|
|
|
| |
[Pieter Langendyk]
Langendyk (Pieter)
1 was de zoon
van
Arend Kort, die zijn' geslachtnaam met
dien van zijne geboorteplaats Langendijk, bij
Alkmaar, ver- | | | | wisselde; hij was Metselaar te
Haarlem, alwaar onze dichter den 25 Julij 1683, en dus niet
te Amsterdam, gelijk de Heer van kampen verkeerdelijk opgeeft
1, geboren werd. Naauwelijks zes jaren
oud zijnde verloor hij zijn' vader, een welgesteld man, die ter eigenbewoning
een huis gebouwd had in de Gierstraat over de Botermarkt. Zijne weduwe,
eene verkwistende en kwalijk oppassende vrouw, ving een' linnenwinkel aan, en
zond haren zoon met zijn tiende jaar naar Amsterdam, om
door den toenmaals zeer bekenden taalgeleerden
willem sewel in de gronden der Latijnsche
en Engelsche talen onderwezen te worden. Inmiddels verliepen zijner moeders
zaken dermate, dat zij dezelven opgaf, en met haren zoon naar 's
Hage vertrok, waar zij zich van een klein winkeltje kommerlijk
geneerden. De zoon oefende zich ondertussen in de teekenkunst, maar deze
leverde hem geene kostwinning op; doch een weefgetouw magtig geworden zijnde,
bevlijtigde hij zich zoo lang, tot hij garendamast en servetgoed weven kon.
Zijne teekenkunst stelde hem in staat om de patronen zelf te vervaardigen, en
zijne vordering in dezelve bragt hem in kennis en vriendschap met den Haagschen
kunstschilder
hendrik pola, wiens teekeningen,
verbeeldende de fabel van psyche, hij met drieënvijftig bijschriften in
den Vondeliaanschen smaak vereerde
2. | | | |
Met een voortbrengsel van zijn weefgetouw naar Amsterdam
gereisd zijnde, om hetzelve te verkoopen, geraakte hij in kennis met den Heer
prado, die hem aanstelde tot meesterknecht
over zijnen weefzolder; hij kwam dus met zijne moeder te Amsterdam
wonen, en werd kantoorbediende bij den Heer
jan brand; deze, zijne bekwaamheid in de
teekenkunst bemerkende, gebruikte hem ook tot het teekenen der patronen zijner
zijden stoffen, waarin hij zulke groote vorderingen maakte, dat
abraham verhamme hem naderhand, op eene
goede jaarwedde, tot zijn' patroonteekenaar aannam, in wiens dienst hij negen
jaren doorbragt.
Thans begon de lust tot de beöefening der dichtkunst zich bij
hem te openbaren, misschien wel door den omgang met den erbarmlijken rijmelaar
jan van gyzen
1,
wiens zoogenaamde Gedichten hij in 1708 met een brommend lofvers
vereerde. Betere proeven van zijn dichtvermogen leverde hij in 1711 met zijn
blijspel
Don Quichot op de bruiloft van Kamacho, het welk
met veel genoegen op den Amsterdamschen schouwburg werd vertoond. Dit blijspel,
door hem in den ouderdom van zestien jaren vervaardigd, en waartoe hij het
fonds nam uit den beroemden roman van
cervantes, is een zeer geestig en vrolijk
stuk, dat nog in onzen tijd behaagt
2. In 1712
werd hetzelve gevolgd door | | | | het kluchtspel
De Zwetser, en het blijspel
Het wederzyds Huwelyksbedrog; in 1715 gaf hij nog
twee blijspelen in het licht,
Krelis Louwen, of Alexander de Groote op het
Poëtenmaal
1, en
De Wiskunstenaars, of het gevlugte Juffertje. Al
deze blijspelen hebben zich tot in onzen tijd op het tooneel staande gehouden,
en worden nog met veel goedkering vertoond.
Schoon langendyk als tooneeldichter het meest tot het blij- en
kluchtspel geschikt was, beproefde hij toch ook zijne krachten aan het
treurspel, met
hermanus angelkot de behulpzame hand te
bieden in het dichtmatig overzetten van addisons
Cato, die insgelijks in 1715 in het licht kwam.
Kort daarna vertaalde hij ook het treurspel
Cato van Utica, uit het Fransch van
dechamps, het welk in 1722 in het licht
kwam; echter schijnt hij zelf begrepen te hebben dat het blijspel beter zijne
zaak was; althans hij zeide Melpomene vaarwel, en hield zich alleen aan Thalia.
De dwaasheden van het beruchte actiejaar 1720 verschafte hem stoffe tot twee
blijspelen,
Quincampoix, of de Windhandelaars, en
Arlequin Actionist, die beiden ongemeen
behaagden, zijnde het eerste vijftien en het laatste tienmalen achtereen op den
Amsterdamschen schouwburg vertoond. Behalve deze oorspronglijke blijspelen
vertaalde hij ook een Fransch blijspel, De Be-
| | | |
driegeryen
van Cartouche, of de Fransche Rovers, in 1732 gedrukt, doch hetzelve kan
bij zijne eigene stukken niet halen in vernuft en echt comiek. Na zijn' dood
kwamen nog drie geestige blijspelen van hem in het licht,
Xantippe, of het booze Wyf des filozoofs Socrates
beteugeld;
Papirus, of het Oproer der Vrouwen binnen Rome,
en
De Spiegel der Vaderlandsche Kooplieden.
Als blijspeldichter heeft langendyk ongetwijfeld buitengemeene
verdiensten; schoon wij hem zoo min den Nederlandschen plautus willen noemen,
als den livius van het Sparen, met wien, moschus en homerus,
dirk smits in een winderig bijschrift op
zijn portret hem vergelijkt
1, durven wij hem echter gerust in gelijken rang stellen met den
Franschen
molière; hem met dezen vergelijken
ware iets anders
2, schoon beide vernuften gansch
geen oneer daarmede wierd aangedaan.
Het luimige en boertige was de hoofdtrek van | | | |
langendyks dichtgeest; jammer dat zijn smaak in het comische niet beschaafder
was
1, en hij zich verledigen kon om de taak van
Focquenbroch op te vatten, door het
insgelijks zoogenaamd boertig berijmen des vierden boeks van de Aeneis
2. Wij halen
de schouders op bij deze laffe Scarronnade, niettegenstaande
l. bidloo vraagt:
- Wien is 't moogelyk van lacchen zig te onthouwen,
Daar hy ons Maro doet in 't Zondagspak beschouwen
3?
Men moge in zijn' tijd behagen gevonden hebben in dergelijke
burlesque aardigheden, tegenwoordig zou men die tot het Janhagelscomiek
rekenen, om het welk een fatzoenlijk man zich schamen zou te lagchen. Wij
achten de ruwe, gemeene taal, in sommige zijner grappige stukken, ook in de
wezenlijk geestige
Boertige beschryving van den Amsterdamschen
Schouwburg
4, eene
schatting van Lan- | | | | gendyk aan den smaak van zijn' tijd. Met meer
Attisch zout besprengd zijn zijne snel- punt- en knipdichten
1.
Zijne ernstige gedichten, inzonderheid zijne Herders- Visschers- en
Veldzangen, gelijk ook sommige Bruiloftsgedichten, hebben inderdaad zeer
veel verdiensten; alleen schijnt het dat hij zijner Muze in deze vakken wat te
veel vergde, of dat zij welligt door anderen te veel gevergd werd.
In 1720 had de Haarlemsche rederijkkamer: Trouw moet
blijken hem tot haren Factor verkoren. Deze post, dien hij tot zijn'
dood toe bekleedde, verpligtte hem om op den eersten dag van ieder jaar een
ernstig dichtstuk te leveren. De vier eerste jaren had hij daartoe
verschillende onderwerpen tot zijne stof gekozen; doch met 1724 begon hij het
leven der Graven van Holland in jaardichten te beschrijven, welk
dichtstuk hij in 1744 voltooide; met den aanvang van 1747 begon hij in
denzelfden smaak het leven van willem I, Prins van Oranje, en was
daarmede in het laatste jaar zijns levens tot het tijdstip der belegeringen van
Leyden, Alkmaar en Haarlem gevorderd. Beide deze cyclische
gedichten zijn weinig meer dan berijmde geschiedenissen, en hebben meer
historische dan poëtische waarde; zoo ook zijn gedicht op de omstreken van
Kleef en de levensloop der Aartsvaderen, in welke beide laatsten hij
zijn' voorganger
claas bruin zachtjes achterna stapt.
| | | |
In 1721 gaf hij zijne gedichten en blijspelen in twee
kwartoboekdeelen in het licht. In hetzelve vindt men een snerpend gedicht in
den smaak van
persius; hetzelve bewijst dat hij zeer
goed geslaagd zou zijn in het hekeldicht, wanneer hij zich daarop had
toegelegd. Oorspronglijke hekeldichten zijn er in onze taal weinig voorhanden:
wij nemen het alzoo des te gereeder hier over; hetzelve heeft ten
opschrift:
De zwitsersche eenvoudigheid, klagende over de bedorvene zeden
veler doopsgezinden of weerlooze Christenen
1.
De schoone eenvoudigheid, uit Mennoos kerk verdwenen,
Die zuivre hemelmaagd, is op een nieuw verschenen,
Niet in een fyn gewaad, niet kraakende van zy,
Of zweemend naar den zwier: maar in een boere py.
Hoe, zou zy die niet weet om vuil genot te waaken,
Maar beter heeft geleerd te lyden en verzaaken,
| | | |
Zich smukken met den tooi? ô neen deeze ydelheid
Volg die, die 't aardsch gemoed met aardsche schatten vleit.
Men ziet haar niet veel vlags op haaren rykdom voeren.
De kerker was haar kleed; haar ketens waren snoeren;
Haar' traanen paerlen, en haar dischbanketten kruis,
Vervolging, pyn en smaad. Zy tradt niet in haar huis
Op marmre vloeren, of Oostindiaansche matten.
Haar yzre kist was vol gekneveld geld noch schatten.
Zy dischte 't fruit niet in geschilderd porcelyn,
Of schonk 't geslepen glas tot aan de kim vol wyn,
Uit weelde of overdaad; neen, maar om zich te laaven.
Zy hadt geen rytuig met twee paerden om te draaven,
Als zy met schepen op den rynstroom herwaarts quam,
En zag met schrik de pracht der broedren te Amsterdam,
Een dertle pracht, die haar de traanen perste uit de oogen,
En dus met dubble reên tot klaagen heeft bewogen:
Is dit hetzelfde land, waarna ik heb verlangd,
Toen ik in ketenen en boeijens zat geprangd?
Bedriegt myn oog my ook? zyn dit dezelfde broeders,
Myn hulpers in den nood? naast Godt myn volksbehoeders?
ô Ja! hun mildheid maakt hen kenbaar by myn volk.
Dit straaltje deugds blinkt nog uit eene duistre wolk
Van noodeloozen twist, en bittre kerkkrakeelen,
Die ongebondenheid en zorgeloosheid teelen.
ô Gy gevallenen zyt oorzaak dat ik treur,
En myn eenvoudig kleed in zoo veel deelen scheur,
Als ik hier kerken vind, schaapskooijen, daar de wolven
Zich in verschuilen. ô Elendigen! bedolven
In 't diamante puin der waereld, 't glinstrend quaad,
Voor wien de zon der deugd beneveld ondergaat,
Gy preekt van weerloosheid, en voert terwyl de standerts,
Met legers Vlamingen, en heiren Waterlanders,
| | | |
Gewapend met den twist, geharnast met den ban,
Elk met een bitse tong, die harten quetsen kan,
Gericht ten oorlog, niet die landen kan vernielen,
Of dierbaar menschenbloed, neen, maar dat meer is, zielen.
Gy denkt dit woord is hard: noch harder is uw twist.
Ach! waar die scheur geheeld, die vlak eens afgewischt
Van 't kleed der waarheid! mocht die wond eens haast geneezen,
En Godts gemeente één hart en ééne
ziele weezen,
Hoe beurde Jezus bruid dan 't dierbaar hoofd om hoog!
Hoe zou zy, die haar knie voor Babels beeld niet boog,
Een nieuw Jeruzalem oprechten in het harte,
Zich ziende dan bevryd van ballingschap en smarte!
Hoe menig schaapje, dat nu dwaalt in de woestyn,
Wierd dan gevonden! ô! hoe heuchlyk zou zulks zyn!
Dat geldt u allermeest, ô englen der gemeente,
Die laauw geworden zyt, en 't kostlyk kerkgesteente,
Het vreedelicht, niet op den kandelaar ontsteekt,
Daar gy genoegsaam weet wat aan dat werk ontbreekt.
Slaat handen aan den ploeg. Werkt yvrig in den akker
Des heeren, zyt niet flaauw, niet slaaperig, maar wakker:
Zo worde 't onkruid, dat nu al te weeldrig groeit,
Door uwe wakkerheid gestadig uitgeroeid;
Zo zie men 't vreedelicht de vreedekerk beschynen,
En alle nevels voor haar heerlykheid verdwynen.
Wat zien wy menig pop gesmukt in wulps gewaad,
Wanneer wy met ons volk hier wandlen op de straat!
Ei zie, daar komt er een, die we als een paauw zien treeden.
Schande! half gekleed! half met ontdekte leden!
Sluit, kindren, sluit uw oog. Maar zagt waar gaatze heen?
Och in de kerk! dat 's niet uit Godtsdienst, zo ik meen:
Maar eerder om aldaar met heur gewaad te pronken,
En 't lodderig gezicht den minnaar toe te lonken,
| | | |
Die eerst zyn vrouwehair gepoederd heeft met meel,
Opdat zyn wulpsheid van de haare niet verscheel'.
Men durft dit soort naauw meer met eigen naamen heeten:
Want die zyn nu te slegt, veel te oud, en lang versleeten,
Menniste juffertjes en heeren vleit hen bet,
Dat is hunn' roem en glans best in het licht gezet.
Die naam houdt eenen toon met 't klinken van de schyven,
De wulpsheid, hovaardy, en 't tooisel hunner lyven.
Men werpt my mooglyk toe, dat, in den grond, het quaad
Min in de kleeding, dan in 't wulps gemoed, beslaat,
En dat de hovaerdy zo min in syne kantjes
Als hooge hoeden steekt, of naauwe keelebandjes;
Dat ieder naar zyn staat behoort gekleed te zyn,
Geringe liên in 't grof, de ryken in het fyn.
't Is waar, men weet het dus een' schoonen glimp te geeven:
Maar ziet men 't tegendeel niet uit het losse leeven?
Strekt niet het weerschyn kleed een spiegel voor een hart,
Een hart in de ydelheid en hovaardy verward?
En schoon hovaardigheid in 't nedrig kleed kon steeken,
't Geeft minder voorbeeld tot het volgen van gebreken.
Men durft in 't prachtig kleed veel doen dat niet betaamt,
Daar in het nedrig kleed men veeltyds zich voor schaamt.
Koom, volg my, zo 't u lust, 'k zal u een voorbeeld toonen.
Hier staan wy voor een huis, daar wulpsche lieden woonen,
Helaas! van Mennoos volk (ten minsten met den naam)
Wat zien wy hier al prachts! Wat rot men hier al t' saam
Met sleedjes! Dat's een zwier! wat strykt men met de voeten!
Hoe aartig weet die heer dat juffertje te groeten!
Hoe geestig leidt hy haar de trappen op in 't huis!
Hier moeten wy eens in. Men zal door al 't gedruis
En overvloed van volk ons mogelyk niet merken.
Dit is een groot bezoek. Voorwaar hier zyn geen klerken,
| | | |
Maar meesters in de konst der waereldsche ydelheid.
Wat wordt hier al gestrookt, gelikt, gestreeld, gevleid.
Hoe kostlyk slaat de bruid en bruigom daar te pryken.
Wat dunkt u, vindt men hier wel iemand myns gelyken?
Wordt hier de nedrigheid gevierd, en goede zeên,
In plaats van hovaardy en dertelheid? ô neen!
Zacht, wykt wat aan een zy: men zal hier, onder 't zingen
En speelen, op de maat eens huppelen en springen.
Ziet gy Herodias, hoe dat zy zwiert en zweeft
Al dertlend langs den vloer! 't schynt of zy lessen geeft,
Hoe ge een Joannes 't zwaerd door zynen nek kunt jaagen,
Om in een schotel 't hoofd de moeder op te draagen:
Maar dat 's hier 't oogmerk niet; zy heeft alleen haar net
Om 't vogeltje, dat zy wil vangen, opgezet.
Hoe vliegt de wyn in 't hoofd des jongmans (zacht 't zyn
heeren)
Wat smult men al bankets, wat kreukt men hier al
kleêren!
Wat is hier al gestoeis, al sneuklings, al pleizier!
Maar sy! ik walg er van. Vertrekken wy van hier
Helaas! ik schrik en beef! ach, myn geloofsgenooten!
Durft gy de nedrigheid aldus voor 't voorhoofd stooten?
Gy dwaalt van 't rechte pad. Keert weder. Zet uw' voet
Op d' engen weg, gebaand door Jezus martelbloed.
Gedenkt een tyd te rug van honderdvyftig jaaren.
Beziet u zelf, en denkt hoe de overoudren waren;
Deez' werkten om een schat, een onverganklyk loon;
Deeze achtten min de pracht dan 's hemels martelkroon.
De mildheid, het is waar, is hoog in u bevonden:
Maar één deugd wischt niet uit al de overige
zonden.
Godt eischt het gansche hart. Zoekt en behoudt de deugd,
Zo leeft gy namaals in een veel volmaakter vreugd.
Denkt niet, dat deeze klagt geschiede, om u te hoonen,
Neen, 'k deed 't uit liefde, om u den weg der deugd te toonen.
| | | |
Ook heb ik niemand in 't byzonder in het oog,
Dat weet de hemel, die tot klaagen my bewoog,
De hemel, die u wil zyn' dierbren zegen geeven
Door heiligmaaking, opdat gy in 't eeuwig leeven
De vreedepalm ontfangt, en de onverwelkbre kroon,
Daar de englen 's Heeren lof verbreiden voor zyn' troon
1.
Inmiddels liep de tijd ten einde, voor welken hij zich ten dienste
van den Heer verhamme verbonden had, en langendyk beproefde nu om buiten vaste
verbindtenis zijn bestaan te vinden. Zijne patronen werden door de Haarlemsche
fabrikeurs sterk gezocht, weshalve hij metter woon naar Haarlem vertrok.
Hier had hij nu een ruim bestaan, doch zijne moeder wist in sterken drank en
verwaarloosd huisbeleid de overwinst aanhoudend door te brengen. Langendyk
gedoogde dit met eene stoïsche onverschilligheid, indien slechts zijne
boekerij en prentverzameling er geen nadeel bij leden. In den winter van het
jaar 1724 kreeg hij een ongemak aan de oogen, het welk hem buiten staat stelde
om te teekenen; hij vatte dus zijne damastfabriek weder op, die hij, na het
gelukkig herstel van zijn gezigt, aanhield en verder uitbreidde. Eindelijk
stierf zijne moeder in 1727. Naauwelijks was hij van den last dezer vrouw
ontslagen, of hij haalde zich dien van eene andere op den hals, huwende nog in
hetzelfde jaar met
johannetta maria senepart,
Wier zuivre deugd zyn hart beviel;
| | | |
doch hij bedroog zich geweldig, toen hij op zijn' bruiloftsdag haar
deze vleijende verzekering deed:
Dan zullen 's Hemels Cherubynen,
ô Uitverkoren zielsvriendin!
Vervuld van zuivre hemelmin,
Om onze huwlykskoets verschynen
1;
want de cherubijnen kwamen niet, en langendyk had eene ziekelijke,
kribbige en vrij kwistige huisvrouw, het volkomen evenbeeld zijner moeder;
'k Hoef om Xantippe naar den schouwburg niet te gaan,
zeide hij:
'k Zie die comedie in myn huis genoeg voor niet
2.
Met veel geduld en langmoedigheid droeg hij bijna twaalf jaren lang
ook dezen last, tot de dood in 1739 hem van deze Megeer ontsloeg.
Zijne vrolijke luim en philosophische onverschilligheid deden
langendyk met zijne moeder en huisvrouw wederwaardigheden standvastig verduren,
waaronder menigeen, zegt een ooggetuige, zou bezweken zijn; maar ook even door
zijne geduldige inschikkelijkheid voor deze beide vrouwen hadden zijne
inkomsten zoodanig eene vermindering ondergaan, dat hij, van dezen last
ontheven, wel ver van voortaan in onbekrompenheid zijne dagen te slijten, in
1747 genoodzaakt was zijne geliefde boeken en prenten, waaraan hij veel gelds
te koste | | | | gelegd had, benevens zijn' inboedel grootendeels tot
geld te maken; en waarschijnlijk ware eene drukkende bekrompenheid in den
ouderdom zijn onvermijdelijk lot geweest, bijaldien de Haarlemsche regering
daarin niet op eene kiesche wijze had voorzien, met hem bij acte van den 5
Februarij 1749 aan te stellen tot Stadshistorieschrijver, en hem tevens
gedurende al zijn overig leven te voorzien van inwoning en onderhoud in het
Proveniershuis der stad. Met genoegen en erkentelijkheid nam hij het een en
ander aan; echter, hoewel hij nog zeven jaren leefde, en hij reeds vroeger
besloten had om
s. ampzings Beschrijving van
Haarlem, in 1682 uitgegeven, met vele aanmerkingen en vermeerderingen op
nieuws in het licht te geven, waartoe hij bereids verscheiden stukken verzameld
had, is er niets van zijn' arbeid te voorschijn gekomen, waarvoor hij mogelijk
ook niet berekend was; althans hij besteedde dien tijd aan het opstellen van
blijspelen, schoon hij in geen twintig jaren zich daarmede bemoeid had.
Xantippe het eerst voltooid zijnde, trad hij wegens de vertooning in
onderhandeling met de Regenten des Amsterdamschen Schouwburgs, doch hij
beleefde die niet; het stuk was nog niet afgedrukt, toen hij op den 18 Julij
1756 overleed.
Langendyk had inderdaad al den aanleg tot een' bevallig' en
natuurlijk' dichter, een' vluggen geest, vindingrijk vernuft, gezond oordeel en
genoegzame belezenheid; gelukkig was zijne stoïsche onverschilligheid en
vrolijke geäardheid een tegenwigt van de | | | | verdrietelijkheden,
die twee lastige vrouwlijke schepsels hem zoo vele jaren lang veroorzaakten.
‘Had hij,’ zegt de Heer de vries, ‘oefening bij natuurlijken
aanleg gevoegd, hij zou een' eersten rang onder onze dichters bekleed hebben,
daar hij zich nu, ondanks vele verdiensten, met den tweeden moet vergenoegen
1.’ Wij gelooven dat het hem niet zoo zeer aan oefening als wel
aan beschaafdheid en goeden smaak ontbroken hebbe. Somwijlen heeft hij zelfs
stoute denkbeelden met laffe woordspelingen vermengd; van
petrus scriverius sprekende,
Die Hollands Graaven uit hun graven deed
verschynen,
zegt hij tot besluit:
Schenk hem een gouden pen: zyn haren zyn laurieren
2;
en zoo op verscheiden plaatsen meer. Wij zullen dit artikel
besluiten met een' zijner losse en luimige invallen; eene satyrische waarheid,
die, vooral in ons vaderland, bijkans voor eene euangelische gelden kon.
Geld.
'k Plag weleer zo zot te wezen,
Schoon ik vry veel heb gelezen,
Dat de waereld hing aan een
Van atomen groot en kleen,
Deeltjes rond of scherp van hoeken,
Die gestaâg malkander zoeken,
| | | |
Maar 'k zie nu 't is mis gesteld,
Want zy hangt aan een van geld.
't Geld maakt vreede, 't geld doet vechten,
't Bouwt kasteelen, 't doet ze slechten;
't Geld zet ezels in den raad,
't Voert den bek van d' Advokaat,
't Brengt de Docters by de kranken,
't Komponeert Aptekers dranken,
't Roert des Ziekentroosters mond,
't Helpt de dooden in den grond;
Voor het geld van domme leeken
Hoort men vroome menschen preeken,
En voor lui van 't zelfde soort
Dansen de apen op de koort;
't Geld doet schouten schelmen vangen;
't Geld doet kleine diefjes hangen,
En het maakt de grooten vry,
Hoe besmet met schelmery;
't Geld maakt edellui van boeren,
En van luië meisjes hoeren;
Is een juffer krom of blind,
't Geld maakt dat ze een vryër vindt,
Hebben zy maar geld te tellen,
Worden 't jawoord afgevraagd,
Voor een vrolyke, arme maagd
1.
|
1Leven van p. langendyk, achter het IVe. Deel
zijner Gedichten. J. kok, Vad. Woordenb. XXII Deel, bl. 22.
1Geschiedenis der Nederl. Letteren en
Wetenschappen, II Deel. bl. 156.
2P. langendyks Gedichten, I Deel, bl.
361.
1Zie over dezen ons II Deel, bl. 449.
2Hetzelve is zoo scherpzinnig als uitvoerig
beöordeeld in den Tooneelkijker, III Deel, bl. 68.
1Van dit stuk vervaardigde de Amsterdamsche
dichter
h.j. roullaud eene Fransche vertaling, die
onder den titel:
Alexandre le grand ou le Paisan roi, in 1751
gedrukt is.
1d. smits Nagel. Gedichten, I Deel, bl.
254.
2De Heer
barbaz is van gevoelen dat Langendyk bij
zoodanig eene vergelijking zou verliezen, ( Amst. Schouwt. II Deel, No.
69, bl. 230), dat wij nog niet zien, als wij het verschil van den nationalen
smaak in het oog houden. Hij behandelt wijders drie der beste stukken van
langendyk (ald. No. 72.) meer vitzuchtig en oppervlakkig dan oordeelkundig en
grondig. ‘Het onderwerp, enz. zijn door het potsige heen, doch
leveren echter geen waar comiek op, gelijk men in de goede
Fransche blijspelen vindt,’ is eene zonderlinge critiek, die zelfs
in het hypercritische valt. Van vrij wat beter gehalte en met meer zaakkennis
geschreven is het uitvoerig overzigt van langendyks blijspelen, in den
Tooneelkijker, III Deel, No. 2.
1 Duplex omnino est jocandi genus: unum
illiberale, petulans, flagitiosum, obscoenum; alterum elegans, urbanum,
ingeniosium, facetum.
Cicero, de Offic. L. I. Cap.
XXIX. Deze twee soorten van boert heeft langendyk zoo min als zijne voorgangers
focquenbroch en
bruno onderscheiden, en zijn vernuft
somwijlen de grenzen der betamelijkheid te buiten laten gaan. Van dit gevoelen
is ook de Heer de vries ( Geschied. der Dichtk. II Deel, bl. 64),
waarmede insgelijks de Heer van kampen ( Geschied. der Ned. Lett. en
Wetensch. II Deel, bl. 157) instemt, die over het algemeen langendyk minder
gunstig beoordeelt.
2Gedichten, I Deel, bl. 453.
3Pan Poëticon Batavûm, bl.
189.
4Gedichten, III Deel, bl. 461.
1Epigrammatische Anthologie, bl. 107.
1Langendyk behoorde zelf tot geene gezindheid
der Christenen, hoewel zijn' vader de leer der Doopsgezinden beleden had; eerst
op zijn doodbed, in den ouderdom van drieenzeventig jaren, werd hij, op de
betuiging dat deze leer het meest met zijn gevoelen strookte, gedoopt. De
vroege dood zijns vaders, de slordige levenswijze zijner moeder, die, behalve
dat, als Quakerin, alle ceremoniën onnoodig achtte, en zijn ongelukkig
huwelijk, waren welligt de oorzaak van dit lang uitstellen dezer plegtigheid,
en geenszins zijne eigen onverschilligheid omtrent den godsdienst, waarvan
velen zijner gedichten, vooral de Jaarzang Emmanuel (I Deel, bl. 55.) en
het hier medegedeelde, het tegendeel ten sterksten bewijzen.
1Gedichten, I Deel, bl. 61.
1Gedichten, III Deel, bl. 250.
1Geschied. der Ned. Dichtk. II Deel, bl.
69.
2Gedichten, III Deel, bl. 148.
1Gedichten, IV Deel, bl. 253.
|
|