terug  begin  verderprepost

[Arnold Hoogvliet]

Hoogvliet (Arnold). ‘Elk, wien het lust, of de eer der vaderlandsche kunst ter harte gaat, voldoe zijn nieuwsgierig verlangen,’ zeggen wij met den schranderen jan de kruyff 2, ‘en worde onder het lezen der volgende levensschets, evenzeer als wij onder derzelver opstelling, meer en meer bezield met een' dankbaren eerbied voor de verdiensten van een' zijner waardigste landgenooten.’ Deze levensschets levert nogtans niets

[p. 323]

buitengewoons en zoo weinig belangrijks op, dat wij ze gemakkelijk door onze critische beschouwing van 's mans algemeen geachte dichtwerken kunnen heen vlechten. Even vrijmoedig en onpartijdig als wij, nog weinig bladzijden vroeger, ons oordeel omtrent de verdiensten van hooft geuit hebben, en even zeer verwijderd van blinde bewondering en onbedachte napraterij van oppervlakkige loftuiters, als van bekrompen vitzucht en verwaande betweterij, hoopen wij ook billijk regt te doen aan hoogvliets uitstekende verdiensten, zonder het oog te sluiten voor gebreken, die eene gezonde critiek zoo wel in hem als in ieder anderen moet afkeuren.

Hoogvliet aanschouwde het licht te Vlaardingen, op den 3 Julij 1687. Zijne ouders waren johannes hoogvliet en katarina paspoort, beiden van deftigen geslachte. De opvoeding van den jongen arnold was meer ingerigt om hem tot eenig ambt of burgerlijk beroep op te leiden, dan wel om zijnen geest ter beoefening van eenige geleerde wetenschap te ontwikkelen; hij werd dienvolgens, twaalf jaren oud zijnde, als klerk bij een' notaris geplaatst, en vervolgens naar Dordrecht gezonden, om aldaar den post van schrijver of boekhouder in de Bank van lening waar te nemen. Hier won hij weldra de genegenheid en vriendschap van targier, den bak en van bracht, beminnaars en oefenaars der dichtkunst. De gemeenzame verkeering met dezen boezemde hem ook weldra genegenheid en lust tot dezelve in; hij beproefde insgelijks zijne krachten, en zijne

[p. 324]

eerstelingen vonden aanmoediging bij zijne dichtlievende vrienden, met wier minzame onderrigting hij voordeel deed; doch hoe meer vorderingen hij maakte, hoe meer hij zijne zwakheid gevoelde en het gebrekkige zijner pogingen inzag. Hij begreep te regt, dat het gemis der taalkennis een groote hinderpaal was tot het maken van vordering van eenig belang; door ijver en vlijt kon dezelve uit den weg geruimd worden, en hoogvliet begon in den ouderdom van twintig jaren zich in het Latijn te oefenen. De langwijlige verdrietige schoolsche leertrant verveelde hem weldra, en eigen oefening deed hem spoedig grooter vorderingen maken dan het onderwijs hem kon bijbrengen. Op raad zijner vrienden beproefde hij het vertalen van eenig stuk, en zijne keus viel op de Feestdagen van ovidius. Naauwelijks was hij daarmede begonnen, of de uitmuntende schoonheden van den weligen Sulmoner troffen hem dermate, dat zijne eigen zangdrift op nieuw ontwaakte, en hij besloot om dit werk, in stede van in proza, in dichtmaat te vertalen, welke vertaling hij dan ook met veel ijvers voltooide en in 1719 in het licht gaf, en die in 1730 door een' tweeden druk werd gevolgd.

Wij kunnen niet zeggen dat hoogvliet met het vertalen der Fasti zich eene gemakkelijke taak had opgelegd; het verwondert ons zelfs dat zijne keus niet liever op eenig ander dichtwerk van ovidius gevallen is, en wij zijn het eens met de kruyff‘dat eene goede Nederduitsche berijming der Feest-

[p. 325]

dagen beter een werk ware voor de geöefende krachten eens grijzen kunstenaars, dan geschikt om het proefstuk te zijn van een' zwakken leerling, hoedanig echter de jonge hoogvliet, bij den aanvang zijner onderneming met recht genoemd mogt worden 1.’ En naar ons gevoelen voldoet hoogvliets arbeid geenszins aan de vereischten eener goede dichterlijke vertaling. In plaats van los en bevallig, is zij op sommige plaatsen plat, stijf en gewrongen; hij heeft niet alleen den zin, maar zelfs de woorden willen overzetten, en, waar dit onmogelijk was, de oorspronglijke Latijnsche woorden met derzelver verklaring berijmd, waardoor zijne vertaling beuzelachtig, somtijds zelfs belagchelijk wordt, bij voorbeeld:

 
Hier - - - - - -
 
- - - beschouwt ge een kleine kerk,
 
Minerva Capta toegewydt - - - -
 
- - - maar de oorzaak wordt bestreden
 
Van dezen bynaam, daar hy twyfelachtig luidt,
 
't Zy Capitaal verstandt een fyn verstandt beduidt 2.

Er behoort geen fijn verstand toe om het bespottelijke van dit capitaal verstand in te zien.

Wij zouden eene menigte platprozaïsche plaatsen kunnen afschrijven, als dezen:

 
De reinigingen plag men Februa te heeten
 
By de ouden 3.
[p. 326]
 
Het woord Libamen, dat een offerspijs beduidt,
 
Komt voort van Liber: ja, uit die benaming spruit
 
Ook Liba, dat is koek 1.
 
Het offerdier verkreeg den naam van Victima,
 
Van 's volks Victory, en het hiet ook Hostia,
 
Van Hostis, vyandt 2.

Hij laat Mars een zeker renspel aanschouwen,

 
men behaagen,
 
Equiria genaamt, van Equus, dat 's een paart 3,

en zegt dat de 9 Mei

 
naar Remus heeft geheten
 
Remuria: maar de R is tot een L gesleten 4.

De genealogie van caesar 5 is volmaakt in den smaak van abraham gewan izaak, ende izaak gewan, enz.

Wij zouden vrezen onzen lezers te vervelen, indien wij nog meer van deze gekheden afschreven. Ongunstiger kon, naar ons gevoelen, hoogvliet zich niet wel als dichter aankondigen dan juist met deze ganschlijk mislukte vertaling, die, zonder eenige schade voor onze Nederduitsche letterkunde, gerustelijk achterwege had kunnen gebleven zijn, waarin, ja, de zin, of liever de doode letter, des oorspronglijken dichters wel bewaard gebleven is, maar waaruit de levende geest geheel en al verloren is gegaan. In een woord, hoogvliet was geheel

[p. 327]

niet tot het dichterlijk vertalen van dit werk berekend, hetwelk zelfs voor een' feitama, doornik, barbaz, en andere groote meesters in de vertaalkunst een Herculeus labor zou geweest zijn. Denkelijk heeft hij dit naderhand zelf ook wel ingezien, en wijsselijk liever de impulsie van zijne genie gevolgd om liever als lofwaardig oorspronglijk dichter op te treden dan als berispelijk vertaler, en na de uitgave van zijn' Abraham feitama van harte het schrale genoegen gegund van twintig jaren lang over de vertaling van voltaires Henriade angstvallig te zitten zwoegen en schaven, en zich verder met geen vertalen meer ingelaten, maar zijn kunstvermogen op eene edeler wijze aangewend in het bearbeiden van zijn' Abraham den Aartsvader.

Hij kreeg de aanleiding tot het ontwerpen van dit dichtstuk bij de volgende gelegenheid: De dichter op zekeren tijd uit kinderlijke genegenheid bij het ziekbedde van zijn' grijzen vader wakende, hield zich bezig met het verbeteren der drukproeven zijner vertaalde Feestdagen, die in dien tijd gedrukt werden. De zwakke grijzaard wist dit, en schepte genoegen in de vorderingen van zijn' zoon, doch kon niet nalaten hem te betuigen dat het hem aangenaam zou zijn, bijaldien dit dichtstuk, in plaats van het Heidensch bijgeloof te verheffen, de eer van den eenigen waren God kon bevorderen. Deze vrome wensch eens stervenden vaders was een wenk voor den godsdienstigen zoon. Naauwelijks waren

[p. 328]

dan ook de sterkste aandoeningen der smart, om het kort daarop gevolgd afsterven des braven ouden mans gelenigd, of de weldenkende zoon was bedacht om aan zijn' vaders verlangen te voldoen, en koos den aartsvader abraham tot zijn' onderwerp. Onmiddellijk begaf hij zich aan den arbeid, zettede dien onafgebroken met lust en ijver voort, tot aan het begin des tienden boeks, wanneer hij, door eene hevige ziekte aangetast, den arbeid eenige maanden moest staken, doch weldra nam hij na zijne herstelling denzelven weder bij de hand, en voltooide gelukkig dit beroemde dichtstuk, hetwelk, in twaalf boeken verdeeld, in het jaar 1727 voor de eerste maal te voorschijn kwam.

Ondertusschen had hij te Dordrecht gemeenzamen omgang met den zilversmit willem van der ruit, en daardoor gelegenheid om eenige kundigheden in dat beroep te verwerven, weinig denkende dat hij dit eenmaal zelf bij de hand zou vatten, want voorziende dat hij zijne plaats in de Bank van lening eerlang aan een' ander zou moeten inruimen, begaf hij zich in den ouderdom van zesentwintig jaren naar Amsterdam, om aldaar den post van Boekhouder in eene voorname suikerrafinaderij waar te nemen, wiens eigenaar den vorigen om geringe geschillen had ontslagen, doch de twist na eenigen tijd weder bijgelegd zijnde, moest hoogvliet zijn' voorganger weder plaats maken, waardoor hij zich op nieuw buiten bestaanmiddel bevond. De beruchte actiehan-

[p. 329]

del van 1720 bezorgde hem vervolgens den post van Boekhouder bij eene maatschappij, eerst te Delfstshaven, en vervolgens te Vlaardingen; doch het spoedig verval van dien dwazen windhandel en het te niet gaan der opgerigte maatschappijen beroofde andermaal hoogvliet van zijn bestaanmiddel, zoo dat hij zijne toevlugt nam tot den zilversmits winkel zijns oudsten broeders, die, buitendien eene goede kostwinning hebbende, denzelven aan hem afstond. Hier vond hij bij een stil en gerust leven een onbekrompen bestaan, huwde den 30 November 1735 met ida van der ruit, de dochter van zijn' ouden Dordschen vriend, en zag zich ook met het ambt van Tafelhouder der Bank van lening begunstigd, hetwelk door zijn' vader en oudsten broeder bekleed en door den dood van den laatsten opengevallen was 1. Dus gelukkig en onbekommerd levende, verzamelde hij de vruchten eener vijfentwintig jarige dichtoefening bijeen, met uitzondering van de Feestdagen, over welken wij ons gevoelen reeds gezegd hebben, en den Abraham, dien wij straks eenigzins uitvoerig zullen beschouwen, en gaf dezelven onder den titel van Mengeldichten in 1738 in het licht. De verzameling bestaat grootendeels uit bruilofts-, lijk-, verjaar- en andere gelegenheidsgedichten, die voor de personen, aan wie ze gerigt

[p. 330]

zijn, somwijlen zeer veel, voor het gelijktijdig publiek zeer weinig, en voor de nakomelingschap volstrekt geene waarde hebben, als het geene meesterstukken van poëzij zijn. Wij willen over dezen bundel niet strenger oordeelen dan de kruyff er over geoordeeld heeft. ‘Sommigen’ zegt hij 1, ‘beantwoorden weinig aan den verworven roem des dichters, en zijn hunnen vader onwaardig 2.’ Die reeds verworven roem heeft ook welligt deze middelmatige en weinig beduidende verzen met inschikkelijkheid doen ontvangen, althans in een tijdvak dat men het van dichters gewoon was, dat zij dergelijke gelegenheidsrijmen het publiek opdischten. Wij zullen dus onze aandacht ook niet langer

[p. 331]

tot dezen bundel bepalen, maar dezelve een oogenblik vestigen op het in 1740 uitgegeven hofdicht Zydebalen; dit is inderdaad een fraai en deftig gedicht; ongemeen heeft ons altijd dit echt dichterlijk brok daarin behaagd:

 
ô Heerlyk paradys, zoo vol veranderingen!
 
ô Eedle kweekhof van ontelbre zeldzaamheên!
 
Wat artsenyhof, hoe geroemt om ongemeen
 
En vreemt gewas, moet niet, met alle zyn sieraden,
 
Voor uw verscheidenheit van allerhande bladen,
 
Van bont veelverwigh loof, en van nooitdorrend groen,
 
Zich voor u buigen, en uw' Hofheer hulde doen?
 
De Noordewint, verzelt van all' zyn buldervlagen,
 
Ging, op dien hof verstoort, dus aan den Winter klagen:
 
‘Hoe! gryze Vader! wordt dus onze magt verkort?
 
Is 't niet genoeg, dat gy den lauwer, onverdort,
 
Moet zien 't vermogen van uw Jaarsaizoen trotseren?
 
Gints plant men hoven, die al ons gewelt braveren:
 
Hoe, mag dat ongestoort in ons gebiedt geschiên’?
 
De grysaart zei terstont: ô Neef! wy zullen 't zien.
 
Hy wryft de nevels en de dampen uit zyne oogen:
 
Straks vriest het yslyk; maar de Vorst had geen vermogen:
 
d' Uitheemsche groente lachte, en blonk noch even zeêr:
 
Thans schudt hy 't gryzend hooft gramsteurigh heen en weêr:
 
Fluks vliegt de jachtsneeu uit zyn slingerende hairen;
 
Maar sints hy eindlyk weêr de buiën op doet klaren,
 
En ziet deez' groenen kring voor al 't gewelt bewaart,
 
Vergramt hy zich nogh meer, en grypt den breeden baart,
 
Van yssel t' saamgekleeft, en werpt den hagel neder:
 
Nu sidderde al de gront van 't yslyk winterweder,
 
Want d' onweêrwint, nu meê met een' gezwollen krop;
 
Aan 't woeden, spalkt van spyt de styve kaken op,
[p. 332]
 
En buldert met gewelt, en blaast 'er vreeslijk onder;
 
Maar al vergeefsch; de hof blyft even groen, (ô wonder!)
 
En pronkt voor 't oog als in een eeuwigh Meisaizoen.
 
Wat roemt ge, ô lauwerier! op uw nooitdorrend groen?
 
Hier, hier is overvloet van eeuwiggroene blaâren:
 
Mag ik, hoogmoedige, u niet winnen voor myn hairen,
 
Geen noodt, myn Hof heer kroont misschien myn maatgedicht 1.

En dit heeft de ‘Hofheer,’ david van mollem, ook edelmoediglijk gedaan, vereerende aan hoogvliet, uit erkentenis voor dit dichtstuk, een' fraaijen zilveren penning van ongemeene grootte, wegende anderhalf pond, en met groote kosten alleen tot een geschenk voor hoogvliet vervaardigd 2.

De zucht voor zijne geboorteplaats dreef hem om haren lof te bezingen in eene dichterlijke beschrijving van derzelver lotgevallen, koophandel, visscherijen, enz.; en zoodanig eene gerijmde topographie was geenszins eene gemakkelijke taak; ondertusschen is zijne Eerkroon voor de stede Vlaerdinge tevens eene eerkroon voor zijne dichterlijke bekwaamheden; men oordeele:

 
d'Aloude fabel zwyg van Argos heldentogt,
 
En hoe men over zee het vlies van Kolchos brocht,
 
Naa 't overwinnen van Vorst Etaas felle draken:
 
Myn waterhelden, die van moedt en yver blaken,
 
Ontzien geen woeden van den fellen oceaan,
 
Dien ouden draak, hoe wyd zyn muil moge open staan,
[p. 333]
 
Hoe ysselyk, hoe hoog zyn klauwen zich verheffen,
 
Gereed elk oogenblik met slag op slag te treffen;
 
Hen op te werpen aan een pruilende onweêrwolk,
 
Of in te slokken in de grondelooze kolk:
 
Zy durven al die woede op hunnen steven wachten;
 
Tot hy, vermoeit en stil, hen duizent gouden vachten
 
Laat voeren uit zyn diepte, en slepen op uw reê 1.

Dit dichtstuk is mede afzonderlijk in 1743 uitgegeven; doch beiden worden ook gevonden in het Vervolg der Mengeldichten, die hij in 1753 in het licht gaf, en waarmede hij in zijne klimmende jaren afscheid nam van den zangberg, nadat hij veertig jaren lang de lier met roem gehanteerd had. Zijne overige tien laatste levensjaren sleet hij in stille rust, tot een langzaam verval van krachten zijn naderend sterfuur aankondigde. Hij zag hetzelve gelaten te gemoet, bereidde zich tot een vreedzaam Christelijk einde, en stierf, op den 17 October 1763, in hetzelfde huis waar hij geboren was, en werd onder een aanzienlijk geleide zeven dagen daarna plegtig begraven. Zijne weduwe overleefde hem tot den 20 Maart 1789 2.

's Mans karakter is uitmuntend geschetst door jan de kruyff 3; hij bezat, volgens zijn getuigenis, ‘een hart, vatbaar voor de verhevene aandoe-

[p. 334]

ningen van liefde, medelijden en goedwilligheid, gevormd tot de beste deugden des gezelligen levens, en gepaard met een' vriendelijken, zachten, vrolijken, somtijds driftigen, maar altijd bescheiden, altijd oprechten inborst: Zie daar het beminnelijk hart. Eene ziel, geschikt tot onvermoeide werkzaamheid, versierd met de uitmuntendste vermogens, en verrijkt met een' schat van nutte kundigheden: ziedaar de uitmuntende ziel. Een gedrag, onbevlekt door lage of schandelijke bedrijven, ingerigt naar de strengste wetten der matigheid en regtvaardigheid, maar bovenal eerwaardig door mannelijke godvrucht: Ziedaar het Christelijk gedrag; ziedaar den geheelen hoogvliet. Zulk een mensch’ zegt hij, met reden, was, ‘bij de liefde en achting zijner tijdgenooten, der goddelijke gunsten waardig; wij bespeuren er ook de zigtbare blijken van in den zeldzamen zegen eens gelukkigen ouderdoms, terwijl de welvaart van zijn huis, het genot eener bestendige gezondheid en de streelende kalmte eener geruste ziel zich, als zoo vele bijzondere bronnen van genoegen, vereenigden om de hachelijke dagen der grijsheid, zoo menigwerf de akelige schemering van sukkelingen, kommer, wroeging en ellende, tot een' stillen helderen en blijden avondstond te vormen van een werkzaam en godsdienstig leven’.

Thans zullen wij overgaan tot de beschouwing van zijn beroemd dichtstuk, Abraham de Aarts-

[p. 335]

vader, hetwelk elf malen herdrukt en jaren lang, even als de werken van cats, als huisboek in verscheiden deftige huisgezinnen aangetroffen werd. Wij zijn zeker de eersten niet die dit werk uit een critisch oogpunt beschouwen, en wij zouden ons den arbeid ligt kunnen maken als wij onze lezers naar het daarover geschrevene daarmede instemmend heen wezen; dan niettegenstaande wij gevaar loopen dat onze handelwijze misschien zal afgekeurd worden door de geenen, welke, gelijk de kruyff hen omschrijft, ‘door blinden eerbied vervoerd, gewoon zijn zelfs de minst ongunstige aanmerking tegen eenen zoo begunstigden dichter, als hoogvliet, voor heiligschennenden laster aan te zien 1’, zullen wij toch onzen eigen weg

[p. 336]

in deze beschouwing bewandelen, en, zelfs, waar zulks voegzaam is, de metacritiek te baat nemen, om de vroegere beoordeelingen even zoo bescheiden als vrijmoedig te toetsen, zonder ons blindelings door lofspraak tot prijzen, of door vittende magtspreuken tot verachten te laten bewegen.

Wij zullen het geschil niet weder aanroeren of de Aartsvader een heldendicht is of niet. Volgens de theoriën, die men sedert aangaande het heldendicht ontworpen heeft, kan hetzelve op dien naam geene aanspraak maken, en wij houden het met den Heer de vries voor eene ‘Poëtische Levensbeschrijving, gevolgd naar eenige oorkonden, waaraan men zich heilig houden wil 1’, en hetzelve behoort dus tot die soort van cyclische gedichten, die den levensloop van den held des onderwerps tot zijn' dood toe volgen. De stijl en houding heeft deze dichtsoort meer dan eens met het epos doen verwarren.

De soort dus bepaald hebbende, waaronder dit dichtstuk gerangschikt moet worden, zullen wij het onderwerp en deszelfs behandeling, de schoonheden en gebreken met eene onpartijdige waarheidsliefde beoordeelen en doen opmerken.

Het onderwerp van dit dichtstuk behelst, gelijk men weet, de voornaamste levensbijzonderheden van den stamvader des Joodschen geslachts, gewislijk eene belangrijke persoonaadje. De keus van dit

[p. 337]

onderwerp was dus niet ongelukkig. Wij zien niet in, dat ‘noch sieradiën van Heidenen ontleend, noch eigenvinding, noch vrije schildering hier haren invloed ten goede konden doen gelden, gelijk de Heer de vries wil 1, daar wij bij het doorbladeren des gedichts van het tegendeel overtuigd worden. Hoe ongunstig deze oordeelkundige schrijver ook over den aanleg en de houding van het werk moge denken, als naar den geest dier tijden te stijf, houdt hij hetzelve ‘des niet te min voor een zeer uitmuntend en verdienstelijk werk, leerzaam van zaken en rijk in dichterlijke schoonheden 2,’ en daarvoor houden wij het ook, ondanks de vele gebreken en den wansmaak, die in hetzelve heerschen en bij het menigvuldig goede en schoone geweldig afsteken. ‘Schoon met velen,’ zegt de kruyff 3, en wij met hem, ‘over den aanleg en de schikking des dichtstuks, om der kunst en des kunstenaars wille, niet ten volle te vreden, bewonderen wij niet te min hetzelve hooglijk in de uitvoering;’ en inderdaad, dit dichtstuk, hoe gebrekkig in sommigen der deelen, levert toch een voortreffelijk geheel op, hetwelk zijn' verworven roem nog lang zal handhaven. Het is als het ware eene poëtische schatkamer van oud-

[p. 338]

heid-, aardrijks-, geschied- en staatkunde; doormengd met de schoonste lessen van wijsheid, deugd en zedelijkheid, voorgedragen in deftige vloeijende verzen, ademende overal reine godvrucht en geloovig vertrouwen op de Voorzienigheid. Waarlijk, wij namen altijd het boek met eene zekere achting in handen, dat ons zoo menigmaal geroerd en gesticht heeft, ook dan nog, toen wij misstal en leemten in hetzelve begonnen op te merken.

Thans zullen wij de bijzondere deelen des dichtstuks aan eene critische beschouwing onderwerpen, en ieder bijzonder afhandelen.

Wij bevroeden niet waarom de dichter aanheft met den lezer te berigten, dat hij eene berijmde vertaling der Feestdagen van ovidius heeft geleverd. Dezelve was immers reeds gedrukt en verkrijgbaar. Het is als of hij grooten roem stelt in dien zwakken, kwalijk uitgevallen, en, strikt genomen, onnutten arbeid, wanneer hij dus emphasisch begint:

 
Het luste my weleer, in Nederduitsche dichten,
 
Van 't Roomsche godendom, en feest- en jaargeschichten,
 
Te zingen, op het spoor van Sulmoos letterhelt;
 
Maar nu, nu maal ik (daar myn eigen zangaâr zwelt
 
Van eedler driften, door een hemelsch vuur gedreven,)
 
Den grooten Vader van de volken naar het leven:
 
Ja 't lust my Abram op den toght naar Kanaän,
 
En naar Egipte, en waar die goddelyke Man
 
Heen zwerft op 't hoog bevel, te volgen op myn snaren 1, enz.
[p. 339]

En wanneer wij dit onder het lezen mogten vergeten hebben, dan wordt zulks ons nogmaals herinnerd op het einde des werks:

 
De Helt van Sulmo, wien ik 't Roomsche jaargety
 
En feesten naarzong in myn Duitsche poëzy,
 
Zong van zyn goden - - -
 
- - - - - - - - -
 
Ik van de Godheid 1.

De antithesis, in welke deze herinnering voorgedragen wordt, is gewrongen en onjuist; de Fasti en de Abraham zijn geheel ongelijksoortige gedichten, verschillende zoo wel in onderwerp als in vorm, en kunnen dus niet in tegenstellende aanraking komen. Als hoogvliet gezegd had: Milton zong van den Duivel, ik van de Godheid, ware de antithesis goed en juist geweest 2. De dichter had deze herinnering hier en de zes eerste regels gerust kunnen weglaten, en zijn gedicht beginnen met

 
Het lust my Abram op den toght naar Kanaän
 
En naar Egipte, en waar die goddelyke Man
[p. 340]
 
Heen zwerft op 't hoog bevel, te volgen op myn snaren;
 
Zyn' wondren omgang met de Godtheit t'openbaren;
 
En, in bespiegeling van zyn geloove, hoop
 
En zuivre Godtvrucht, door zyn' ganschen levensloop
 
Te zweeven; tot hy, door Gods eeuwige genade,
 
Den grooten Vredevorst beschouwende in zyn' zade,
 
Ten duistren grave daalt in hoogen ouderdom 1.

De voorstelling in den aanhef van eenig dichtstuk kan niet te beknopt, eenvoudig en duidelijk zijn; zij is als het ware eene korte schets van het geheele stuk, en geeft den lezer dadelijk te kennen wat hij te verwachten heeft.

De op deze voorstelling volgende aanspraak aan de godgeleerde schrijvers, waarbij hij hen verschoning vraagt, dat hij zich bij het zamenstellen van dit dichtstuk van hunne schriften bediend heeft, is geheel overtollig, want zulks stond hem volkomen vrij; nog ongepaster is zijne apostrophe tot de ongeloovigen:

 
'k Zing niet voor u,

zegt hij. Maar waarom niet? ‘Ongeloovigen’ zeggen wij met macquet 2, ‘kunnen immers wel ‘goede kenners en beminnaars der poëzij wezen; en mogelijk zal een Dichter, zoo zijne kunst kracht genoeg heeft, kunnen medewerken om

[p. 341]

hen te overtuigen van het gewigt en belang van den godsdienst, door het schoon karakter van zijnen held, dat men zelfs aan het ongeloof vrijlijk mag voorstellen tot een model van navolging, en welk een groot vermogen de dienst van God heeft op allen die hem vrezen.’ Had hoogvliet deze bedenking overwogen, hij zou gewis niet, tegen zijne bedoeling, zoo bekrompen als belachelijk nedergeschreven hebben:

 
Ik zing alleen voor Abrams kindren 1:

dus alleen voor de joden, waaronder hij waarschijnlijk de minste lezers gevonden heeft. Het is waarlijk of de dichter met deze woorden het Christelijk publiek van de lezing van zijn werk uitsluit, dat toch gewis zijne mening niet kan geweest zijn.

De aanroeping om bijstand aan het Opperwezen is deftig en krachtig; op deze regels:

 
Ai! laat een vonkje van het god'lyk vuur der liefde,
 
Dat u, tot 's menschen heil, met mededoogen griefde,
 
Myn' geest ontvonken 2,

merken wij nogtans aan dat grieven, wonden kwetsen, leedverwekken beteekenende, slechts door eenig scherp geweer, en, overdragtelijk, door hoonende uitdrukkingen, maar geensins door vuur geschieden

[p. 342]

kan, en dat ook deze uitdrukking ten aanzien van de Godheid niet verkieslijk is. De regel:

 
Opdat myn vaerzen als een beek van honig vloeijen 1,

is reeds door anderen op zeer goede gronden afgekeurd 2.

De dichter begint zijn werk met de komst van abraham in Egypte, hetwelk hij uitmuntend fraai beschrijft, hoezeer wij anders met deze geographische poëzij weinig op hebben. Hier slaat abraham zijne tenten op,

 
En spreekt, in 't midden van zyn knechten en zyn magen,
 
Terwyl hy d'oogen naar den hemel houdt geslagen:
 
De Godtheit zy gedankt, die ons, na zooveel leets
 
En ommezwervens, na veel ongemaks en zweets,
 
Een vrugtbre lantstreek door haar goetheit wil vergunnen 3,
 
Daar wy de duurte van het lant verduuren kunnen;
 
Daar wy bevrydt zyn van den harden hongersnoot,
 
Het vee zyn voetsel vindt, en wy ons daaglyks broot 4.
[p. 343]

Natuurlijk en teder schetst hoogvliet sara's bekommering voor de vervolging der wellustige Egyptenaren:

 
Dit ligt my zwaar op 't hart: my dunkt, ik zie een wolk
 
Van tegenspoeden, die ik zeker heb te wachten.
 
'k Zwoege onder bergen van angstvallige gedachten.
 
De slaap ontvlucht myn oog; of als die my bekruipt,
 
En nu of dan in myn vermoeide leden sluipt,
 
Dan schrik ik, en ontwaak door naar en angstigh droomen.
 
Niet dat ik schrome om uw bevelen na te komen,
 
Myn Abram, neen, ô neen! de zorgen die ik ly'
 
Ontstaan uit vreeze, dat gy sterven zoudt om my.
 
Zou dan dit schynschoon nogh zoo groot een onheil baren,
 
In mynen ouderdom van vyf en sestigh jaren 1?

Deze vraag is bespottelijk, en wekt onwillekeurig den lach op. Eene vijfenzestigjarige schoone, die bang is voor verleiding, boezemt ons eene zonderlinge gewaarwording in. Doch laat ons ernstig blijven.

Meermaals maken de dichters met goed gevolg gebruik van droomen. De beängste sara droomt ook dat haren abraham eene schoone roos ontstolen wordt; zij verhaalt hem dezen droom,

 
en een diepe zucht, gevlogen
 
Uit haren boezem, perst een tranebeek uit d'oogen,
 
Die van de kaken op de blanke borst afvloeit:
 
Gelyk de morgendau de bladers nat besproeit,
 
Terwyl een wintje komt den bloemhof binnen sluipen,
 
En doet die paerlen op die rozenknoppen druipen 2.
[p. 344]

Had de dichter ons niet een oogenblik te voren den preciesen ouderdom van sara gezegd, wij zouden haar bij deze zwierige regels voor eene pas getrouwde vrouw van twintig jaren gehouden hebben.

Abraham stelt haar gerust zoo goed als hij kan, en zegt hetgeen men gewoonlijk bij zulke gelegenheden zegt.

De Koning verneemt inmiddels de aankomst van abraham met zijn huisgezin, en zendt drie vorsten, om te vernemen wie deze vreemdelingen zijn. Zij keeren des avonds te rug, doen den Koning verslag, verheffen sara's schoonheid, en melden hem tevens dat zij abraham heer of haren broeder noemt. De Koning ontsteekt hier op in minnedrift, en geeft bevel om de vreemde schoone te schaken en aan het hof te brengen. De hier ingevlochten moralisatie des dichters over de vleijerij is mat, bestaat uit honderdmalen verbruikte gemeene plaatsen en doet niets ter zake. De schaking wordt uitgevoerd, terwijl abraham voor het aanbreken van den dag in het naaste woud zijn morgengebed deed. Sara riep vergeefs om hulp,

 
maar Abram kon niet hooren.

Er was evenwel opschudding genoeg:

 
Al 't velt weêrgalmde, en bosch en bergen kregen ooren.
 
Het redelooze vee sprong schielijk uit den slaap.
 
De vrome Loth met al zyn huis, en herdersknaap,
 
En knecht, en maagt, 't kwam al verbaast ter tente uitloopen 1.
[p. 345]

maar ondanks al dit schreeuwen en gerucht kon abraham niet hooren, denkelijk, om dat hij in slaap gevallen was - neen, dit denkbeeld heeft de dichter zoeken te verwijderen, door den lezer vooraf te berigten, dat hij, in den donker, in het bosch zat te mediteren, want

 
Godvruchte Abram,

zegt hij,

 
Was nu in 't midden van zyn heilbespiegelingen.

Althans sara was weggevoerd, zonder dat haar man er iets van wist, of dat zijn neef loth of zijne herders dit hadden kunnen of durven beletten. Dit was nu zeker wel een schendig stuk, dat ieders afkeuring verdient, maar het is wansmaak en louter bombast, wanneer de dichter de geheele natuur een misbaar deswegens laat maken als of er eene geheele Sabijnsche maagdenroof gepleegd ware:

 
De morgenstont, eerst rood van schaamte, werd weêr bleek
 
Besturven om den mont, als hij ter kimme uitkeek.
 
De zon steekt eindlyk 't hooft uit d'ooster waterkolken,
 
Maar dekt het aangezigt, van schrik, met dikke wolken,
 
En moght het schendig stuk niet zien uit haren trans.
 
De bleeke droefheit en verbaastheit vliegen thans
 
Door 't herdersleger, met een naar en angstigh klagen.
 
't Is of natuur de schrik was om het hart geslagen:
 
De boomen sidderen, en al 't gebergte zucht,
 
De dalen stenen en weêrgalmen van 't gerucht,
 
Het gras verwelkt op 't velt, de bloemen slaan aan 't kwynen,
 
De beeken weigren nat, de zon vergeet te schynen 1.
[p. 346]

Wat nu abraham betreft,

 
Men zou vermoeden dat 'er nu een harde orkaan
 
Van togten, op die mare, is in zyn ziel ontstaan;
 
En dat de hulk van zyn geloove ginds en weder
 
Geslingert, in een zee van traanen op en neder
 
Gesolt wordt, door den wint van vreeze, elk oogenblik;
 
Nu op de steilte van vertwyffeling en schrik;
 
Dan weêr in diepten van angstvallige gedachten 1.

Niets van dit alles; hij blijft bedaard in dit ongeval, vestigt zijn vertrouwen op God; in een woord,

 
Het schip van zyn geloof stoot op geen blinde klippen
 
Van wanvertrouwen 2.

Hier is het karakter van abraham zeer wel bewaard; en deze geloofsvastigheid des Aartsvader behaagt ons oneindig meer dan dat de zon vergeet te schijnen om sara's wegvoering, die der zon tamelijk onverschillig geweest zal zijn.

In dezen toestand wordt hij bezocht en vertroost door zijn' vriend loth. Schoon blinkt bij deze gelegenheid abrahams geloof:

 
Neen, (zegt hy) Harans zoon, 'k ben nogh niet afgedwaalt.
 
'k Zeil op de leistar van Gods heilbeloftenissen,
 
Laat komen wat 'er koom, die zullen nimmer missen.
 
Dees aartkloot zal veeleer veranderen van steê:
 
Eer zal 't gebergte zich neêrzetten in de zee 3:
 
Eer zal de zon haar licht, de maan haar' glans ontberen:
 
Eer zal de vlugge Nyl naar zynen oorsprongk keeren;
[p. 347]
 
Eer Godt myn recht verzuime, en myn geloof veracht,
 
En my niet wreke aan dit vervloekte Chams geslacht.
 
't Gebergt magh wyken en de steile heuvels beven,
 
Maar nimmer 't woort dat Hy aan Abram heeft gegeven 1.
[p. 348]

De dichter verhaalt wijders de beweging, die er te Memsis ontstaat over sara's schaking; alles loopt naar het koninklijk paleis,

 
om, door nieuwsgierigheid gedreven,
 
Het schoon gelaat te zien der vreemde herderin 1.

en geen wonder! eene op hoog bevel geschaakte schoone van vijfenzestig jaren zou te Parijs of te Londenzoo wel eene menigte volks op de been brengen als te Memsis. De beschrijving van het vertrek, waarin zij gehuisvest is en deszelfs meubelering, ‘geven blijken,’ zegt macquet 2 ‘van eene natuurlijke, rijke vinding;’ wij zouden zeggen van minutieuse beuzelachtigheid; men kan wel denken, dat zij fatzoenlijk gelogeerd geweest zal zijn. De Koning doet den staatsraad vergaderen, om ja te zeggen tot zijn voorgenomen huwelijk met sara, doch hetwelk om het invallend feest van Isis eenige dagen uitstel vordert. Ondertusschen beveelt de Koning inmiddels dat de toebereidselen tot dit feest en zijn huwelijk gemaakt worden en aan abraham geschenken te zenden, van welken ons nu de inventaris medegedeeld wordt. Het gezantschap komt bij abraham met de geschenken:

 
De Herder toont, met een gelaat vol zorg en druk,
 
Voor al de gaven van Vorst Faraö verkregen,
 
Zyn dankbaarheit 3.
[p. 349]

Abrahams gemoedsgesteldheid bij het ontvangen dezer geschenken, zoo wel als op het vernemen van het ophanden huwelijk des Konings met zijne sara, is natuurlijk en fraai geschetst; bij het ontvangen der geschenken is hij stil weemoedig, beklemd van hart en gedwongen dankbaar; hij ziet een onweder boven zijn hoofd zamentrekken, welks uitbarsting hij vreest. Men maakt hem het voornemen des Konings bekend, en

 
Die harde reden klonk in 't oor van Terahs zoon
 
Gelyk een donderslag, die in de zomerdagen,
 
Als 't velt verkwikt wordt door de zoele regenvlagen,
 
Den nyvren akkerman tot in de ziel ontstelt.
 
De Aartsvader voelt nu in zyn' boezem al 't gewelt
 
Der huwlyksliefde met een' nieuwen gloet ontsteken,
 
Terwyl een andre drift de tong belet te spreken.
 
Nu gloeit zyn aangezicht, en in een oogenblik
 
Wordt hij besturven om den mont, van angst en schrik,
 
Dan wordt de bange borst van smert en rou bevochten.
 
In zulk een worsteling van onderscheide togten,
 
Vertrekt hy sprakeloos, en antwoort met een' zucht 1.

Deze laatste regel is uitmuntend: stomme smart is dikwijls de welsprekendste.

 
La douleur qui se taît n'en est que plus funeste 2.
[p. 350]

Het stilzwijgen van droefheid, schrik en verbazing schildert treffend den hoogen graad dezer hartstogten. Bij virgilius laat mercurius in het midden van zijne rede tegen aeneas zijne sterfelijke gedaante varen en verdwijnt uit zijn gezigt:

 
At verò Aeneas adspectu obmutuit amens;
 
Arrectaeque horrore comae, et vox saucibus haesit 1.

De aanmerking van macquet 2, dat deze hevige ontsteltenis van abraham niet zeer overeenkomt met zijne vorige bedaardheid bij het schaken, komt ons zoo ongegrond als onbeduidend voor. Toen immers wist hij nog niet dat zulks op bevel des Konings zelven geschiedde, bij wien hij welligt voornemens was regt te vorderen wegens deze schenddaad, die hij denkelijk door een' wellustigen hoveling gepleegd achtte, en dus ondersteunde zijn geloovig vertrouwen op God de hoop bij hem, dat zijne sara nog niet voor hem verloren was, gelijk hij nu eerst vernam. Macquet stemt zelf toe dat abrahams vertrouwen op God belette, dat hij tot wanhoop verviel, doch dat het der natuur geweld aangedaan geweest zou zijn, bijaldien hij in zulk een' staat zonder angstvallige gedachten had kunnen blijven 3. Hoogvliet heeft, naar ons gevoelen,

[p. 351]

der natuur in deze omstandigheden wel degelijk hare regten toegekend: de gezanten,

 
verwondert en beducht
 
Om deze ontsteltenis 1,

vertrekken wederom naar Memsis; abraham

 
keert zich om, en dreigt wel driemaal, vol van rou,
 
Hen toe te roepen: ach! die Sara is mijn Vrou;
 
En driewerf houdt de vrees zyn lippen toegesloten 2.

's Mans toevlugt tot den Almagtigen om hulp en redding is krachtig, doch tegen het Opperwezen te zeggen:

 
Wij struikelen gelijk de dronkaarts op de straat 3.

vinden wij plat en laag, en is misschien aan den wansmaak van 's dichters leeftijd 4 toe te schrijven. Op dit gebed

 
schoot d'Almachtige, by schoon en helder weêr
 
Aan Abrams rechterhand een' lichten bliksem neêr;
 
En liet, niet lang daarna, uit zyne azuure zalen,
 
Een' zachten donderslag van verre nederdalen 5.
[p. 352]

Wij twijfelen met macquet 1 of dit teeken wel op de regte plaats is, maar geenszins dat de ware God zich aan zijne gunstgenooten nooit op deze wijze geopenbaard heeft, gelijk hij stellig zegt 2; hij had Exod. XIX, vs. 16 slechts behoeven te lezen, om daarvan schriftuurlijk overtuigd te worden. Het is mogelijk dat hoogvliet deze plaats van virgilius op het oog gehad heeft:

 
Vix et satus erat senior, subitoque fragore
 
Intonuit laevum, et de caelo lapsa per umbras
 
Stella facem ducens multâ cum luce cucurrit 3;

maar daarom zien wij nog geene reden om zulks met macquet af te keuren, hoewel wij het met hem eens zijn, dat niemant in een Christelijk dichtstuk, hoedanig de Abraham toch niet is, zulks behoort te volgen 4.

Het tweede boek begint met de beschijving van de Hemelsche stad en Hemelsche raadzaal, dus luidende:

 
Daar is een wondre stat, bewoont van Hemellingen,
 
Ver boven zon en maan, en all' de starrekringen;
 
Gebout door d'Almaght in het ongenaakbaar licht,
 
Eer 't wightigh aardrijk, 't grof gevaarte was gesticht.
 
De straten zijn van gout, de schitterende muuren
 
Van Jaspis en Topaas, die d'eeuwigheit verduren;
[p. 353]
 
De fondamenten zijn van enkel Diamant,
 
Niet opgemetselt door een menschelyke hant,
 
Maar door den Kunstenaar en Bouheer aller dingen,
 
Wiens eer en heerlykheit de Hemelburgers zingen,
 
Met duizent stemmen, op een zuiver feestmuzyk.
 
In deze stat is 't hof van 't eeuwigh koningkryk,
 
De rykstroon van den Vorst en Koning aller Koningen,
 
Gesticht in 's Vaders huis vol heerelijke woningen.
 
't Almaghtigh wezen heeft, van onvergangbre stof,
 
Een heerlyke opperzaal gezoldert in dat hof,
 
Wiens dak is van Kristal; de wanden zijn Agaten,
 
En vlammende Robyn, en gloeiende Granaten,
 
De vloer is geplavyt met blaauwen Hyacint,
 
Smaragt en Sardonix, Safier, die 't oog verblindt;
 
Met Amethisten en Berillen, fyn geslepen,
 
En door 't Oneindige Vernuft in gout gegrepen,
 
Dit was de raadzaal van de hoogste Majesteit 1.
[p. 354]

In deze hemelsche raadzaal stond

 
eene tafel van geslepen Diamant,
 
Waar in de Vader der genade, lang voorleden,
 
Zelf met zyn' vinger had het Vreêverdragh gesneden,
 
Het welk de Middelaar, door zyn beloofde doot,
 
Met Godts Rechtvaerdigheit en Menschenliefde sloot.
[p. 355]
 
Daar lagen op 't eene eint de boeken der verbonden;
 
Van Godts besluiten, 't boek des levens, en der zonden,
 
En 't boek van zyn belofte en woort, 't welk open lag 1.

Deze zaal schittert in ons oog zoodanig, dat wij vrezen zouden er ons blind op te staren. ‘'t Blinkt overal van zilver, goud, diamanten, robijnen, granaten, saffieren en velerleije andere gesteenten, allen zekerlijk, hoe hoog bij ons in waarde, in het oog der Godheid niets dan loutere beuzelingen, en beter geschikt, om eenen Heidenschen hemel naar den smaak zijner zinnelijke bewoners met een' aardschen luister op te pronken, dan om een waardig denkbeeld te geven van den zetel des Almagtigen. Trouwens, soortgelijke blinkende afbeeldingen van grootsche voorwerpen en hoogdravende voorstellingen van verhevene zaken vindt men meermalen, niet alleen bij hoogvliet, maar ook bij andere Dichters van naam, zekerlijk, omdat zij van oordeel zijn, het groote, het verhevene niet beter dan door flikkerende beelden of met zwierige en sterkklinkende woorden uit te kunnen drukken; doch deze gedachten stroken zoo weinig met den smaak en het gevoelen van andere kundige lieden, dat deze wel eens den beminnaren van zulke schitterende nietigheden, (zoo als zij ze noemen) de regte kennis der ware verhevenheid openlijk ontzegd, en op dien grond onzen

[p. 356]

hoogvliet zelfs in dit stuk niet zeer gunstig beoordeeld hebben. Een gevoelen, 't welk, schoon vrij gestreng, echter met de meerdere beschaving van den smaak ook meer en meer velds wint 1.’

Het dichterlijk vernuft, eens aan het afdwalen, vervalt niet zelden van de eene uitsporigheid in de andere; bij homerus maken de Goden ons somwijlen aan het lagchen, bij virgilius veranderen schepen in zeegodinnen, schiet een speer wortel in het daarmede doorboord ligchaam van polydorus, en groeit op tot een' boom in de aarde, waarin het begraven is; nog niet wonderbaar genoeg! Aeneas wil een' tak van dien boog afbreken, doch er loopt bloed uit de schors, en de begravene beklaagt zich in den grond dat hij hem verscheurt. Wij kennen de toverijen in tasso's Jerusalem, het Pandaemonium en de Hemelsche artillerie in miltons Paradijs, de misselijke vermenging van Heidensche en Christelijke mythologie in de Lusiade van camoëns, die wij ook in den willem III van rotgans afkeuren; maar de hemelraad, dien hoogvliet in deze blinkende zaal laat vergaderen, is een wonderbaar, zoo gewaagd, zoo strijdig met de algemeene grondstellingen van den Christelijken godsdienst, zoo wel als met het wijsgeerig begrip van een één en onverdeeld Hoogst Wezen, dat al de toegevendheid, die men ter gunste der poëtische fictie inroept, dezelve niet behoeden kan voor de diepste afkeuring van elk die eerbied

[p. 357]

jegens het Opperwezen heeft, en slechts in hem gelooft, die geene andere goden nevens zich duldt. Welk eene ergerlijke vernuftsuitsporigheid, de goddelijke eigenschappen van God zelven af te zonderen en daar eene soort van staatsraad van te maaken, die zijn advijs uitbrengt aangaande de wijze om abraham zijne sara weder te bezorgen! Welk eene tastbare tegenstrijdigheid, dat men een wezen, van deszelfs eigenschappen afgezonderd, en daardoor tot eene soort van caput mortuum gemaakt, evenwel als toch met die eigenschappen vereenigd moet blijven beschouwen! Het zou ons ligter vallen ons hier een' hoogvliet zonder gezond oordeel en goeden smaak voor te stellen, dan een' God zonder almagt, wijsheid, enz.; en genomen, deze personificatie 1 liet men, op het voorbeeld van anderen, gelden voor eene dichterlijke vrijheid 2,

[p. 358]

welk een wonderlijk passief figuur maakt hij, die gebiedt, en het is er, die spreekt, en het staat er, in dezen allegorischen staatsraad! welk eene stof tot spotten levert de dichter, onwillens, den Godontkenneren, bijaldien het mogelijk is, dat er zulke ongelukkigen gevonden worden! ‘Zoo dit alles,’ zegt de edele de kruyff 1, ‘op rekening van het vernuft moge doorgaan, dan, dunkt ons, moet een Dichter het voorrecht bezitten van de grootste ongerijmdheden zonder aanstoot voor den dag te brengen; een voorrecht waarlijk, 't geen veelen ter hunner verschooninge wel hoogst noodig ware, maar, over het geheel, der kunst bij verstandigen luttel aanziens zou geven.’

[p. 359]

Uitnemend fraai is Gods aanwezigheid beschreven in deze vergaderzaal,

 
Daar 't eeuwigh Wezen,(met geen denkbeelt af te meten) 1.
 
Dat enkel leven is, en geest, en majesteit,
 
Een wondre blijk geeft van zyn tegenwoordigheit,
 
En laat zyn Heerlijkheit, in een kolom van stralen
 
Besloten, boven 't hooft der Hemelgrooten dalen;
 
Met zulk een' heldren glans en onbegryplyk licht,
 
Dat al de luister van de zaal verdooft en zwicht;
 
Dat zelfs de goude zon hier by zou duister schynen,
 
De maan beschaamt zyn, en het bleek gestarnt verdwynen 2.

De laatste regel is volstrekt overtollig; de maan en het bleek gestarnt komen in geene aanmerking bij een' glans die het licht der zon verduistert. Macquet keurt dezen regel insgelijks af 3.

De aanspraak, waarmede het Hoogste Wezen deze vergadering opent, is in ons oog niet alleen zwak en zenuwloos, maar zelfs onbetamelijk; na aan zijne eigenschappen zaken verhaald te hebben, die zij wisten, hetgeen de woorden:

 
Het heugt u allen,
[p. 360]

duidelijk te kennen geven, komt eigenlijk het punt van deliberatie hierop neder:

 
Indien men dit niet weer',

namelijk het voltrekken van sara's huwelijk met farao,

 
daar 't staat in onze maght;
 
Dan kan 't afgodisch volk myn' wil en wet doen wyken 1.
 
Dan moet het koningryk van myn genâ bezwyken 2;
 
Dan zinkt de grontvest van het aartsche kerkgebou.
 
Indien men dit niet weere, indien men deze vrou
 
Niet haastigh redde, en doe aan Abram wedergeven;
 
Dan zal 't geloof nooit in het menschlyk harte leven.
 
Vergeefsch is dan myn Raat des vredes; dan is 't uit
 
Met myn belofte, woort, en waarheit en besluit.
 
Myn hemelsche bazuin riep daarom u te samen,
 
Om 't beste middel voor myn eere te beramen 3.

Het is ons onbegrijpelijk hoe de brave, godsdienstige hoogvliet zich het Opperste Wezen als zulk een' zwakk' monarch heeft kunnen voorstellen, die eene raadsvergadering moet beleggen, om middelen te beramen tot behoud van zijne eer, even als of hem die door eenig menschlijk vermogen benomen kon worden! Dat Troje om het schaken van helena verwoest werd, is, zoo niet

[p. 361]

waar, ten minsten waarschijnlijk; maar welke waarschijnlijkheid is er toch dat de eer van God met de schaking van sara gemoeid zou zijn? Welk een zwak koningrijk, dat bezwijken moet, als zeker huwelijk voltrokken wordt! Met een aardsch koningrijk is dit mogelijk, en in de geschiedenis niet zonder voorbeeld; maar het koningrijk van Gods genade!.... Inderdaad, parny voert geene erger taal in zijne Guerre des Dieux.

Na het eindigen van deze Gode geheel onwaardige aanspraak, neemt Regtvaardigheid het woord. Deze wil maar dadelijk vonnissen en om den beul zenden, doch dit advijs wordt afgekeurd door de Almagt. ‘Maar kon Gods Regtvaardigheid,’ vraagt macquet 1, ‘wel zoo voorbarig, en als in drift tot iets besluiten, dat de Almagt niet zoude goedvinden uit te voeren?’ Langmoedigheid is verdraagzaam, en raadt tot het oefenen van geduld; Barmhartigheid adviseert eigenlijk niets, en schreit en jammert maar om den afgodendienst der Egyptenaars; doch wordt door Wijsheid onder het oog gebragt, dat in eene vorige vergadering besloten is, gelijk uit de notulen blijkt,

 
dit volk een lange reeks van dagen,
 
Tot voller mate van zyn zonden, te verdragen 2,

en dat zij middel weet om sara uit de magt van

[p. 362]

farao te verlossen, namelijk door hem haar huwelijk te ontdekken met abraham;

 
Doch, opdat hy de hant niet sla aan Abrams leven,

zegt zij,

 
Zal ik den Koning aan 't wellustigh lichaam slaan 1.

In al deze advijzen is iets, gelijk macquet zoo scherpzinnig als juist aanmerkt 2, dat tegen de borst stuit. In het oordeel van Regtvaardigheid ligt iets, dat naar voorbarige drift gelijkt, iets willekeurigs, dat ook dadelijk door de Almagt en de andere goddelijke deugden wordt afgekeurd; maar levert dit een gezond wijsgeerig denkbeeld van de goddelijke Regtvaardigheid op? Wat deze aanraadt, is volstrekt billijk, en moet door de andere goddelijke deugden goedgekeurd worden, en hier wordt nogtans het advijs der Regtvaardigheid door het Hoogste Wezen verworpen, hetwelk zich aan dat van de Wijsheid houdt, en beveelt hetzelve te bewerkstelligen. Hoe kan toch iemand, vragen wij met reden, naar den raad der Wijsheid handelen, die het voorschrift der Regtvaardigheid verwerpt? Een regter kan wel eens onberispelijk van het voorschrift der Geregtigheid in sommige omstandigheden afwijken, maar nooit van dat der Regtvaardigheid, die ook dan nog het rigtsnoer zijner handelingen

[p. 363]

moet blijven. Macquet behandelt dezen aanstotelijken hemelraad over het algemeen vrij wat toegevender dan wij; hij zou, zegt hij 1, deze vinding, als zeer dichtkundig beschouwen, indien zij maar niet streed tegen het ware van onzen, dat is den Christelijken godsdienst; doch er komen in dit dichtstuk immers meer zaken voor, die daarmede strijdig en evenwel toch onergerlijk zijn; maar de vinding is even zoo min dichtkundig als wijsgeerig goed; de dichtkunst, ja, mag scheppen en het gewone pad verlaten, maar het gezond oordeel moet haar blijven verzellen, en het blijkt niet dat dit bij hoogvliets Muse het geval geweest is. Hij heeft baarblijkelijk den godenraad van homerus, virgilius en ovidius willen copieren; doch hun polytheismus strookt geheel niet met onze begrippen van een eenig Hoogst Wezen, te verheven, om als een aardsch Koning voorgesteld te worden, die met zijn' staatsraad de middelen beraamt om de eer zijner kroon te handhaven. De driftigste bewonderaars van hoogvliet moeten het ons ten goede houden, dat wij deze vinding, in plaats van als stout te bewonderen, als roekeloos, met diepe afkeuring verwerpen.

Maar zoo veel te meer moeten wij onze goedkeuring aan de uitmuntend fraaije episode van het feest van isis geven, hetwelk oorzaak der vertraging van 's Konings voorgenomen huwelijk met sara, en dus niet, gelijk men zegt, met de haren er bij

[p. 364]

gesleept is. De beschrijving van dit feest is eene rijk gestoffeerde schilderij van de godsdienstplegtigheden der oude Egyptenaren. De aanleiding tot deze feestviering beschrijft hij volgendermate:

 
Maar Isis, Koningin, en moeder van de goden,
 
Had vuur en haart, en was by yder hoogst geroemt,
 
En hemelsche Prinses, en vrou van d'aard' genoemt;
 
De Teelster der Natuur, de Koningin der geesten,
 
Gemeene Baarmoêr van de menschen en de beesten,
 
Noodschikster van 't saizoen, die 't aardryk zegen geeft,
 
En 't eerst gebruik van wyn en graan gevonden heeft:
 
Ja met nogh grooter reeks van tytelen en namen
 
Begroetten ze Isis, als zy in haar' tempel kwamen,
 
En wierook offerden, en stortten hun gebeên;
 
Want Isis gaf het al: ja Isis was alleen
 
Het heil, de vruchtbaarheit, voor jeugdige echtelingen;
 
Der vrouwen hoop, van wie zy barenskracht ontfingen.
 
Men zeit, dat zy weleer, met godt Osyr gepaart,
 
De goden Harpokraat en Horus hadt gebaart:
 
Dat Thison, d'Afgodt van het kwaat en van de zonden,
 
Haar' echtgenoot Osyr vermoorde met veel wonden,
 
En zy in diepen rou haar egaas leden zocht,
 
Dieze eindlyk vindende vol druks ten grave brocht:
 
Maar dat ('t geen wonder luidt) een os zich toen vertoonde;
 
Waarin de godtheit van Osiris zichtbaar woonde;
 
Die straks, met groote vreugt voor elk ten toon gestelt,
 
Werd aangebeden, en bewaart voor 't stout gewelt
 
Des wreeden Thisons, die, toen hem de wraak vergruisde
 
Der toornige Isis, in een Krokodil verhuisde.
 
Men zegt ook, dat dit beest toen Apis werd geroemt,
 
En zyne godtspraak door Egipte was benoemt.
[p. 365]
 
Maar dit is zeker, dat men by d'Egiptenaren,
 
Op Isis feestdagh, met kerkplichtige gebaren,
 
Osiris doot beweende, en dat men, na 't geklag,
 
Het bly verschynen van den Osgodt vieren zag 1.

In dezen zesdaagschen rouwtijd waren alle vermaken verboden, en 's Konings huwelijk kon dus eerst na het eindigen van denzelven plaats hebben. Maar inmiddels wordt hij met booze zweren aan zijn ligchaam gekweld,

 
Die 't hart verflaauwen en de drift tot wellust weren 2.

De beschrijving van dit rouwfeest is regt schilderachtig, vol leven en beweging:

 
Thans hoort men dagh aan dagh, in plechtige ommegangen,
 
Osiris wreeden moort in rou- en treurgezangen
 
Beklagen: yder toont zyn' druk en boezemsmart;
 
Al 't hof is in den rou, de tempels zyn met zwart
 
Behangen, en men ziet den Koning, en zyn magen,
 
De Grooten, en den Raat, nu mirtetakken dragen.
 
Dus wordt de staatsy pracht en luister bygezet.
 
De hofstoet volgt den sleep met eenen tragen tret.
 
De hoofden hangen, en de wapentuigen slepen.
 
Heel Memsis volgt, en is van druk in 't hart benepen.
 
Maar Isis priesterschap, gekleet in wit gewaat,
 
Die met een naar geluit den bangen boezem slaat,
 
Heeft, tot een blyk van druk, het aangezicht geschonden;
 
Het hooft geschoren; en het lyf met diepe wonden
 
Gesneên; en huilt en zucht, en steent van bangen noodt,
 
Tot eer van Isis druk, en van Osiris doot.
[p. 366]
 
Men heeft de pynboomtelg, of alsemtak in handen.
 
De Sister knerst, en slaat op zyne kopren randen,
 
Verjaagt nu Thisons geeft door 't schor en naar geluit,
 
En lokt de zuchten van het volk ten boezem uit.
 
Men ziet Anubis met zyn' hontskop ommedragen,
 
Die 't lyk had opgespeurt, dat Thison had verslagen,
 
En vogel Ibis, die aan Isis heiligh is,
 
Een ry van knapen torst, tot haar gedachtenis,
 
De gouden korenmaat, omdat ze haar beschouwen
 
Als d'eerste Leermeestres van 't heilryk akkerbouwen;
 
En 't zilvren watervat, het welk den Nyl beduidt,
 
Dien ze overlopen doet, en in zyn boorden sluit.
 
Voorts volgen, by 't geluit van kopren rinkelbommen
 
En grove trommelen, een reeks van heiligdommen;
 
En wierookvaten, en gereetschap, en al wat
 
De plechtigheit van dien afgodendienst bevat.
 
Dus gaat de staatsy dagh aan dagh door breede straten,
 
En 't naar geloei duurt 's nachts nog even uitgelaten;
 
Wanneer de menigte, gevloeit uit alle steên,
 
Uit Panos, en Bubaste, en Koptos, en Syëen,
 
Den nacht tot eenen dagh herschept door duizent lampen,
 
En zoekt Osiris lyk, en klaagt om zyne rampen.
 
Maar als de zesde dagh verscheen van 't hooge feest,
 
Dan rees de druk in top, dan was ook d'aandrang meest,
 
Opdat, wanneer de nacht nu weder zou verdwynen,
 
Een yder hoopte dat godt Apis mogt verschynen 1.

Eindelijk nadert deze blijde zevende dag:

 
Wanneer de dageraat, met rozen opgehult,
 
In 't fyn oranje kleet de kimmen had vergult,
[p. 367]
 
Stont reeds een menigte, met uitgestrekt verlangen,
 
Voor Isis tempeldeur om haren godt t'ontfangen.
 
Hy moest verschynen met de zon, of 't werd gelooft,
 
Dat heel Egipte hing een onheil boven 't hooft;
 
Omdat Osiris, die in Apis zich vertoonde,
 
Dat licht regeerde, en 't lant met vruchtbaarheit bekroonde.
 
Wanneer de zon nu pas tot aan de kimmen rees,
 
Was yders hart beklemt, als tusschen hoop en vrees,
 
Daar duizent oogen van de hooge transsen staren;
 
Maar naaulyks had zy, uit een zee van gouden baren,
 
't Volschapen aangezicht geheven boven 't nat,
 
Dat gouden droppen in het glansryk wezen spat,
 
Of d'Osgodt naderde, en begon geloei te maken;
 
De kopren tempeldeur te knarsen en te kraken,
 
En langsaam t'openen, daar komt nu Apis aan,
 
Met zilvren horens, net gekromt gelyk de maan;
 
Hy treedt ten tempel uit, verzelt van al de reien
 
Van Isis priestren, die hem door de straten leien.
 
Nu steekt al 't volk de keel van vreugde teffens op.
 
De stat is vol gejuich, de blytschap ryst in top.
 
Men zwaait de sluiers, en wat meer den druk verbeeldde,
 
Nu over 't hooft, het staat thans over tot de weelde.
 
Elk zingt, en springt, en roept; gezegent is de dagh,
 
Dat men Osiris weêr in Apis vinden mag!
 
't Weêrgalmt van Isis lof, en Apis groot vermogen.
 
Dus volgt de menigte, tot daar men voor hare oogen
 
Den geurgen offerwyn, met aarde en zout gemengt,
 
Op zynen witten kol, voor 't zwarte voorhooft, plengt.
 
Daar wordt een kostlyk kleet, van boven tot beneden,
 
Met dierbaar gout bestikt, gehangen om zyn leden.
 
Dus wordt hy naar het koor, daar hy zyn woning heeft,
 
Geleidt, vanwaar hy al dien dagh elk antwoort geeft 1.
[p. 368]

De toestand van sara onder het feestgewoel, haar angst en radeloosheid bij het