Hoogvliet (Arnold). ‘Elk, wien het lust, of de eer der vaderlandsche kunst ter harte gaat, voldoe zijn nieuwsgierig verlangen,’ zeggen wij met den schranderen jan de kruyff 2, ‘en worde onder het lezen der volgende levensschets, evenzeer als wij onder derzelver opstelling, meer en meer bezield met een' dankbaren eerbied voor de verdiensten van een' zijner waardigste landgenooten.’ Deze levensschets levert nogtans niets
buitengewoons en zoo weinig belangrijks op, dat wij ze gemakkelijk door onze critische beschouwing van 's mans algemeen geachte dichtwerken kunnen heen vlechten. Even vrijmoedig en onpartijdig als wij, nog weinig bladzijden vroeger, ons oordeel omtrent de verdiensten van hooft geuit hebben, en even zeer verwijderd van blinde bewondering en onbedachte napraterij van oppervlakkige loftuiters, als van bekrompen vitzucht en verwaande betweterij, hoopen wij ook billijk regt te doen aan hoogvliets uitstekende verdiensten, zonder het oog te sluiten voor gebreken, die eene gezonde critiek zoo wel in hem als in ieder anderen moet afkeuren.
Hoogvliet aanschouwde het licht te Vlaardingen, op den 3 Julij 1687. Zijne ouders waren johannes hoogvliet en katarina paspoort, beiden van deftigen geslachte. De opvoeding van den jongen arnold was meer ingerigt om hem tot eenig ambt of burgerlijk beroep op te leiden, dan wel om zijnen geest ter beoefening van eenige geleerde wetenschap te ontwikkelen; hij werd dienvolgens, twaalf jaren oud zijnde, als klerk bij een' notaris geplaatst, en vervolgens naar Dordrecht gezonden, om aldaar den post van schrijver of boekhouder in de Bank van lening waar te nemen. Hier won hij weldra de genegenheid en vriendschap van targier, den bak en van bracht, beminnaars en oefenaars der dichtkunst. De gemeenzame verkeering met dezen boezemde hem ook weldra genegenheid en lust tot dezelve in; hij beproefde insgelijks zijne krachten, en zijne
eerstelingen vonden aanmoediging bij zijne dichtlievende vrienden, met wier minzame onderrigting hij voordeel deed; doch hoe meer vorderingen hij maakte, hoe meer hij zijne zwakheid gevoelde en het gebrekkige zijner pogingen inzag. Hij begreep te regt, dat het gemis der taalkennis een groote hinderpaal was tot het maken van vordering van eenig belang; door ijver en vlijt kon dezelve uit den weg geruimd worden, en hoogvliet begon in den ouderdom van twintig jaren zich in het Latijn te oefenen. De langwijlige verdrietige schoolsche leertrant verveelde hem weldra, en eigen oefening deed hem spoedig grooter vorderingen maken dan het onderwijs hem kon bijbrengen. Op raad zijner vrienden beproefde hij het vertalen van eenig stuk, en zijne keus viel op de Feestdagen van ovidius. Naauwelijks was hij daarmede begonnen, of de uitmuntende schoonheden van den weligen Sulmoner troffen hem dermate, dat zijne eigen zangdrift op nieuw ontwaakte, en hij besloot om dit werk, in stede van in proza, in dichtmaat te vertalen, welke vertaling hij dan ook met veel ijvers voltooide en in 1719 in het licht gaf, en die in 1730 door een' tweeden druk werd gevolgd.
Wij kunnen niet zeggen dat hoogvliet met het vertalen der Fasti zich eene gemakkelijke taak had opgelegd; het verwondert ons zelfs dat zijne keus niet liever op eenig ander dichtwerk van ovidius gevallen is, en wij zijn het eens met de kruyff‘dat eene goede Nederduitsche berijming der Feest-
dagen beter een werk ware voor de geöefende krachten eens grijzen kunstenaars, dan geschikt om het proefstuk te zijn van een' zwakken leerling, hoedanig echter de jonge hoogvliet, bij den aanvang zijner onderneming met recht genoemd mogt worden 1.’ En naar ons gevoelen voldoet hoogvliets arbeid geenszins aan de vereischten eener goede dichterlijke vertaling. In plaats van los en bevallig, is zij op sommige plaatsen plat, stijf en gewrongen; hij heeft niet alleen den zin, maar zelfs de woorden willen overzetten, en, waar dit onmogelijk was, de oorspronglijke Latijnsche woorden met derzelver verklaring berijmd, waardoor zijne vertaling beuzelachtig, somtijds zelfs belagchelijk wordt, bij voorbeeld:
Er behoort geen fijn verstand toe om het bespottelijke van dit capitaal verstand in te zien.
Wij zouden eene menigte platprozaïsche plaatsen kunnen afschrijven, als dezen:
Hij laat Mars een zeker renspel aanschouwen,
en zegt dat de 9 Mei
De genealogie van caesar 5 is volmaakt in den smaak van abraham gewan izaak, ende izaak gewan, enz.
Wij zouden vrezen onzen lezers te vervelen, indien wij nog meer van deze gekheden afschreven. Ongunstiger kon, naar ons gevoelen, hoogvliet zich niet wel als dichter aankondigen dan juist met deze ganschlijk mislukte vertaling, die, zonder eenige schade voor onze Nederduitsche letterkunde, gerustelijk achterwege had kunnen gebleven zijn, waarin, ja, de zin, of liever de doode letter, des oorspronglijken dichters wel bewaard gebleven is, maar waaruit de levende geest geheel en al verloren is gegaan. In een woord, hoogvliet was geheel
niet tot het dichterlijk vertalen van dit werk berekend, hetwelk zelfs voor een' feitama, doornik, barbaz, en andere groote meesters in de vertaalkunst een Herculeus labor zou geweest zijn. Denkelijk heeft hij dit naderhand zelf ook wel ingezien, en wijsselijk liever de impulsie van zijne genie gevolgd om liever als lofwaardig oorspronglijk dichter op te treden dan als berispelijk vertaler, en na de uitgave van zijn' Abraham feitama van harte het schrale genoegen gegund van twintig jaren lang over de vertaling van voltaires Henriade angstvallig te zitten zwoegen en schaven, en zich verder met geen vertalen meer ingelaten, maar zijn kunstvermogen op eene edeler wijze aangewend in het bearbeiden van zijn' Abraham den Aartsvader.
Hij kreeg de aanleiding tot het ontwerpen van dit dichtstuk bij de volgende gelegenheid: De dichter op zekeren tijd uit kinderlijke genegenheid bij het ziekbedde van zijn' grijzen vader wakende, hield zich bezig met het verbeteren der drukproeven zijner vertaalde Feestdagen, die in dien tijd gedrukt werden. De zwakke grijzaard wist dit, en schepte genoegen in de vorderingen van zijn' zoon, doch kon niet nalaten hem te betuigen dat het hem aangenaam zou zijn, bijaldien dit dichtstuk, in plaats van het Heidensch bijgeloof te verheffen, de eer van den eenigen waren God kon bevorderen. Deze vrome wensch eens stervenden vaders was een wenk voor den godsdienstigen zoon. Naauwelijks waren
dan ook de sterkste aandoeningen der smart, om het kort daarop gevolgd afsterven des braven ouden mans gelenigd, of de weldenkende zoon was bedacht om aan zijn' vaders verlangen te voldoen, en koos den aartsvader abraham tot zijn' onderwerp. Onmiddellijk begaf hij zich aan den arbeid, zettede dien onafgebroken met lust en ijver voort, tot aan het begin des tienden boeks, wanneer hij, door eene hevige ziekte aangetast, den arbeid eenige maanden moest staken, doch weldra nam hij na zijne herstelling denzelven weder bij de hand, en voltooide gelukkig dit beroemde dichtstuk, hetwelk, in twaalf boeken verdeeld, in het jaar 1727 voor de eerste maal te voorschijn kwam.
Ondertusschen had hij te Dordrecht gemeenzamen omgang met den zilversmit willem van der ruit, en daardoor gelegenheid om eenige kundigheden in dat beroep te verwerven, weinig denkende dat hij dit eenmaal zelf bij de hand zou vatten, want voorziende dat hij zijne plaats in de Bank van lening eerlang aan een' ander zou moeten inruimen, begaf hij zich in den ouderdom van zesentwintig jaren naar Amsterdam, om aldaar den post van Boekhouder in eene voorname suikerrafinaderij waar te nemen, wiens eigenaar den vorigen om geringe geschillen had ontslagen, doch de twist na eenigen tijd weder bijgelegd zijnde, moest hoogvliet zijn' voorganger weder plaats maken, waardoor hij zich op nieuw buiten bestaanmiddel bevond. De beruchte actiehan-
del van 1720 bezorgde hem vervolgens den post van Boekhouder bij eene maatschappij, eerst te Delfstshaven, en vervolgens te Vlaardingen; doch het spoedig verval van dien dwazen windhandel en het te niet gaan der opgerigte maatschappijen beroofde andermaal hoogvliet van zijn bestaanmiddel, zoo dat hij zijne toevlugt nam tot den zilversmits winkel zijns oudsten broeders, die, buitendien eene goede kostwinning hebbende, denzelven aan hem afstond. Hier vond hij bij een stil en gerust leven een onbekrompen bestaan, huwde den 30 November 1735 met ida van der ruit, de dochter van zijn' ouden Dordschen vriend, en zag zich ook met het ambt van Tafelhouder der Bank van lening begunstigd, hetwelk door zijn' vader en oudsten broeder bekleed en door den dood van den laatsten opengevallen was 1. Dus gelukkig en onbekommerd levende, verzamelde hij de vruchten eener vijfentwintig jarige dichtoefening bijeen, met uitzondering van de Feestdagen, over welken wij ons gevoelen reeds gezegd hebben, en den Abraham, dien wij straks eenigzins uitvoerig zullen beschouwen, en gaf dezelven onder den titel van Mengeldichten in 1738 in het licht. De verzameling bestaat grootendeels uit bruilofts-, lijk-, verjaar- en andere gelegenheidsgedichten, die voor de personen, aan wie ze gerigt
zijn, somwijlen zeer veel, voor het gelijktijdig publiek zeer weinig, en voor de nakomelingschap volstrekt geene waarde hebben, als het geene meesterstukken van poëzij zijn. Wij willen over dezen bundel niet strenger oordeelen dan de kruyff er over geoordeeld heeft. ‘Sommigen’ zegt hij 1, ‘beantwoorden weinig aan den verworven roem des dichters, en zijn hunnen vader onwaardig 2.’ Die reeds verworven roem heeft ook welligt deze middelmatige en weinig beduidende verzen met inschikkelijkheid doen ontvangen, althans in een tijdvak dat men het van dichters gewoon was, dat zij dergelijke gelegenheidsrijmen het publiek opdischten. Wij zullen dus onze aandacht ook niet langer
tot dezen bundel bepalen, maar dezelve een oogenblik vestigen op het in 1740 uitgegeven hofdicht Zydebalen; dit is inderdaad een fraai en deftig gedicht; ongemeen heeft ons altijd dit echt dichterlijk brok daarin behaagd:
En dit heeft de ‘Hofheer,’ david van mollem, ook edelmoediglijk gedaan, vereerende aan hoogvliet, uit erkentenis voor dit dichtstuk, een' fraaijen zilveren penning van ongemeene grootte, wegende anderhalf pond, en met groote kosten alleen tot een geschenk voor hoogvliet vervaardigd 2.
De zucht voor zijne geboorteplaats dreef hem om haren lof te bezingen in eene dichterlijke beschrijving van derzelver lotgevallen, koophandel, visscherijen, enz.; en zoodanig eene gerijmde topographie was geenszins eene gemakkelijke taak; ondertusschen is zijne Eerkroon voor de stede Vlaerdinge tevens eene eerkroon voor zijne dichterlijke bekwaamheden; men oordeele:
Dit dichtstuk is mede afzonderlijk in 1743 uitgegeven; doch beiden worden ook gevonden in het Vervolg der Mengeldichten, die hij in 1753 in het licht gaf, en waarmede hij in zijne klimmende jaren afscheid nam van den zangberg, nadat hij veertig jaren lang de lier met roem gehanteerd had. Zijne overige tien laatste levensjaren sleet hij in stille rust, tot een langzaam verval van krachten zijn naderend sterfuur aankondigde. Hij zag hetzelve gelaten te gemoet, bereidde zich tot een vreedzaam Christelijk einde, en stierf, op den 17 October 1763, in hetzelfde huis waar hij geboren was, en werd onder een aanzienlijk geleide zeven dagen daarna plegtig begraven. Zijne weduwe overleefde hem tot den 20 Maart 1789 2.
's Mans karakter is uitmuntend geschetst door jan de kruyff 3; hij bezat, volgens zijn getuigenis, ‘een hart, vatbaar voor de verhevene aandoe-
ningen van liefde, medelijden en goedwilligheid, gevormd tot de beste deugden des gezelligen levens, en gepaard met een' vriendelijken, zachten, vrolijken, somtijds driftigen, maar altijd bescheiden, altijd oprechten inborst: Zie daar het beminnelijk hart. Eene ziel, geschikt tot onvermoeide werkzaamheid, versierd met de uitmuntendste vermogens, en verrijkt met een' schat van nutte kundigheden: ziedaar de uitmuntende ziel. Een gedrag, onbevlekt door lage of schandelijke bedrijven, ingerigt naar de strengste wetten der matigheid en regtvaardigheid, maar bovenal eerwaardig door mannelijke godvrucht: Ziedaar het Christelijk gedrag; ziedaar den geheelen hoogvliet. Zulk een mensch’ zegt hij, met reden, was, ‘bij de liefde en achting zijner tijdgenooten, der goddelijke gunsten waardig; wij bespeuren er ook de zigtbare blijken van in den zeldzamen zegen eens gelukkigen ouderdoms, terwijl de welvaart van zijn huis, het genot eener bestendige gezondheid en de streelende kalmte eener geruste ziel zich, als zoo vele bijzondere bronnen van genoegen, vereenigden om de hachelijke dagen der grijsheid, zoo menigwerf de akelige schemering van sukkelingen, kommer, wroeging en ellende, tot een' stillen helderen en blijden avondstond te vormen van een werkzaam en godsdienstig leven’.
Thans zullen wij overgaan tot de beschouwing van zijn beroemd dichtstuk, Abraham de Aarts-
vader, hetwelk elf malen herdrukt en jaren lang, even als de werken van cats, als huisboek in verscheiden deftige huisgezinnen aangetroffen werd. Wij zijn zeker de eersten niet die dit werk uit een critisch oogpunt beschouwen, en wij zouden ons den arbeid ligt kunnen maken als wij onze lezers naar het daarover geschrevene daarmede instemmend heen wezen; dan niettegenstaande wij gevaar loopen dat onze handelwijze misschien zal afgekeurd worden door de geenen, welke, gelijk de kruyff hen omschrijft, ‘door blinden eerbied vervoerd, gewoon zijn zelfs de minst ongunstige aanmerking tegen eenen zoo begunstigden dichter, als hoogvliet, voor heiligschennenden laster aan te zien 1’, zullen wij toch onzen eigen weg
in deze beschouwing bewandelen, en, zelfs, waar zulks voegzaam is, de metacritiek te baat nemen, om de vroegere beoordeelingen even zoo bescheiden als vrijmoedig te toetsen, zonder ons blindelings door lofspraak tot prijzen, of door vittende magtspreuken tot verachten te laten bewegen.
Wij zullen het geschil niet weder aanroeren of de Aartsvader een heldendicht is of niet. Volgens de theoriën, die men sedert aangaande het heldendicht ontworpen heeft, kan hetzelve op dien naam geene aanspraak maken, en wij houden het met den Heer de vries voor eene ‘Poëtische Levensbeschrijving, gevolgd naar eenige oorkonden, waaraan men zich heilig houden wil 1’, en hetzelve behoort dus tot die soort van cyclische gedichten, die den levensloop van den held des onderwerps tot zijn' dood toe volgen. De stijl en houding heeft deze dichtsoort meer dan eens met het epos doen verwarren.
De soort dus bepaald hebbende, waaronder dit dichtstuk gerangschikt moet worden, zullen wij het onderwerp en deszelfs behandeling, de schoonheden en gebreken met eene onpartijdige waarheidsliefde beoordeelen en doen opmerken.
Het onderwerp van dit dichtstuk behelst, gelijk men weet, de voornaamste levensbijzonderheden van den stamvader des Joodschen geslachts, gewislijk eene belangrijke persoonaadje. De keus van dit
onderwerp was dus niet ongelukkig. Wij zien niet in, dat ‘noch sieradiën van Heidenen ontleend, noch eigenvinding, noch vrije schildering hier haren invloed ten goede konden doen gelden, gelijk de Heer de vries wil 1, daar wij bij het doorbladeren des gedichts van het tegendeel overtuigd worden. Hoe ongunstig deze oordeelkundige schrijver ook over den aanleg en de houding van het werk moge denken, als naar den geest dier tijden te stijf, houdt hij hetzelve ‘des niet te min voor een zeer uitmuntend en verdienstelijk werk, leerzaam van zaken en rijk in dichterlijke schoonheden 2,’ en daarvoor houden wij het ook, ondanks de vele gebreken en den wansmaak, die in hetzelve heerschen en bij het menigvuldig goede en schoone geweldig afsteken. ‘Schoon met velen,’ zegt de kruyff 3, en wij met hem, ‘over den aanleg en de schikking des dichtstuks, om der kunst en des kunstenaars wille, niet ten volle te vreden, bewonderen wij niet te min hetzelve hooglijk in de uitvoering;’ en inderdaad, dit dichtstuk, hoe gebrekkig in sommigen der deelen, levert toch een voortreffelijk geheel op, hetwelk zijn' verworven roem nog lang zal handhaven. Het is als het ware eene poëtische schatkamer van oud-
heid-, aardrijks-, geschied- en staatkunde; doormengd met de schoonste lessen van wijsheid, deugd en zedelijkheid, voorgedragen in deftige vloeijende verzen, ademende overal reine godvrucht en geloovig vertrouwen op de Voorzienigheid. Waarlijk, wij namen altijd het boek met eene zekere achting in handen, dat ons zoo menigmaal geroerd en gesticht heeft, ook dan nog, toen wij misstal en leemten in hetzelve begonnen op te merken.
Thans zullen wij de bijzondere deelen des dichtstuks aan eene critische beschouwing onderwerpen, en ieder bijzonder afhandelen.
Wij bevroeden niet waarom de dichter aanheft met den lezer te berigten, dat hij eene berijmde vertaling der Feestdagen van ovidius heeft geleverd. Dezelve was immers reeds gedrukt en verkrijgbaar. Het is als of hij grooten roem stelt in dien zwakken, kwalijk uitgevallen, en, strikt genomen, onnutten arbeid, wanneer hij dus emphasisch begint:
En wanneer wij dit onder het lezen mogten vergeten hebben, dan wordt zulks ons nogmaals herinnerd op het einde des werks:
De antithesis, in welke deze herinnering voorgedragen wordt, is gewrongen en onjuist; de Fasti en de Abraham zijn geheel ongelijksoortige gedichten, verschillende zoo wel in onderwerp als in vorm, en kunnen dus niet in tegenstellende aanraking komen. Als hoogvliet gezegd had: Milton zong van den Duivel, ik van de Godheid, ware de antithesis goed en juist geweest 2. De dichter had deze herinnering hier en de zes eerste regels gerust kunnen weglaten, en zijn gedicht beginnen met
De voorstelling in den aanhef van eenig dichtstuk kan niet te beknopt, eenvoudig en duidelijk zijn; zij is als het ware eene korte schets van het geheele stuk, en geeft den lezer dadelijk te kennen wat hij te verwachten heeft.
De op deze voorstelling volgende aanspraak aan de godgeleerde schrijvers, waarbij hij hen verschoning vraagt, dat hij zich bij het zamenstellen van dit dichtstuk van hunne schriften bediend heeft, is geheel overtollig, want zulks stond hem volkomen vrij; nog ongepaster is zijne apostrophe tot de ongeloovigen:
zegt hij. Maar waarom niet? ‘Ongeloovigen’ zeggen wij met macquet 2, ‘kunnen immers wel ‘goede kenners en beminnaars der poëzij wezen; en mogelijk zal een Dichter, zoo zijne kunst kracht genoeg heeft, kunnen medewerken om
hen te overtuigen van het gewigt en belang van den godsdienst, door het schoon karakter van zijnen held, dat men zelfs aan het ongeloof vrijlijk mag voorstellen tot een model van navolging, en welk een groot vermogen de dienst van God heeft op allen die hem vrezen.’ Had hoogvliet deze bedenking overwogen, hij zou gewis niet, tegen zijne bedoeling, zoo bekrompen als belachelijk nedergeschreven hebben:
dus alleen voor de joden, waaronder hij waarschijnlijk de minste lezers gevonden heeft. Het is waarlijk of de dichter met deze woorden het Christelijk publiek van de lezing van zijn werk uitsluit, dat toch gewis zijne mening niet kan geweest zijn.
De aanroeping om bijstand aan het Opperwezen is deftig en krachtig; op deze regels:
merken wij nogtans aan dat grieven, wonden kwetsen, leedverwekken beteekenende, slechts door eenig scherp geweer, en, overdragtelijk, door hoonende uitdrukkingen, maar geensins door vuur geschieden
kan, en dat ook deze uitdrukking ten aanzien van de Godheid niet verkieslijk is. De regel:
is reeds door anderen op zeer goede gronden afgekeurd 2.
De dichter begint zijn werk met de komst van abraham in Egypte, hetwelk hij uitmuntend fraai beschrijft, hoezeer wij anders met deze geographische poëzij weinig op hebben. Hier slaat abraham zijne tenten op,
Natuurlijk en teder schetst hoogvliet sara's bekommering voor de vervolging der wellustige Egyptenaren:
Deze vraag is bespottelijk, en wekt onwillekeurig den lach op. Eene vijfenzestigjarige schoone, die bang is voor verleiding, boezemt ons eene zonderlinge gewaarwording in. Doch laat ons ernstig blijven.
Meermaals maken de dichters met goed gevolg gebruik van droomen. De beängste sara droomt ook dat haren abraham eene schoone roos ontstolen wordt; zij verhaalt hem dezen droom,
Had de dichter ons niet een oogenblik te voren den preciesen ouderdom van sara gezegd, wij zouden haar bij deze zwierige regels voor eene pas getrouwde vrouw van twintig jaren gehouden hebben.
Abraham stelt haar gerust zoo goed als hij kan, en zegt hetgeen men gewoonlijk bij zulke gelegenheden zegt.
De Koning verneemt inmiddels de aankomst van abraham met zijn huisgezin, en zendt drie vorsten, om te vernemen wie deze vreemdelingen zijn. Zij keeren des avonds te rug, doen den Koning verslag, verheffen sara's schoonheid, en melden hem tevens dat zij abraham heer of haren broeder noemt. De Koning ontsteekt hier op in minnedrift, en geeft bevel om de vreemde schoone te schaken en aan het hof te brengen. De hier ingevlochten moralisatie des dichters over de vleijerij is mat, bestaat uit honderdmalen verbruikte gemeene plaatsen en doet niets ter zake. De schaking wordt uitgevoerd, terwijl abraham voor het aanbreken van den dag in het naaste woud zijn morgengebed deed. Sara riep vergeefs om hulp,
Er was evenwel opschudding genoeg:
maar ondanks al dit schreeuwen en gerucht kon abraham niet hooren, denkelijk, om dat hij in slaap gevallen was - neen, dit denkbeeld heeft de dichter zoeken te verwijderen, door den lezer vooraf te berigten, dat hij, in den donker, in het bosch zat te mediteren, want
zegt hij,
Althans sara was weggevoerd, zonder dat haar man er iets van wist, of dat zijn neef loth of zijne herders dit hadden kunnen of durven beletten. Dit was nu zeker wel een schendig stuk, dat ieders afkeuring verdient, maar het is wansmaak en louter bombast, wanneer de dichter de geheele natuur een misbaar deswegens laat maken als of er eene geheele Sabijnsche maagdenroof gepleegd ware:
Wat nu abraham betreft,
Niets van dit alles; hij blijft bedaard in dit ongeval, vestigt zijn vertrouwen op God; in een woord,
Hier is het karakter van abraham zeer wel bewaard; en deze geloofsvastigheid des Aartsvader behaagt ons oneindig meer dan dat de zon vergeet te schijnen om sara's wegvoering, die der zon tamelijk onverschillig geweest zal zijn.
In dezen toestand wordt hij bezocht en vertroost door zijn' vriend loth. Schoon blinkt bij deze gelegenheid abrahams geloof:
De dichter verhaalt wijders de beweging, die er te Memsis ontstaat over sara's schaking; alles loopt naar het koninklijk paleis,
en geen wonder! eene op hoog bevel geschaakte schoone van vijfenzestig jaren zou te Parijs of te Londenzoo wel eene menigte volks op de been brengen als te Memsis. De beschrijving van het vertrek, waarin zij gehuisvest is en deszelfs meubelering, ‘geven blijken,’ zegt macquet 2 ‘van eene natuurlijke, rijke vinding;’ wij zouden zeggen van minutieuse beuzelachtigheid; men kan wel denken, dat zij fatzoenlijk gelogeerd geweest zal zijn. De Koning doet den staatsraad vergaderen, om ja te zeggen tot zijn voorgenomen huwelijk met sara, doch hetwelk om het invallend feest van Isis eenige dagen uitstel vordert. Ondertusschen beveelt de Koning inmiddels dat de toebereidselen tot dit feest en zijn huwelijk gemaakt worden en aan abraham geschenken te zenden, van welken ons nu de inventaris medegedeeld wordt. Het gezantschap komt bij abraham met de geschenken:
Abrahams gemoedsgesteldheid bij het ontvangen dezer geschenken, zoo wel als op het vernemen van het ophanden huwelijk des Konings met zijne sara, is natuurlijk en fraai geschetst; bij het ontvangen der geschenken is hij stil weemoedig, beklemd van hart en gedwongen dankbaar; hij ziet een onweder boven zijn hoofd zamentrekken, welks uitbarsting hij vreest. Men maakt hem het voornemen des Konings bekend, en
Deze laatste regel is uitmuntend: stomme smart is dikwijls de welsprekendste.
Het stilzwijgen van droefheid, schrik en verbazing schildert treffend den hoogen graad dezer hartstogten. Bij virgilius laat mercurius in het midden van zijne rede tegen aeneas zijne sterfelijke gedaante varen en verdwijnt uit zijn gezigt:
De aanmerking van macquet 2, dat deze hevige ontsteltenis van abraham niet zeer overeenkomt met zijne vorige bedaardheid bij het schaken, komt ons zoo ongegrond als onbeduidend voor. Toen immers wist hij nog niet dat zulks op bevel des Konings zelven geschiedde, bij wien hij welligt voornemens was regt te vorderen wegens deze schenddaad, die hij denkelijk door een' wellustigen hoveling gepleegd achtte, en dus ondersteunde zijn geloovig vertrouwen op God de hoop bij hem, dat zijne sara nog niet voor hem verloren was, gelijk hij nu eerst vernam. Macquet stemt zelf toe dat abrahams vertrouwen op God belette, dat hij tot wanhoop verviel, doch dat het der natuur geweld aangedaan geweest zou zijn, bijaldien hij in zulk een' staat zonder angstvallige gedachten had kunnen blijven 3. Hoogvliet heeft, naar ons gevoelen,
der natuur in deze omstandigheden wel degelijk hare regten toegekend: de gezanten,
vertrekken wederom naar Memsis; abraham
's Mans toevlugt tot den Almagtigen om hulp en redding is krachtig, doch tegen het Opperwezen te zeggen:
vinden wij plat en laag, en is misschien aan den wansmaak van 's dichters leeftijd 4 toe te schrijven. Op dit gebed
Wij twijfelen met macquet 1 of dit teeken wel op de regte plaats is, maar geenszins dat de ware God zich aan zijne gunstgenooten nooit op deze wijze geopenbaard heeft, gelijk hij stellig zegt 2; hij had Exod. XIX, vs. 16 slechts behoeven te lezen, om daarvan schriftuurlijk overtuigd te worden. Het is mogelijk dat hoogvliet deze plaats van virgilius op het oog gehad heeft:
maar daarom zien wij nog geene reden om zulks met macquet af te keuren, hoewel wij het met hem eens zijn, dat niemant in een Christelijk dichtstuk, hoedanig de Abraham toch niet is, zulks behoort te volgen 4.
Het tweede boek begint met de beschijving van de Hemelsche stad en Hemelsche raadzaal, dus luidende:
In deze hemelsche raadzaal stond
Deze zaal schittert in ons oog zoodanig, dat wij vrezen zouden er ons blind op te staren. ‘'t Blinkt overal van zilver, goud, diamanten, robijnen, granaten, saffieren en velerleije andere gesteenten, allen zekerlijk, hoe hoog bij ons in waarde, in het oog der Godheid niets dan loutere beuzelingen, en beter geschikt, om eenen Heidenschen hemel naar den smaak zijner zinnelijke bewoners met een' aardschen luister op te pronken, dan om een waardig denkbeeld te geven van den zetel des Almagtigen. Trouwens, soortgelijke blinkende afbeeldingen van grootsche voorwerpen en hoogdravende voorstellingen van verhevene zaken vindt men meermalen, niet alleen bij hoogvliet, maar ook bij andere Dichters van naam, zekerlijk, omdat zij van oordeel zijn, het groote, het verhevene niet beter dan door flikkerende beelden of met zwierige en sterkklinkende woorden uit te kunnen drukken; doch deze gedachten stroken zoo weinig met den smaak en het gevoelen van andere kundige lieden, dat deze wel eens den beminnaren van zulke schitterende nietigheden, (zoo als zij ze noemen) de regte kennis der ware verhevenheid openlijk ontzegd, en op dien grond onzen
hoogvliet zelfs in dit stuk niet zeer gunstig beoordeeld hebben. Een gevoelen, 't welk, schoon vrij gestreng, echter met de meerdere beschaving van den smaak ook meer en meer velds wint 1.’
Het dichterlijk vernuft, eens aan het afdwalen, vervalt niet zelden van de eene uitsporigheid in de andere; bij homerus maken de Goden ons somwijlen aan het lagchen, bij virgilius veranderen schepen in zeegodinnen, schiet een speer wortel in het daarmede doorboord ligchaam van polydorus, en groeit op tot een' boom in de aarde, waarin het begraven is; nog niet wonderbaar genoeg! Aeneas wil een' tak van dien boog afbreken, doch er loopt bloed uit de schors, en de begravene beklaagt zich in den grond dat hij hem verscheurt. Wij kennen de toverijen in tasso's Jerusalem, het Pandaemonium en de Hemelsche artillerie in miltons Paradijs, de misselijke vermenging van Heidensche en Christelijke mythologie in de Lusiade van camoëns, die wij ook in den willem III van rotgans afkeuren; maar de hemelraad, dien hoogvliet in deze blinkende zaal laat vergaderen, is een wonderbaar, zoo gewaagd, zoo strijdig met de algemeene grondstellingen van den Christelijken godsdienst, zoo wel als met het wijsgeerig begrip van een één en onverdeeld Hoogst Wezen, dat al de toegevendheid, die men ter gunste der poëtische fictie inroept, dezelve niet behoeden kan voor de diepste afkeuring van elk die eerbied
jegens het Opperwezen heeft, en slechts in hem gelooft, die geene andere goden nevens zich duldt. Welk eene ergerlijke vernuftsuitsporigheid, de goddelijke eigenschappen van God zelven af te zonderen en daar eene soort van staatsraad van te maaken, die zijn advijs uitbrengt aangaande de wijze om abraham zijne sara weder te bezorgen! Welk eene tastbare tegenstrijdigheid, dat men een wezen, van deszelfs eigenschappen afgezonderd, en daardoor tot eene soort van caput mortuum gemaakt, evenwel als toch met die eigenschappen vereenigd moet blijven beschouwen! Het zou ons ligter vallen ons hier een' hoogvliet zonder gezond oordeel en goeden smaak voor te stellen, dan een' God zonder almagt, wijsheid, enz.; en genomen, deze personificatie 1 liet men, op het voorbeeld van anderen, gelden voor eene dichterlijke vrijheid 2,
welk een wonderlijk passief figuur maakt hij, die gebiedt, en het is er, die spreekt, en het staat er, in dezen allegorischen staatsraad! welk eene stof tot spotten levert de dichter, onwillens, den Godontkenneren, bijaldien het mogelijk is, dat er zulke ongelukkigen gevonden worden! ‘Zoo dit alles,’ zegt de edele de kruyff 1, ‘op rekening van het vernuft moge doorgaan, dan, dunkt ons, moet een Dichter het voorrecht bezitten van de grootste ongerijmdheden zonder aanstoot voor den dag te brengen; een voorrecht waarlijk, 't geen veelen ter hunner verschooninge wel hoogst noodig ware, maar, over het geheel, der kunst bij verstandigen luttel aanziens zou geven.’
Uitnemend fraai is Gods aanwezigheid beschreven in deze vergaderzaal,
De laatste regel is volstrekt overtollig; de maan en het bleek gestarnt komen in geene aanmerking bij een' glans die het licht der zon verduistert. Macquet keurt dezen regel insgelijks af 3.
De aanspraak, waarmede het Hoogste Wezen deze vergadering opent, is in ons oog niet alleen zwak en zenuwloos, maar zelfs onbetamelijk; na aan zijne eigenschappen zaken verhaald te hebben, die zij wisten, hetgeen de woorden:
duidelijk te kennen geven, komt eigenlijk het punt van deliberatie hierop neder:
namelijk het voltrekken van sara's huwelijk met farao,
Het is ons onbegrijpelijk hoe de brave, godsdienstige hoogvliet zich het Opperste Wezen als zulk een' zwakk' monarch heeft kunnen voorstellen, die eene raadsvergadering moet beleggen, om middelen te beramen tot behoud van zijne eer, even als of hem die door eenig menschlijk vermogen benomen kon worden! Dat Troje om het schaken van helena verwoest werd, is, zoo niet
waar, ten minsten waarschijnlijk; maar welke waarschijnlijkheid is er toch dat de eer van God met de schaking van sara gemoeid zou zijn? Welk een zwak koningrijk, dat bezwijken moet, als zeker huwelijk voltrokken wordt! Met een aardsch koningrijk is dit mogelijk, en in de geschiedenis niet zonder voorbeeld; maar het koningrijk van Gods genade!.... Inderdaad, parny voert geene erger taal in zijne Guerre des Dieux.
Na het eindigen van deze Gode geheel onwaardige aanspraak, neemt Regtvaardigheid het woord. Deze wil maar dadelijk vonnissen en om den beul zenden, doch dit advijs wordt afgekeurd door de Almagt. ‘Maar kon Gods Regtvaardigheid,’ vraagt macquet 1, ‘wel zoo voorbarig, en als in drift tot iets besluiten, dat de Almagt niet zoude goedvinden uit te voeren?’ Langmoedigheid is verdraagzaam, en raadt tot het oefenen van geduld; Barmhartigheid adviseert eigenlijk niets, en schreit en jammert maar om den afgodendienst der Egyptenaars; doch wordt door Wijsheid onder het oog gebragt, dat in eene vorige vergadering besloten is, gelijk uit de notulen blijkt,
en dat zij middel weet om sara uit de magt van
farao te verlossen, namelijk door hem haar huwelijk te ontdekken met abraham;
zegt zij,
In al deze advijzen is iets, gelijk macquet zoo scherpzinnig als juist aanmerkt 2, dat tegen de borst stuit. In het oordeel van Regtvaardigheid ligt iets, dat naar voorbarige drift gelijkt, iets willekeurigs, dat ook dadelijk door de Almagt en de andere goddelijke deugden wordt afgekeurd; maar levert dit een gezond wijsgeerig denkbeeld van de goddelijke Regtvaardigheid op? Wat deze aanraadt, is volstrekt billijk, en moet door de andere goddelijke deugden goedgekeurd worden, en hier wordt nogtans het advijs der Regtvaardigheid door het Hoogste Wezen verworpen, hetwelk zich aan dat van de Wijsheid houdt, en beveelt hetzelve te bewerkstelligen. Hoe kan toch iemand, vragen wij met reden, naar den raad der Wijsheid handelen, die het voorschrift der Regtvaardigheid verwerpt? Een regter kan wel eens onberispelijk van het voorschrift der Geregtigheid in sommige omstandigheden afwijken, maar nooit van dat der Regtvaardigheid, die ook dan nog het rigtsnoer zijner handelingen
moet blijven. Macquet behandelt dezen aanstotelijken hemelraad over het algemeen vrij wat toegevender dan wij; hij zou, zegt hij 1, deze vinding, als zeer dichtkundig beschouwen, indien zij maar niet streed tegen het ware van onzen, dat is den Christelijken godsdienst; doch er komen in dit dichtstuk immers meer zaken voor, die daarmede strijdig en evenwel toch onergerlijk zijn; maar de vinding is even zoo min dichtkundig als wijsgeerig goed; de dichtkunst, ja, mag scheppen en het gewone pad verlaten, maar het gezond oordeel moet haar blijven verzellen, en het blijkt niet dat dit bij hoogvliets Muse het geval geweest is. Hij heeft baarblijkelijk den godenraad van homerus, virgilius en ovidius willen copieren; doch hun polytheismus strookt geheel niet met onze begrippen van een eenig Hoogst Wezen, te verheven, om als een aardsch Koning voorgesteld te worden, die met zijn' staatsraad de middelen beraamt om de eer zijner kroon te handhaven. De driftigste bewonderaars van hoogvliet moeten het ons ten goede houden, dat wij deze vinding, in plaats van als stout te bewonderen, als roekeloos, met diepe afkeuring verwerpen.
Maar zoo veel te meer moeten wij onze goedkeuring aan de uitmuntend fraaije episode van het feest van isis geven, hetwelk oorzaak der vertraging van 's Konings voorgenomen huwelijk met sara, en dus niet, gelijk men zegt, met de haren er bij
gesleept is. De beschrijving van dit feest is eene rijk gestoffeerde schilderij van de godsdienstplegtigheden der oude Egyptenaren. De aanleiding tot deze feestviering beschrijft hij volgendermate:
In dezen zesdaagschen rouwtijd waren alle vermaken verboden, en 's Konings huwelijk kon dus eerst na het eindigen van denzelven plaats hebben. Maar inmiddels wordt hij met booze zweren aan zijn ligchaam gekweld,
De beschrijving van dit rouwfeest is regt schilderachtig, vol leven en beweging:
Eindelijk nadert deze blijde zevende dag:
De toestand van sara onder het feestgewoel, haar angst en radeloosheid bij het