|
|
|
| |
[Cornelis Ketel]
Ketel (Cornelis)
4 werd geboren te Gouda, in het jaar 1548.
Vroegtijdig gaf hij blijken van grooten lust in de schilderkunst, waarvan een
zijner ooms, een middelmatig schilder, hem de eerste beginsels onderwees,
vervolgens werd hij, achttien jaren oud zijnde, discipel van
anthonis blockland, en vertrok in 1566
naar Parijs en Fontainebleau, waar hij
eenige maanden vertoefde, doch toen, ingevolge een bevel des Konings, dat alle
vreemdelingen, onderdanen zijnde des Konings van Spanje, gebood
Frankrijk te ontruimen, naar Gouda terugkeerde, en in 1573 naar
Engeland overstak; na acht jaren te Londen gewoond
te hebben, waar hij het portret van
elizabeth en dat der | | | |
voornaamste hovelingen schilderde, keerde hij in 1581 naar Holland
terug, en zettede zich te Amsterdam neder, waar hij zijne
overige dagen met de beöefening der schilder-, boetzeer- en dichtkunst
doorbragt. Hij was in zijn' tijd een beroemd portret- en historieschilder, en
zulk een uitmuntend kunstenaar, dat hij, volgens het getuigenis van zijn'
tijdgenoot
van mander, verscheiden stukken zonder
penseelen, enkel met duim en vingers, ja zelfs met de teenen geschilderd heeft.
In de fries van een groot stuk, op zoodanig eene wijze geschilderd, deed hij de
schilderij in de volgende verzen zulks te kennen geven:
Siet, teghen de costuymen,
Met vinghers, voet en duymen,
Ben ick geschildert heel;
Toen Ketels lust my maeckte,
In gheener wijs genaeckte
Ketel paarde inderdaad de dichtkunst aan de schilderkunst, alzoo hij
bij de meesten zijner schilderstukken, inzonderheid de allegorischen, altijd
eenige dichtregelen tot verklaring of zedelijke toepassing voegde. Sommigen
dezer versjes zijn inderdaad zinrijk, geestig, en, hetgeen in zijn' tijd iets
zeldzaams was, niet lam en stram, gelijk de rederijkers refereynen, maar
ongemeen los en vloeijend.
Van Mander heeft er eenigen bewaard; wij
zullen er hier een drietal van mededeelen. | | | |
De Hope sal, o jeucht, u niet ontrijven:
Des arbeydt vry lydtsamigh met den tydt;
Soo geest en lust uw hert ghestadigh drijven
Tot neersticheyt, ghy cryght al 't gheen ghy vryt.
De naeckte Waerheyt vry mach hier gherust wel slapen,
Ghemerckt de clare Deught ghestadich by haer waeckt,
Want ofschoon Loghenschalck haer listig meent betrapen,
Hy vindt hem haest belet, waar Deughtscracht hem op maeckt,
Die hem soo druckt en plet, dat hem de rugghe craeckt.
Climt Syons bergh hoogh op, cloeck met voorsichticheyt,
Met d'oude Ervarentheyt gaet wijslijck hier te rade.
Door kinderbobbels wort te gheener tijde verleyd,
Of u is d'ydel waen, en niet de daedt bereyd:
Die manlijck is bedaeght vercryght van Godt ghenade,
Als iongheyt mist en valt, tot eyghen schande en schade.
|
4C. van mander, Leven der Schilders, fol.
190.
|
|