maar vervolgens zijn' eigen weg bewandeld heeft, op welken alleen zijne landsluiden hem verzelden.

Met deze verbetering in het werktuiglijke der

[p. 251]

rijmkunst was in dien tijd reeds veel gewonnen; het was niet te verwachten, dat de vindingrijke, geestige, zwierige en welige hooft, en na hem de vurige, stoute en krachtige vondel enkel behendige verzenmakers zouden worden, op wier middelmatige voortbrengsels, aangaande den verstrant, niets aan te merken ware. Hoe onbehagelijk zou het voor de nakomelingschap geweest zijn, als zij hunne dichterlijke denkbeelden in de armzalige rederijkerstaal hadden moeten blijven inkleeden, gelijk coornhert en spiegel! hoe verdrietig valt niet het gezet lezen van hunne voortreffelijke en zeer verdienstelijke werken, in welken een schat van wijsheid verborgen ligt, die nu langs een doornig pad met moeite opgespoord moet worden, daar men op den weg door hooft en vondel bewandeld, ja, ook nog menigen distel, maar daarentegen ook eene oneindige verscheidenheid van lieflijke bloemen ontmoet!

Als dichter zullen wij hooft voornamelijk tweezijdig beschouwen, als tooneeldichter en als minnezanger.

Wij zullen zijne beide eerste door hem zelven verworpen gebrekkelijke treurspelen, als geene voorwerpen van eenige critiek, stilzwijgend voorbijgaan, en vooraf een' vlugtigen blik slaan op den toestand des tooneels in ons vaderland bij den aanvang der zeventiende eeuw.

Tooneel en rederijkerskamer waren een en dezelfde zaak; de rederijkers waren tevens tooneelspelers;

[p. 252]

de stukken, die zij vertoonden, behelsden onderwerpen uit den Bijbel, de geschiedenis of de fabelleer, geheel wanschikkelijk zamengesteld, zonder plan of intrigue, en meestal Spelen van Sinnen genaamd uithoofde van de allegorische persoonaadjen, die deel in de handeling namen, en voorts een misselijk mengelmoes van onzin en wansmaak, voorgedragen in eene kreupel berijmde basterdtaal en gemeene uitdrukkingen, in welke nogtans zelfs de aanzienlijken van dien tijd behagen vonden 1. De Amsterdamsche kamer In liefd' bloeyende had hare vertoonplaats boven de toenmalige Waag over het Stadhuis. Hooft was lid van dezelve, en het is meer dan waarschijnlijk dat de aldaar gegeven vertooningen hem weldra mishaagden en walgden. Hij had de Grieksche tooneelstukken leeren kennen, en nam de proef om ook in dien smaak te arbeiden; de beide eerste proeven vielen wel gebrekkig uit, maar zij dienden toch om den smaak anders te wijzigen en te zuiveren; althans anderen volgden zijn voorbeeld, en leverden ook stukken in den Griekschen smaak vooral coster, die in 1607 zijne beruchte Iphigenia op zijne nieuw gestichte akademie deed vertoonen, op welke hij in 1630 zijne Polixena liet volgen. Ook vondel, die nog in zijn armzalig Pascha van 1612 den rederijkerstrant gevolgd, en zelfs God den Heere ten too-

[p. 253]

neele gevoerd had, sloeg insgelijks den weg van hooft in, en schoeide zijne treurspelen insgelijks op de Grieksche leest.

Het ware dus onbillijk dat wij de treurspelen van hooft, die wij nu eenigzins uitvoerig zullen beschouwen, wilden toetsen aan de regelen des Franschen tooneels, naderhand eerst door corneille in Frankrijk ontworpen, en vervolgens door pels en het genootschap Nil volentibus arduum ook op ons vaderlandsch tooneel overgenomen; doch er zijn regelen, die van geene tijden of willekeurige voorschriften van persoonen afhangen, regelen, die het gezond oordeel aan de hand geeft, en volgens dezen willen wij deze treurspelen zelfs aan eene eenigzins scherpe critiek onderwerpen.

Hoofts eerste treurspel, Granida, onmiddellijk na zijne terugkomst uit Italië vervaardigd, is geheel in den Italiaanschen smaak; op vele plaatsen heeft hij tasso's Amintas en guarini's Pastor fido gecopiëerd, immers verscheiden tooneelen in hunnen geest bearbeid. De inhoud is kortelijk deze:

Granida, Kroonprinces, van Perzië en eenige dochter des Konings, op de jagt van haar gevolg afgedwaald zijnde, ontmoet den herder daifilo, die met de herderin dorilea een gesprek houdt over de liefde. Granida, die van daifilo, op haar verzoek, beleefdelijk eenig water ter lessching van haren dorst bekomen had, wordt smoorlijk op hem verliefd, en hij van zijn' kant

[p. 254]

insgelijks door hare schoonheid dermate getroffen, dat hij besluit zich ten hove en in dienst te begeven van tisiphernes, die naar de hand der prinses dong, welke ondertusschen ook ten huwelijk gevraagd was door ostrobas, zoon van den Koning der Parthen. Ostrobas daagt tisiphernes uit tot een tweegevecht. Daifilo weet ondertusschen het vertrouwen van tisiphernes zoodanig te winnen, dat deze hem zendt om granida ten huwelijk te vragen, en hem tevens verzoekt om in zijne plaats tegen den Prins der Parthen te mogen vechten, dient hij overwint, waarna daifilo zijn' meester zijne liefde voor Granida bekend. Tisiphernes besluit den volgenden dag granida zelf ten huwelijk te vragen; doch daifilo komt hem voor, en granida besluit om met hem als herderin te leven. Zij vlugt met hem in den nacht, en de voedster verhaalt den Koning en tisiphernes dat minerva en de Zanggodinnen de princes voor een' god schaakten. De Koning gelooft zulks; maar tisiphernes ‘is om razende te worden.’ Daifilo, stil ten hove gekomen, onderrigt hem wat er van de zaak is en doet hem bedaren. Tisiphernes besluit het hof te verlaten en eene reis te doen, latende aan daifilo zijne bruid en het bestuur zijner goederen over. De geest van ostrobas verschijnt zijn vriend artaeanus en spoort hem aan om wraak te nemen op daifilo, die met granida door zijn volk gevangen genomen en veroordeeld wordt om aan

[p. 255]

de schim van ostrobas opgeofferd te worden. Daifilo, de prinses geboeid ziende, verbreekt zijne banden, en verweert zich tegen artabanus en de zijnen. Tisiphernes toevallig langs dezen weg reizende, schiet daifilo te hulp, ontzet granida, en, getroffen door de zeldzame lotgevallen dezer gelieven, bewerkt hunne verzoening bij den Koning, die, beiden met blijdschap ontvangende, hen zamen huwt.

Dit stuk is zeer ingewikkeld, en verward zelfs, zoo dat de ontknoping slechts door een' zamenloop van buitengewone omstandigheden kan plaats hebben. Wij hebben gezegd dat wij dit stuk niet aan de Fransche tooneelwetten willen toetsen; doch al verplaatsen wij ons in den tijd van deszelfs vervaardiging, en zien de mindere onvolkomenheden toegevende over het hoofd, dan moet geene vooringenomenheid met den waarlijk geestrijken dichter ons dermate verblinden, dat wij gebreken, die in zijn' tijd zoo wel gebreken waren als zij het in den onzen zijn, goedkeuren en navolgenswaardig achten. De persoonaadje van dorilea, die met eene alleenspraak het stuk begint, is geheel overtollig, zoo wel als het gansche gesprek, dat zij vervolgens met daifilo over de liefde houdt; ook spreken zij niet als eenvoudige herders, maar als regt geestige en geslepen stedelingen, even als in de Italiaansche herdersspelen, en somtijds zoo fijn en vernuftig, dat men moeite heeft hen te begrijpen. Ik, zegt daifilo,

[p. 256]
 
o Dorilea, reeken
 
De leelijkheidt zoo goed als schoonheidt onbekeeken;
 
En al bekeeken, onbelonkt en al belonkt,
 
Noch ongenooten van den minnaar dienz' ontfonkt.
 
Wat 's jeughde zonder min, vol onbeweeghde koutheidt,
 
Doch beeter dan versufte en stijf bevroozen oudtheidt?
 
En dat de zoete min van u beschuldight wordt,
 
Als die de schoonheidt krenkt, daar doet ghij hem te kort.
 
Want nooit en zagh men hem het zuivere besmetten,
 
Maar wel recht anders, 't geen dat zaluw 1was blanketten
 
En leggen bloozend roodt op wangen deluwbleek 2,
 
En 't hair vergulden, dat te voren vaal geleek.
 
Maar geene zagh men oit het geen dat zij beminden
 
Afzightiger dan 't was, maar wel veel schooner vinden 3.

Zulke gekunstelde redenen voegen geenszins in den mond van eenvoudige landlieden, en deze geheele overtollige spitsvondig-wijsgeerige verhandeling over de liefde, dient bovendien nog om daifilo als een' wispelturigen verleider van dorilea te doen voorkomen; want zoodra Granida op het tooneel verschijnt, wordt hij smoorlijk op deze verliefd, en laat de arme dorilea verlaten staan.

 
Hoe koel gaat hy daar heen
 
En zonder afscheid in het minst van my genomen!

zegt zij, en volgt hem, om te zien

 
Wat hem magh overkomen 4.
[p. 257]

Die arme meid! met regt mogt zij de fraaije redenen van dien verleider wantrouwen:

 
Verklaart met welken vonde
 
Zoud ik doch kunnen my
 
Verzekeren dat dy,
 
De vlammen 't harte blaaken
 
Die ghy my diets wilt maaken?
 
Of als dat alzoo was
 
Dat ghy niet zoudt zoo ras
 
Ghy weermins gunst moght voelen
 
Verkeeren of verkoelen?
 
Gelyk wy meiskens, die eenvoudigh zijn en slecht 1,
 
'Ten zy wy stoppen 't oor, vaak worden uitgerecht;
 
Dewijl geveinsde min en lichte wispeltuurigheid
 
Ons troonen met het zoet en loonen met de zuurigheidt 2.
[p. 258]

Met de verschijning van granida begint eigentlijk de intrigue van het stuk. Zonder hem te kennen wordt zij dadelijk even zoo verliefd op daifilo als deze op haar. De arglistige guit, die een oogenblik te voren de onnozele, maar voorzigtige dorilea tot wedermin zocht te verschalken, vertoont zich nu aan granida als een wellevend, geestig en doorslepen hoveling, en houdt eene lofrede op de koninglijke magt en waardigheid, die Granida beantwoordt met eene lofrede op het landleven en den herdersstaat, waarin zij onder anderen zegt:

 
Gy vollight de natuur, wy zien haar over 't hooft 1.

Men ziet dadelijk dat dit een ijdel compliment is. daifilo volgt in geenendeele de natuur, die hem,

[p. 259]

als herder, eene geheel andere taal zou hebben doen voeren dan hooft hem in den mond legt, die daarmede ook geenszins de natuur, maar de verweekte Italiaansche dichters van zijn' tijd volgde en, zoo erg als granida, de natuur over het hoofd zag.

Vergeefs wil de goede dorilea hem wederhouden van zich aan het hof te begeven; klemmend zijn de drangredenen, die zij aanvoert, uit palemons ondervinding, (zij zelve had die niet, dit schijnt hooft gevoeld te hebben); volgens zijn verhaal kon zij zeggen:

 
Ten hoov' is 't al geveinst, wat men daar ziet vertoogen,
 
Geveinst is hun gelaat, geveinst hun mondt en oogen,
 
Geveinst hun godsdienst, jonst, hun vriendschap en hun vreê,
 
En g'lijk hun deughden zijn, zoo is hun weelde meê.
 
Wanneer de hovelingen
 
Een vrolijk liedjen zingen,
 
'T en is van vreughde niet,
 
Maar 't is, om het verdriet
 
Daar 't hart of wordt verbeten,
 
Een weinigh te vergeten.
 
Hun lachen is van spijt,
 
Of 't duurt den korten tijdt
 
Eens oogenblix, tot dat 's gemoedts geduurge plaagen,
 
Die 't weeren uit het hart, 't ook uit het aanzicht jaaghen 1.

Daifilo, in plaats van gehoor te geven aan dorilea's voorstellingen en waarschuwingen, gaat in

[p. 260]

dienst van tisiphernes, die hem als zijn' ambassadeur d'amour bij granida gebruikt, maar door hem geheel en al uit hare gunst gedrongen wordt, zoo wel als zijn medeminnaar ostrobas.

Tisiphernes en ostrobas verschijnen beiden voor den Koning. De laatste stelt zich aan als een razende, scheldt den Perzianen de huid vol en voert eene taal, weinig geschikt om de gunst te winnen van een' monarch, naar de hand van wiens dochter hij dingt. tisiphernes antwoordt hem bedaard; doch de Parth werpt hem de handschoen toe, en daagt hem uit tot een tweegevecht, even als een ridder uit de middeleeuwen.

De hierop volgende alleenspraak van granida begint met een beeld, dat zeker beter voegen zou in den mond van eene keukenmeid dan in dien van eene Perzische princes:

 
Wanneer als de aarde van des ruwen winters plaagen
 
En zijn ontydigh koudt omhelzen wordt ontslaagen,
 
Gevoelt zy in haar hart oprekenen de schier
 
Heel uitgedoofde kracht van haar begraven vier, enz.
 
Alzoo gevoel ik 1, enz.

Het overige van deze alleenspraak is een bedaarde redestrijd tusschen de liefde en de eer, zonder de minste hartstogtelijkheid, die men hier volstrekt

[p. 261]

verwachten zou, en behelst niets anders dan eene koele bespiegeling over de ongelijkheid der menschen, geheel ongepast in den mond van eene hevig verliefde in zulke hagchelijke omstandigheden.

Tisiphernes, die daifilo's aanbod, om in zijne plaats met ostrobas te vechten, aanneemt, wordt een laf en verachtelijk persoonaadje. Men begrijpt niet hoe hij zulk een gewigtig stuk aan een' onbekenden herder kan toevertrouwen, zoo min als hoe daifilo zoo eensklaps den moed, de krachten en ridderlijke bekwaamheden bekomt, om een' dapper en geoefend' krijgsman te overwinnen. ‘In plaats dat de lezer hoogachting voor daifilo zou krijgen’, zegt macquet 1, die dit stuk ten naastenbij op dezelfde wijze als wij beöordeelt, ‘begint hij hem aan te zien voor een' listigen bedrieger en dolenden ridder, vooral zoo hij de zamenspraak tusschen daifilo en granida leest’.

Het gevecht gaat aan; ostrobas wordt door daifilo overwonnen en gedood, die tisiphernes, te bed liggende, de tijding daarvan brengt. Granida besluit hierop met daifilo door te gaan, en doet hem zelve, onkiesch genoeg, daartoe den voorslag. Na hare vlugt toeft daifilo nog eene wijl bij zijn' meester, om geen achterdocht te geven. Het voorgeven der voedster, dat de Zanggodinnen en minerva de Princes geschaakt zouden

[p. 262]

hebben, is een armhartig loopje, zoo laf en onnozel, dat men er niet eens om lagchen kan. Minerva noch eenige godheid der Grieken of Romeinen werd in Perzië geëerd, was welligt daar niet eens bekend, en evenwel wordt het geheele stuk door melding gemaakt van Venus, jupijn, vulcanus en andere goden uit de Grieksche mythologie, aan welken een Perzisch koning, die slechts ormuzd en ahrimanes erkent, niet kan voorondersteld worden te gelooven. Het is onbegrijpelijk dat de schrandere hooft dit niet gevoeld en ingezien heeft.

De verschijning van den geest van ostrobas moge in 's dichters leeftijd, toen men nog aan spoken geloofde, een bruikbare deus ex machina geweest zijn, gelijk ook shakespear met goed gevolg den geest van hamlets vader op het tooneel bragt, en is dus hier beter te dulden dan granida's zoogenaamde schaking door Grieksche godinnen, daarom willen wij deze onwaarschijnlijkheid, onder de groote menigte onwaarschijnlijkheden, die in dit stuk voorkomen, het minst van allen berispen. De hierop volgende gevangenneming van daifilo en granida, hunne verlossing door tisiphernes, en vergiffenis van den Koning, die zijne dochter aan den herder ten huwelijk geeft, dit alles brengt eene ontknoping te weeg, zoo onnatuurlijk en gewrongen, dat zij onmogelijk iemand van gezond oordeel en goeden smaak kan voldoen.

[p. 263]

Dit geheele stuk is, in een woord, een zamenweefsel van ongerijmdheden en onwaarschijnlijkheden; geen der persoonaadjes wekt eenig belang of verdient eenige achting. Zeer juist worden zij door macquet volgendermate gekarakteriseerd: ‘Daifilo wordt door zijne streken een listige bedrieger; granida, die, zonder eenige reden, hare eer en pligt vergeet, want men merkt nergens hare hevige liefde, eene ligtekooi; de Koning en tisiphernes, door hunne ligtgeloovigheid bedrogen, worden verachtelijke personaadjen 1.’ De eenheid van daad, tijd en plaats, hooft toch waarschijnlijk uit aristoteles bekend, is in dit stuk niet in acht genomen, de handeling stijf en de zamenspraak dikwijls winderig en gezwollen 2,

[p. 264]

plat 1, laag 2 en zelfs onkiesch 3.

Ons oordeel over dit stuk valt dus in alle opzig-

[p. 265]

ten ongunstig uit; zelfs dan ook, wanneer wij ons in 's dichters leeftijd verplaatsen, en veel aan den toen heerschenden smaak toegeven, vinden wij het nogtans een gebrekkelijk voortbrengsel van een edel, nog niet geheel ontwikkeld vernuft, in een tijdvak, dat men nog geen gezond denkbeeld van dramaturgie of goede voorbeelden had; dan de lezing van dit stuk is reeds daarom belangrijk, dat dezelve eene gelegenheid aanbiedt om de vorderingen der Nederduitsche tooneeldichtkunst sedert twee eeuwen op te merken.

Even ongunstig zal ons oordeel ook moeten uitvallen omtrent het treurspel Geeraardt van Velzen. Het onderwerp is het gevangennemen en ombrengen van Graaf floris V. Behalve de persoonaadjen, wier namen uit de geschiedenis bekend zijn, komen in hetzelve voor de gepersonifieerde Twist, Eendragt, Onnozelheid, Trouw, Geweld en Bedrog, de Geest van velzens broeder en een Helsche Geest, de Vecht als Stroomgod en timon de Toovenaar. De handeling tusschen deze reële en imaginaire persoonaadjen is somwijlen vrij koddig en comiek, en wekt niet zelden onwillekeurig den lach op, of zij redeneren zoo geestig, bedaard en hartstogteloos, zoo zwierig en kunstig, dat men duidelijk ziet dat de dichter door hunnen mond spreekt. Ten hoogste onnatuurlijk en ongepast is de op zich zelve fraaije aanspraak aan de zon, in den mond der diep bedrukte machtelt van velzen, waarmede het stuk

[p. 266]

aanvangt; de oordeelkundige macquet heeft dit reeds voor ons aangemerkt 1. Even zoo onvoegzaam zijn de volgende heerlijke regels in den mond van een' gemeen' Trompetter:

 
De blanke uchtendt met haar schoon gebloosde kaaken,
 
In 't heughelijke kleedt van dundoek en scharlaaken,
 
Rust toe ter hemelvaart, haar goude pruik 2 alree
 
In 't zilver schittert van de vlakke Zuiderzee;
 
En doet de schaduw vocht der duisterheidt verjagen:
 
Het zweeft 3 een frisse dauw van roozen om haar waagen,
 
De zonne volgt het spoor van 's ouden Thitons bruidt,
 
En steekt den hemel al zijn mindere oogen uit.

De recapitulatie al van deze fraaije metaphoren, in den mond van dezen Trompetter even als ‘eene bag in eene varkenssnuite’, is eenvoudig

 
In 't ooste daaght het op 4.

Timon de Toovenaar, die zijne residentie te Muiderberg houdt, en aan wien van velzen zijn' Schildknaap gezonden had, om hem te raadplegen wegens het lot van floris V, dien hij op het Mui-

[p. 267]

derslot gevangen hield, speelt eerst met dezen Schildknaap eene koddige echo, en komt vervolgens voor den dag, snoevende en zwetsende als de winderigste kwakzalver:

 
Hier ben ik, Timon, die in water, lucht en aarde
 
Voer over geesten, spook en ikkers heerschappij.
 
Al, waar de wereldt af verschrikt, dat schrikt voor my.
 
In 't diepe van de zee, door kracht van heilloos rijmen
 
Bekommer ik de zon. Ik doe de maan bezwijmen,
 
Dat zy haar dootverw zet. De winden, zonder toom
 
Aan 't rennen, schut ik kort, en maak een' doode stroom.
 
En mits het my belieft, help ik hen weer aan 't hollen,
 
En schud den hemel dat de sterren suizebollen 1, enz.

Deze en nog eene menigte dergelijke snorkerijen, de eene nog uitsporiger dan de andere, tegen den Schildknaap uitgekraamd hebbende, doet hij, na eenige tooverceremoniën, een' helschen geest verschijnen, om van dezen te vernemen of van velzen weldoet met floris gevangen te houden. De geest verklaart hierop:

 
't Is wel van hem verzint
 
Dat hy 't zich onderwindt.

Op deze tooverij volgt in het vierde bedrijf eene spokerij. De geest van velzens broeder verschijnt den gevangen Graaf, en doet hem hevige verwijtingen, dat hij hem onschuldig heeft doen veroordeelen.

[p. 268]

Het hierop volgend gesprek tusschen den Graaf en velzen is krachtig, belangrijk en overeenkomstig met beider karakters; zoo is er ook veel pathetieks in de alleenspraak van floris, nadat velzen hem verlaten had. Bij uitstek fraai vinden wij daarin deze regels:

 
In een', in eenen dagh ben ik geworpen t'onder,
 
En is verdwenen heel mijn glorie klaar, gelijk
 
Als van den hemel valt de sneeuw en smelt in 't slijk.
 
Gaat heen, vertrouwt het luk! - -
 
- - - - - - - -
 
Aan 't vallen was ik lang, maar gistren quam ik neer,
 
O vlaaister, vyandin, toen ghy 't onlydzaam razen
 
Met giftige oogen my ten aadren in quaamt blazen,
 
Dat greep my aan gelijk door de gebete wondt
 
Zijn schennis schiet het schuim van eenen dullen hondt,
 
En ongenadigh woedt op al de leen verwonnen.
 
Toen stiet mijn luk zijn kruin; toen viel ik; toen begonnen
 
Te wankelen mijn staat, te waggelen mijn kroon;
 
Toen zweeken 1 onder my de stijlen van mijn' throon.
 
O valsche vrouw, hoe dier staat my uw loos aanschouwen!
 
Hoe dier uw lusten! Och, wat komt 'er ramps door vrouwen 2!

Het moeit ons dat dit geheele stuk niet in zulke stevige verzen geschreven is. Zeer gepast en te-

[p. 269]

vens mensch- en staatkundig waar is Van Velzens aanmerking wegens de driften van het oproerig gemeen:

 
D'ontwetende gemeente is schendig op de beenen:
 
Haar oploopenden moedt t' ontwijken is ons 't naast,
 
En bot te geven, tot dat zij hebb' uitgeraast;
 
Want wederstandt te doen is haar met spooren nopen.
 
Maar laat men zonder staan haar t'eind' van adem loopen,
 
Haar dapperheidt verflenst; en hoe zy hooger klom,
 
Hoe dat zy logger zinkt. Dan ziet een ieder om
 
Wat loon van zijnen dienst hy hebbe te verwachten;
 
Dan schieten huis en vrouw en kindt in de gedachten.
 
Dus hoopt ten besten 1.

Meermalen is de uitmuntend schoone Rei van Amstellandsche Jofferen, waarmede het vierde bedrijf gesloten wordt, loffelijk vermeld en aangetogen 2; wij zullen denzelven hier insgelijks eene eervolle plaats inruimen.

 
Den openbaren dwingelandt
 
Met moedt te bieden wederstandt,
 
En op de harssenpan te treden,
 
Om, met het storten van zijn bloedt,
 
Den vaderlande 't waardste goedt,
 
De gulde vrijheidt te bereeden 3;
 
 
[p. 270]
 
Dat is, van ouwder herkomst wijdt,
 
By d'aldertreffelijkste altijdt
 
Beloont met eerebeelden danklijk.
 
Die roem is uitgeblazen met
 
Geleertheidts heldere trompet,
 
In schrift en dichten onverganklijk.
 
 
 
De lofkrans, groenens nimmer moê,
 
Die komt het hair der zulken toe,
 
Die 't al voor 't algemeene waagen:
 
Gelijk de Heer van Aamstel tracht,
 
Hoewel zijn zelschaps overmacht
 
Hem let zijn voorstel te bejaagen.
 
 
 
Dan wie met wensch om goede krijt,
 
Maar allerhande Prinssen lijdt,
 
En 't geen hem overkomt te doogen,
 
Zacht opneemt, dol in hoop en vrees,
 
En 't ongeluk van weeuw en wees
 
Kan annezien met goedige oogen,
 
 
 
Zulk een blijft onvermaardt, en muit
 
Niet met het hooft doorluchtig uit 1:
 
Zijn doove faam kan hem niet bringen
 
In 's wereldts oogh en aangezicht,
 
Nocht uit de duisterheidt in 't licht
 
Optrekken tot aan 't roer der dingen.
 
 
 
Zijn naam heeft klank by oud nocht jongh,
 
Nocht zoetheidt op des volleks tongh,
 
Oneêl by burgers en by boeren.
 
Stilzwijgendt glipt zijn leven deur
 
Maar zonder staat en zonder steur,
 
En zonder trom in 't hart te roeren.
 
 
[p. 271]
 
Hem angt 1, gedurende 't beliedt
 
Van zijnen aanslagh, d'ontrouw niet,
 
Oft lichtheidt van die 't zamenzworen,
 
Nocht misluk als het annegaat,
 
Nocht de vervarelijker haat
 
Des blinden volleks na 't uitvoeren.
 
 
 
De minste twijfel van geluidt
 
En jaaght hem 's nachts ten bed niet uit
 
Nocht vluchtensnoodt van vrouw en vrinden.
 
Het veel bestaan kan naau bestaan:
 
Gemakkelijk is veilighst gaan,
 
En groote rust kleen onderwinden 2.

Met den aanvang van het vijfde bedrijf wordt de gewonde Graaf door den Rei van Naarders op het tooneel gedragen, waar hij, na eene korte aanspraak, sterft bij, dezen zonderlingen regel:

 
O Schepper! ik ontschep, ontsluit my uw genade 3.

Het verhaal des Trompetters van den moord, aan den Graaf gepleegd is flaauw, koel, plat, en gewoon proza op rijm. De man, die, nog kort te voren, zoo ongemeen zwierig het aanbreken van den dag beschreef, voert nu tegen Mevrouw van velzen deze en dergelijke taal:

[p. 272]
 
Wy worpen om, en boôn den vijandt al den rug,
 
En spreiden elk zijns weeghs. Vrees maakt de voeten vlug.
 
'k En ben 's geen verder tuigh'. Oft iemandt quam in handen,
 
Oft op de plaatze bleef, oft werwaarts de vijanden
 
Getoogen komen, is my gantschlijk onbekend 1.

Nog hinderlijker is dergelijke platte taal in den mond van aanzienlijke lieden. Herman van woerden had tegen gijsbrecht van amstel gezegd:

 
Bestel ons, neve, drie van de bezeilste schepen,
 
Gy kent den hoek, gelijk uw volk de schipliên doet;

en krijgt van hem deze lage en armzalige woordspeling ten antwoord:

 
Hoe scheepen? 'k ben gescheept daar ik meed' over moet,
 
En vind my zoo ver t' zee met uw verhaaste kielen,
 
Dat ik, helaas! vergeefs nu omzie naar mijn hielen 2.

Het is bijkans onbegrijpelijk dat hooft, als man van fijn gevoel en kieschen smaak de ongelijkvormigheid in den stijl zoo min opmerkte als het onvoegzame van sommige redenen in den mond van persoonaadjen, die met geene waarschijnlijkheid zoodanig konden spreken. Overigens heeft dit stuk volstrekt geene intrigue; het behelst de gevangenneming en dood van floris V in gerijmde zamenspraken, dus behoorde er weinig vinding toe om hetzelve op te

[p. 273]

stellen, en waar geene intrigue was had ook geene ontknoping plaats; het stuk eindigt dus ook met eene soort van epilogus of slotrede, behelzende eene langwijlige voorspelling van de Vecht, wegens de aanstaande grootheid van Amsterdam; deze stroomgod is eene persoonaadje geheel buiten het stuk, en die als het ware uit de lucht komt vallen. In een woord, dit stuk is een gebrekkelijk voortbrengsel, waarin zeer vele schoone denkbeelden en verzen gevonden worden, doch den naam van treurspel verdient hetzelve niet; het is niets meer dan eene verzameling van gerijmde historische zamenspraken. De allegorische persoonaadjen, geesten en spoken maken daarin een misselijk figuur, en verminderen het weinige belang, dat men om eenige fraaije verzen nog in dit stuk stellen mogt.

Voor het best en meest bewerkt hield Hooft zijn treurspel Baeto, oft Oorsprong der Hollanderen. In dit stuk is zeker meer intrigue dan in het voorgaande, doch zij interesseert even weinig. Baeto, Kroonprins der Katten, wordt, benevens rycheldin, zijne gemalin, gehaat en vervolgd door zijne stiefmoeder penta, eene tooveres, die beiden het leven door geesten en spoken niet weinig verbittert, zoodat hij zich genoodzaakt ziet om het hof en het land te ruimen. Dit is het onderwerp van dit stuk, welks geheele handeling hoofdzakelijk door tooverijen, spoken en geesten in beweging gebragt en volgehouden wordt. Penta begint al dadelijk met eene

[p. 274]

geestenbezwering en doet proserpina, medea en circe verschijnen, om haar te raadplegen op welk eene wijze zij de gehate voorwerpen best uit den weg ruimen zal. Medea verhaalt dat prometheus haar heeft geleerd

 
een vuur
 
Zoo te bereiden, dat het in een kleedt, ter uur
 
Toe die men 't stellen wil, onzichtbaar zich verberge:
 
Dan blaak', en slaa door vleesch en been tot in den merge 1.

Van deze soort van helsche vuurpijlen raadt zij penta gebruik te maken, en dezelven te verbergen in de vederbos van een' hoed, dien zij aan baeto, en in een' sluijer, dien zij aan rycheldin ten geschenke zenden zal, op den dag dat de beraamde verzoening tusschen haar en deze beiden door baeto's vader, katmeer, met een banket gevierd zal worden. Medea belooft haar de machine infernale te zenden door een' van hare draken. Zij geeft ook de ingredienten op, waaruit dezelve zamengesteld is: het recept is al te curieus om het zelve den scheikundigen lezer inzonderheid hier niet mede te deelen; te meer, daar de oorsprong der Hollanderen eigenlijk in dit recept te zoeken is, hetgeen weinig Hollanders vermoed zullen hebben. Wij zouden het een' lavoisier of chaptal, ja zelfs den beroemden vuurpijlenfabrikeur congreve, in tienen geven, om dit helsche kunstvuur te bereiden; want, zegt medea,

[p. 275]
 
De zaak is zoo geringe niet,
 
Nocht my hier by der hant voorzien haar toebehooren.
 
De grootste Razery in haar' geterghden tooren,
 
Wanneer zy wraak en moordt en woede wreedtheidt brult,
 
De blikken openspart, de lippen ommekrult,
 
Zoo doet met knarssen 't vuur zy uit haar tanden springen:
 
Zorghvuldigh queekt men dat in doeken die 't ontfingen,
 
In doeken eens gebrandt, en tonder van het kleedt,
 
Besmet met Hydraas gift, waarmeê dat ghy verdeedt,
 
O Dejanir'! uw' man. Noch moet men hebben vonken
 
Uit Sifyphs keizelsteen met Plutoos staf geklonken,
 
En uit Kocyt gerukt steenkallek ongeslist,
 
En zwavel uit het diepst des jammerpoels gevist,
 
En van Megeraas toorts in Styx gedoofde kolen:
 
Al vuur dat veinzen kan en houden zich verholen.
 
Dit moet men roeren en vermengen op zijn maat,
 
En lerpen met een' windt die snel en scherrep slaat,
 
En jagen vlam door vlam, tot dat zy 't zamen helen,
 
Door tochtig zwoegen van kortaâmde slangekelen.
 
In voorraadt heb ik dit vergadert al by een:
 
Dus laat het op my staan; t'en schort maar aan 't bereên 1.

Ernstig gesproken, wij weten niet of wij hartelijk moeten lagchen om deze helsche chymie, dan of wij deernis dienen te hebben met een vernuft, dat tot zulke armhartige kunstjes zijne toevlugt neemt.

Inventez des ressorts qui puissent m'attacher,

zegt boileau 2, doch zoodanige duivelarijen zijn in ons oog weinig daartoe geschikt.

[p. 276]

Het tweede bedrijf begint met eene langwijlige alleenspraak van zegemond, ‘Paapin’ geheten op de persoonaadjelijst: dit zal toch wel ‘priesteres’ beteekenen. Deze alleenspraak behelst eene Heidensch-Christelijk-theologische redenering over het wezen van God, priesterpolitiek, tempelpracht, bloedige offers en den vuurdienst, die, tusschenbeiden gezegd, nooit uit Perzië tot in Duitschland doorgedrongen is. Dit mislijk mengelmoes van onzamenhangende denkbeelden noemt macquet een verstandig redeneren over de Godheid 1! het is veeleer het raaskallen van eene verbijsterde dweepster, die alle godsdienststelsels door elkander haspelt. Zij heeft een' Rey van Nonnen bij zich; deze Duitsche Vestalen verheffen den lof van de godin des vuurs, tot welke vervolgens de ‘Paapin’ een gebed rigt, waaruit wij tevens de wijze leeren kennen van het heilig vuur op het outer te ontsteken.

 
O zalige Godin, die niet in ope lampen
 
Wilt hebben op gena van regen, windt en dampen
 
Bewaart het heiligh vuur, naar andrer volken zeên,
 
Maar het onleschbaar houdt in dezen keizelsteen
 
Van 't overoudt altaar! wilt gonstelijk ontsluiten
 
De korst, die 't licht verschuilt, en laat de vonken spruiten.
 
Lof dy, Godin! Het vuur vat in de drooge blaân.
 
Reikt nu het zuiver zout en vure sporten aan,
 
Om de kruipende vlam tot blaakren op te stooken.
 
Daar is geglomme kool 2.
[p. 277]

Men ziet dat de toestel tot dit vuur lang zoo omslagtig niet is als dat hetwelk medea met een' van hare draken aan penta gezonden heeft, die zich nu met baeto en rycheldin in schijn aan dit altaar verzoent, zweerende beiden, op penta's verlangen:

 
Oprechte vriendschap zweer ik u van dezer uur,
 
Oft, meen ik 't anders, slaa my 't helsch en 't hemelsch vuur 1,

opdat, als medea's machine infernale hare werking doet, zij hen van meineedigheid zal kunnen beschuldigen.

Met het derde bedrijf komt baeto van de jagt te rug. Rycheldin vertoont hem den noodlottigen sluijer en gevederden hoed 2, dien baeto bij geluk niet dadelijk opzet, want eensklaps roept rycheldin:

 
Ach! brandt in mijn perruik!

en een der aanwezigen zeer natuurlijk:

 
Wa... water, joffren 3!

Maar baeto belet de blussching weder zeer onnatuurlijk, denkende dat zijne vrouw valsch gezworen heeft, en nu met brand in hare pruik daar-

[p. 278]

voor gestraft wordt, dat er de dood na volgt. Inmiddels raakt de hoed met pluimen insgelijks in den brand, waardoor baeto de onschuld zijner gemalin en de boosheid zijner stiefmoeder ontdekt, en in eene lange en koele bespiegeling vervalt, in welke hij een bedaarde lijkrede houdt op de overledene.

Vervolgens wapent hij eenige manschappen; doch eer het tot een gevecht komt, biedt hij aan in ballingschap te gaan, om bloedstorting en staatsonlusten voor te komen; hij wordt gevolgd door eene groote menigte inwoners des lands, waaronder ook de Paapin met hare Nonnen. Op de grenzen verschijnt hem de geest van rycheldin, hem eene onbewoonde landstreek aanwijzende,

 
Die Maaz' en Rijn en Oceaan
 
Omheinen met hun fiere baren.

Dit was het eiland der Batavieren, tegenwoordig Holland genaamd. Daar, zegt zij,

 
Daar zult gy stichten volk bequaam
 
Om alle eeuwen door te duren.
 
Baetauwers eerst zal zijn hun naam,
 
Hollanders naa, met hun gebuuren,
 
Hetwe1k in vreede, en in oorlogh, in al
 
Uitmunten zal 1.

Baeto, over de grenzen gekomen, wordt tot Koning gehuldigd, de soldaten roepen: ‘Lang leev' de Koning!’ en - het gordijn valt.

[p. 279]

Dus, Hollanders! hebt gij een' oorsprong, die waarlijk avontuurlijk genoeg is.

Dit stuk is even zulk een wonderlijk zamenweefsel van onwaarschijnlijkheden en ongerijmdheden als de beide vorigen. Men vindt er ook dezelfde ongelijkheid van stijl in. De fraaiste plaatsen worden bedorven door lage platheden 1, beuzelachtige

[p. 280]

grillen 1, en walgelijke barbaarschheden 2; het tooneel van de verbrande pruik kon aanleiding geven tot eene koddige parodie, of kluchtige opera.

Ondertusschen heeft dit gebrekkelijk stuk verscheiden schoonheden van détail, die niet te miskennen

[p. 281]

zijn, en die de billijkheid vordert dat wij nu ook aanwijzen. Daaronder behoort vooral, en in de eerste plaats, de heerlijke Rey van Joffrouwen, die het vierde bedrijf besluit, en welken wij grootendeels hier mededeelen:

 
Wien zit de wreedheidt in 't gebeent
 
Zoo diep nu, dat hy niet en weent,
 
En, met verslegen hart, betreurt?
 
De droefheidt die ons valt te beurt?
 
Die deez' versufte schaar ziet gaan,
 
Met zorgh, met rouw, met angst belaân,
 
Schoorvoetend uit hun vaderlandt:
 
Wel heeft hy 't hart van diamant,
 
Ziet hy 't met onbewogen oogh.
 
Houdt iemandt wang van tranen droogh,
 
Geen mensch, maar eenigh woedigh dier
 
Moet hem gewonnen hebben. Hier
 
Voeteert de vrouw van kinde groot.
 
Deez' draaght den zuigling in haar schoot,
 
En tsiddert, duchtend' evenzeer
 
Voor man, voor kindt, voor lijf, voor eer,
[p. 282]
 
Waar dat zij hoort den minsten schreeuw.
 
Hier gaat de naagelate weeuw,
 
Zoo kinderrijk als zonder kindt.
 
En elk zijn staat bekommerst vindt.
 
Hier gaat de rijpe maaghdt verlooft,
 
Die minnewalmt den boezem stooft,
 
En treedt voor haren bruigom uit,
 
In plaats van ingehaalde bruidt.
 
Hier gaat de deirne vol van vrees,
 
Der wereldt onverzocht: de wees
 
Onmondigh, voor zijn' vooghden heen.
 
Hier strekt de stok het derde been
 
Den ouden man, die niet als slaaf
 
Gezint te vaaren is te graaf.
 
Zoo groen is 't hart in dorre borst,
 
Dat onverzaadt naa vrijheidt dorst 1.

Uitmuntend fraai en gepast is ook de zedeleer van dit stuk; zegemond zegt bij het vertrek:

 
Lijdt liever met de deughdt, dan dat ghy smeekt de boosheidt,
 
Die altoos, offerhand, eedzweeringe, gebedt,
 
Kerkzeden, 't geestelijk en 't wereldtlijk besmet.
 
Hoewel groot onrecht drijft den Vorste toe dit lijden,
 
Indien dat hy nochtans bestonde te bestrijden
 
Zijn vader en zijn' heer, ik zoude niemandt raân
 
Om iemandt tegens zijn' landtoverst' op te staan,
 
Nocht met den voet te treên 't ontzigh der aardsche Goden:
 
Dat 's t'onrecht recht gezocht. Nu wordt 'er maar gevloden,
 
'T welk zonder onrecht kan geschieden van het rijk 2.
[p. 283]

Wij willen gelooven dat in 's dichters leeftijd, toen men nog paalvast aan hekserijen geloofde, de persoonaadjen van penta en baeto uitnemend geschikt waren om schrik en medelijden te verwekken, en dus de ballingschap van den laatsten een wezenlijk belang inboezemde. Schrik verwekt, ja, de eerste ons ook wel, zelfs afgrijzen, als men wil, maar het is voor haar afschuwelijk karakter; de middelen, die zij te werk stelt, komen ons belagchelijk voor, om dat wij aan gene heksen, spoken en geesten gelooven. Medelijden hebben wij ook met baeto, maar het is het regte niet; het is dat medelijden, hetwelk wij hebben met een' bevreesden bloed, die gaat loopen om dat hij bang is voor spoken, en dien wij om zijne onnozelheid uitlagchen. Zijn vader katmeer maakt ook een nietsbeduidend figuur, en is eene volstrekt overtollige persoonaadje. Rycheldin heeft slechts lijdelijk deel aan de handeling; als het verbranden van hare pruik en haar daarop gevolgde dood in verhaal gebragt ware, kon zij geheel van het tooneel gemist worden. Zegemond heeft slechts voor zoo ver belang bij de handeling, als hare geestelijke kostwinning met baeto staan of vallen moet, en emigreert dus wijslijk met hem mede. Van de geesten der drie tooveressen zijn er twee geheel overtollig; medea alleen heeft de leverantie van het helsche kunstvuur. Het scheen in dien tijd de mode om heksen, en wel juist drie, op het tooneel te brengen; shakespear

[p. 284]

heeft er in zijn' macbeth ook drie. De geheele daad, tot welker volvoering de dichter zulk een' omslag van overtollige persoonaadjes oordeelde noodig te hebben, is eenvoudig dat penta, uit stiefmoederlijken haat baeto en zijne vrouw wil ombrengen of uit het land verwijderen, en zij bereikt ongestraft haar oogmerk door de bespottelijkste middelen. In baeto bezwijkt de deugd, en in penta triomfeert de ondeugd, die schaamteloos zeggen durft:

 
- - Ik heb genoegh, en weet van dit verwinnen
 
Nocht krijgh nocht krijghsgodt dank, maar 't spits van eigezinnen,
 
En de overgroote kunst van u, Medea groot 1!

Wij zouden tegen onze overtuiging handelen, als wij zeiden dat deze treurspelen, als zoodanig, ons behaagden, en den uitbundigen lof naschreven, dien zijne tijdgenooten daaraan toezwaaiden, die zoo min een goed begrip van de zamenstelling eens treurspels hadden als hooft. Wat doet het af, dat brandt van den Geeraardt van Velzen spreekt als van ‘een tooneelstuk, dat met geen minder verwonderinge dan genoegen van alle geleerden, die daarvan oordeelen konden 2, werdt gezien en geprezen 3’? Er waren immers in dien tijd

[p. 285]

geene geleerden, wie men dit praedicaat bijleggen kon. De Heer siegenbeek moge van oordeel zijn dat de invoering van den god des Vechtstrooms in dit stuk naar den smaak dier tijden niets berispelijks heeft; wij nemen de vrijheid integendeel te beweren, dat de invoering van eene godheid of eenige andere persoonaadje in een tooneelstuk, die geene betrekking hoegenaamd tot de handeling heeft, door alle tijden heen wel degelijk berispelijk is; Hooft had dit bij horatius kunnen lezen, die dit insgelijks beweert:

Nec deus intersit, nisi dignus vindice nodus Inciderit 1.

De Hoogleeraar moge verder hooggaan met de uitmuntende dichterlijke voorspelling van dezen stroomgod 2, wij doen dit insgelijks; maar dit stuk, hoe fraai ook op zich zelven, maakt het gebrekkig treurspel geen haar beter, en blijft altijd slechts een onnutte appendix van hetzelve. Al de gedeeltelijke schoonheden, die men in deze drie stukken bij menigte aantreft, en waarvan wij eenigen hebben doen opmerken, blijven gedeeltelijk, zijn meestal misplaatst, gelijk diamanten in lood gekast, en leveren dus nimmer een schoon geheel uit, dat toch in een treurspel gevorderd wordt, en hoedanigen corneille, racine en voltaire er ons verscheiden in

[p. 286]

hunne treurspelen geleverd hebben. Hooft had zoo wel uit sophocles en euripides kunnen putten als zij; doch het schijnt hem aan genoegzamen smaak ontbroken te hebben, om dit met oordeel te doen. Wij zeggen ons gevoelen vrijuit, en laten ons door vooroordeelen noch medesleepen noch wederhouden; maar wij hebben op de proef hooft hemelhoog hooren verheffen door lieden, die nooit een' regel van hem gelezen hadden, en slechts andere oppervlakkige lofruiters nabaauwden, die van schrik wegliepen, als wij den foliant voor den dag haalden om hen de schoone plaatsen te leeren kennen, opdat zij ten minsten wisten wat zij prezen; wij hebben akademische dictaten onder het oog gehad, waarin verzen van hooft aangeteekend waren, die eigenlijk jan vos gemaakt had. Wel mogt de bosch zeggen dat hooft een schrijver was, die meer geprezen dan gelezen werd 1; geprezen ja, met mond en pen, is hij welligt meer dan te veel, maar eigenlijk beoordeeld is hij, en dat nog maar zeer oppervlakkig, enkel door macquet, die, als treurspeldichter, zeer onbarmhartig den staf over hem breekt, zeggende: ‘Ik geloof dat niemand der kundige Nederlandere