terug  begin  verderprepost

[Samuel van Hoogstraten]

Hoogstraten (Samuel van) 3, broeder van den hiervoor vermelden françois en oom van david en jan van hoogstraten; werd geboren te Dordrecht, in het Jaar 1627. Hij leerde gelijktijdig met heiman dullaert de schilderkunst bij rembrand van rhijn, en bezocht in 1651 Duitschland en Italië. Te Weenen werd hij aan het keizerlijke hof met onderscheiding behandeld en hem een gouden penning aan eene achtdubbele gouden keten vereerd. Vervolgens deed hij ook eene reis naar Engeland, woonde eerst eenigen tijd in 's Hage, en zettede zich toen te Dordrecht neder, waar hij Provoost van de Munt was, en als portretschilder eenige vermaardheid verwierf. Hij stierf in deze zijne geboortestad, op den 19 October 1678. Zijne afbeelding vindt men bij houbraken 4.

[p. 321]

Hij had een' broeder, johan genaamd, die mede de schilderkunst beöefende, en met hem te gelijk aan het hof te Weenen geweest is, alwaar hij overleed.

Zeer geacht is ook nog in onzen tijd zijne Inleiding tot de Schilderkunst, in 1678 te Rotterdam gedrukt. Onder de dichters van zijn' tijd was hij mede niet ongunstig bekend. Zijn dichtwerk: De zigtbare Wereld, waaruit houbraken een uittreksel levert 1, is ons niet onder het oog gekomen, zoo min als zijne tooneelstukken 2; een zijner treurspelen, Dieryck en Dorothe, of het Verloste Dordrecht, in 1666 uitgegeven, vond bidloo

 
Zoo stout in vindingen, zoo groots in kragt van woorden;

dat, zegt hij,

 
- Zoo ik Hoogstraats naam
 
Niet op het voorhoofd las, -
 
Ik had den Drossaard 3 voor den dichter aangenomen 4.

Hij had eene soort van liefhebberijtooneel aan zijn huis, alwaar hij zijne stukken of die van anderen door zijne leerlingen, in het bijzijn van hunne ouders, deed vertoonen, om hen tevens in de kunst van opzeggen en gebaarmaking te oefenen, waarbij, zegt houbraken 5, hij hen tot een' tweeden

[p. 322]

francius verstrekte. Het een en ander boezemt ons een goed gevoelen van 's mans smaak, oordeel en bekwaamheden in, en in dit geval doet het ons leed, dat wij niet in de gelegenheid zijn om proeven van zijn' dichttrant mede te deelen.

Het is opmerkelijk, dat dit geslacht zoo vruchtbaar: in kunstenaars, geleerden en dichters is geweest, immers in onzen tijd telden wij nog een' afstammeling, johan van hoogstraten, onder de werkzaamste leden van het Haagsche dichtgenootschap, gelijk wij ook nog een' geheelen bundel onuitgegeven gedichten van hem en van joan pieter van hoogstraten bezitten 1.

3A. houbraken, Schouwb. der Schilders, II Deel, blz. 155.
4Schouwburg der Schilders, II Deel, blz. 170.
1Schouwburg der Schilders, II Deel, blz. 159.
2Catal. der Toneelsp. van w. henskes, N. 14.
3P.c. hooft, ‘om des styls gelykenis,’ zegt hij.
4L. bidloo,, Pan Poëticon Batavûm, blz. 68.
5T.a.p. blz. 163, Aant.
1Na het eindigen van dit artikel valt ons nog een gedicht in handen van den Amsterdamschen Boekverkooperjakobus van hoogstraten, getiteld: Het juichend Amsteldam op het tweede Eeuwgetyde van het Diaconie Weeshuis, in 1757, met verscheiden wetenswaardige aanteekeningen, tot voorn. godshuis betrekkelijk.
prepostterug  begin  verder