|
|
|
| |
[Pieter Leonard van de Kasteele]
Kasteele (Pieter Leonard van de) werd
geboren in 's Hage, den 13 Augustus 1748, uit een zeer
deftig geslacht. Zijn vader,
jacob van de kasteele, was Raad in de
vroedschap aldaar. Reeds vroegtijdig gaf hij blijken van ongemeene zucht voor
de fraaije letteren, en aan de Hoogeschole te Utrecht tot
regtsgeleerde opgeleid wordende, geraakte hij in vriendschap met den
voortreffelijken
hieronymus van alphen, die deze
| | | | zucht verder in hem ontwikkelde en aankweekte. In 1771 en 1772
verscheen deze godvruchtige en zeer verdienstelijke dichter voor het eerst op
den Nederduitschen zangberg met twee deelen, inhoudende
Proeven van Stigtelijke Mengelpoëzij, die
hij gemeenschappelijk met van alphen in het licht gaf, en waarin het fraaije
dichtstuk De Zee
1 van
zijne hand is, schoon men hetzelve wel eens ten onregte aan den eersten heeft
toegeschreven.
Een' geruimen tijd practizeerde hij als Advokaat in 's Hage,
en werd in onderscheiden politieke commissiën gebruikt, als Fiskaal bij
militaire vierscharen als anderszins, en was Amanuensis der Commissarissen tot
de nieuwe berijming der Psalmen, in 1773. Hij trad toen ook in huwelijk met
geertruida craeijvanger, uit welk huwelijk
den 26 Maart 1780 de verdienstelijke zanger van het 's Gravenhaagsche
Bosch
2, Mr.
jacob carel van de kasteele, geboren is,
wiens moeder kort na deze geboorte overleed. In 1782 werd hij tot Raad en
Pensionaris der stad Haarlem benoemd, en als zodaanig
doorgaans naar de vergaderingen der Staten van Holland afgevaardigd,
alwaar hij een voornaam spreker was. In 1784 hertrouwde hij met Mevrouw de Wed.
van leyden, geboren gallé, bij wie
hij eene dochter won, die met hare moeder hem overleefde. Gedurende de onlusten
van 1786 en vervolgens ijverig de zaak der | | | | Patriotten toegedaan
zijnde, werd hij bij de omwenteling van 1787 uit dezen post ontslagen. Hij nam
de lier weder ter hand, en gaf in 1790 te Utrecht een' bundel
Gezangen in het licht, geheel van
godsdienstigen en stichtelijken inhoud. De verzameling bestaat uit weinige,
maar inderdaad uitmuntende stukken, die zich in alle opzigten voordeelig
onderscheiden boven zoo vele anderen in dit vak. Onmogelijk kunnen wij nalaten
de eerste helft af te schrijven van het heerlijk dichtstuk met het
opschrift:
Aan God.
Gelijk op de zee, door den luister beschenen
Mijne oogen slechts grootheid, geen eindpaal ontdekken,
En scheemren voor 't licht -
Zo zie ik op U! aller schepselen Vader!
Dit stof, deze weereld ontbreekt het aan klanken,
Verrukking, verbaasdheid is al ons vermogen,
Al predikt de schepping uw glorie; wij missen
Maar U te genieten is meer voor uw schepslen
En ô! dat genieten, - 't heeläl zou verdwijnen, -
| | | |
Te ontfangen, te aanbidden, voor u te verstommen,
Dat 's de eer van den mensch.
Ver boven 't begrip van uw schepslen te wezen,
Welk eene taal! welk eene verhevenheid! en - welk eene
eenvoudigheid! Jood, Christen en Muzelman zeggen, bij de uitboezeming van zulk
een gevoel jegens het Hoogste Wezen, eenstemmig amen!
In 1793 gaf hij het eerste deel eener voortreflijke metrische
vertaling der Gedichten van
ossian in het licht. Wij bejammeren het
dat de volgende deelen achterwege zijn gebleven; de toenmalige
tijdsomstandigheden en de kort daarop volgende inval der Franschen zijn welligt
daarvan de oorzaak; althans hij betrad in 1795 weder het staatstooneel, en werd
tot de Nationale Vergadering geroepen, van welke en het Wetgevend Ligchaam hij
meermalen voorzitter geweest is. Hij werd tot de aanzienlijkste staatsambten
benoemd, vooral in het vak der geldmiddelen, en was een der voornaamste
bewerkers van de ineensmelting der gewestelijke schulden. Ten tijde van Koning
lodewijk was hij steeds een der voorzitters van den Staatsraad, en bij de
verplaatsing van den zetel des gouvernements naar Utrecht en
Amsterdam, bleef hij echter in die hoedanigheid in 's Hage
resideren, waar hem gewigtige commissiën werden opgedragen, en hij den 10
April 1810 overleed, en dus niet in 1811, na de vernietiging | | | | van
ons volksbestaan, gelijk de Heer Van Kampen verkeerdelijk opgeeft
1.
Zeer veel genoegen hebben wij ook gevonden in zijne vertaling der
Oden van
klopstock en
wieland, in 1798 te Haarlem
uitgegeven. Inderdaad, zoo iemand, dan was het van de kasteele, die bekwaam en
bevoegd was om deze godsdienstig-verhevene meesterstukken te vertolken, wier
inhoud, volgens zijne verklaring, met regt niet anders dan allerbelangrijkst
beschouwd kan worden. Wij kunnen deze uitmuntende overzettingen gerustelijk als
modellen den ondernemeren van gelijksoortigen arbeid aanbevelen.
Het moeit ons dat wij verder niets aangaande dezen voortreffelijken
man kunnen berigten. Nu en dan is ons nog wel eenig afzonderlijk dichtstuk van
hem onder het oog gekomen
2; welligt zijn
er nog veel onuitgegevenen voorhanden, die het algemeen met genoegen zou
ontvangen
3.
|
1Proeven van St. Mengelp. bl. 285.
2In 1822 bij de Gebroeders van cleef
gedrukt.
1Geschied der Lett. en Wetenschappen, II Deel,
bl. 481.
2In de Mnemosyne, II St. bl. 101 vindt
men een zeer fraai dichtstuk van hem, getiteld: De Zon. Hij was ook
begonnen aan een dichtstuk, Henoch genaamd, waarvan hij slechts een'
zang voltooide; het verder plan is zelfs niet op schrift.
3Wij ondersteunen hier zoo krachtdadig mogelijk
den wenk, door den Heer van kampen t.a.p. des aangaande gegeven.
|
|