|
|
|
| |
[Adriaan Loosjes, Petrusz.]
Loosjes (Adriaan), Petrusz. werd den 13
Mei 1761 geboren op het eiland Texel, alwaar zijn vader
Leeraar der Doopsgezinden was. Eerlang werd deze naar
Monnikendam, en vervolgens naar Haarlem
beroepen. Adriaan aanvanglijk insgelijks tot den predikdienst bestemd zijnde,
doorliep de Latijnsche scholen, en woonde eenigen tijd de lessen bij aan het
Athenaeum te Amsterdam, doch verkoos naderhand den
boekhandel dien hij met goed gevolg te Haarlem sedert 1783 gedreven
heeft tot aan zijn' dood toe, die voorviel den 28 Februarij 1818: hij stierf
dus, gelijk de Heer
a. van der willigen hem aangaande
zegt,
middelmatig oud; doch heeft eene eeuw geleefd
2,
en met waarheid; want geen onzer vaderlandsche letterkundigen heeft
zoo veel, en, wat meer zegt, zoo veel goeds geschreven dan de onvergetelijke
loosjes; de enkele optelling der titels van zijne voortreffelijke, meest
oorspronglijke werken, zou het bijkans onmogelijk doen achten, dat in den
omvang van veertig jaren
3 een enkel mensch | | | | zulk eene menigte boekdeelen over
zeer verschillende stoffen en onderwerpen, zoowel als in verschillenden stijl
en vorm heeft kunnen zamenstellen en daarbij nog een zeer omslagtig beroep
waarnemen, zonder zelfs de genoegens des gezelligen verkeers of geoorloofde
uitspanningen daaraan te moeten opofferen, en zich te onttrekken aan de
werkzaamheden der veelvuldige posten en commissiën waarmede hij bij
aanhoudendheid belast was. Wie dit alles bedenkt, en niet weet dat de
verdienstelijke arbeidzame loosjes slechts zevenënvijftig jaren oud
geworden is, zal gewis vermoeden dat hij eene eeuw geleefd hebbe. ‘Die
zijnen tijd goed op woeker zet, verdubbelt dat geschenk tienvoudig,’ zegt
zijn lofredenaar, de Hoogleeraar
hofman peerlkamp, en dit deed loosjes van
zijne vroege jeugd af. ‘Daarom ontbrak het hem nooit aan tijd, noch om de
arbeidvolle taak, welke hij zich dagelijks voorschreef, te voltooijen, noch om
deel te nemen aan de gezellige verkeering met zijne vrienden
1.’
De levensbijzonderheden van dezen buitengemeen verdienstelijken man
lossen zich op in deze ééne bijzonderheid: onafgebroken nuttige
werkzaamheid; niet slechts met het opstellen van geschriften, maar wel
voornamelijk met het verrigten van daden, was hij een verdienstelijk lid der
menschelijke zamenleving. Als een warm voorstander van al wat edel en goed is,
vond het Haarlemsch departement der Maatschappij: Tot Nut van 't
Algemeen in loosjes
| | | | een' ijverig' oprigter, voorstander en
bestuurder, de Nationale Nederlandsche huishoudelijke Maatschappij een' getrouw
bevorderaar van hare oogmerken, zoowel als een' vurig' toejuicher
1, zijn
kerkgenootschap in verschi1lende betrekkingen een' waakzaam en verstandig'
opziener, de godshuizen een' man der weduwen en een' vader der weezen, teylers
godgeleerd genootschap een' kundig' en onpartijdig' regter, de Spaarbank een'
voorzigtig berekenaar, de instelling ter uitdeeling van warme en voedzame
spijze een bereidvaardigen verzorger
2, de letteroefenende en andere
genootschappen, waarvan hij lid was, een ijverig, werkaaam lid, gelijk zijne
bijzondere vriendenkringen en ieder gezelschap, dat hij bezocht, geest en leven
kregen door zijne aangename gesprekken, gulle scherts en ongedwongen
vrolijkheid
3; zoo had | | | | hij nog den laatsten avond van
zijn leven, weinig uren voor zijn' dood, in het gezelschap: Oefening in
Wetenschappen
1, een zeer naïf dichtstukje voorgelezen: zoodat men zeggen
kon dat hij bijna tot zijn' jongsten snik werkzaam geweest is.
In twee vakken van onze vaderlandsche letterkunde heeft loosjes zich
bijzonder voordeelig onderscheiden, als dichter en als romanschrijver, en zelfs
in de laatste hoedanigheid een' onsterfelijken roem verworven.
De gebeurtenissen in het negende decennium der achttiende eeuw
ontvlamde zijn dichtvuur. Zoo schetste hij in drie zangen den
Vaderlandschen Zeeheld, in 1781, en in vijf
zangen
St. Eustatius genomen en hernomen. Zoo stichtte
hij der vrijverklaring van Noord-Amerika in 1782 eene Gedenkzuil
met een krachtig en uitvoerig dichtstuk. In 1784 bezong hij den Admiraal m.a.
de ruiter, in tien boeken; in dit dichtstuk, dat men met meer regt heldendicht
zou kunnen noemen dan een' | | | |
Abraham, Mozes, en dergelijke
levensbeschrijving en in rym, behandelt hij den togt naar Chattam als
hoofddaad, waarbij de ruiters vroegere verrigtingen in verhalen of
welgeplaatste episoden aangevoerd worden. Inderdaad, dit dichtstuk heeft
verscheiden uitmuntend fraaije tafereelen, stoute beelden, gelukkige wendingen,
en, hoewel niet zonder gebreken, schoonheden van den eersten rang; althans het
verdiende de vergetelheid niet, waarin het meer of min geraakt was; en daar wij
toch geene der latere dichtproeven van loosjes voornemens zijn mede te deelen,
uit hoofde der meerdere bekendheid, zullen wij hier uit hetzelve eenige weinige
trekken aanvoeren, die ons oordeel zullen regtvaardigen.
Wij verkiezen daartoe al aanstonds de beschrijving van het Engelsche
volkskarakter.
Niet ver van Neêrlands kust rijst, uit het hart der
baren,
Een eiland, dat voorheen zelfs Caesars kon vervaren:
Een eiland, door zijn volk, den aardbol om, beroemd,
Brittannia voorheen, thans Engeland genoemd.
Een zeldzame aart beheerscht het hart van zijn bewoners,
Groot, beide in 't goede en 't kwade, uitstekende belooners
Van brave en stoute daên, doch in hun straffen streng,
Kloekzinnig, fier van moed. - Ja, oude wrok! geheng,
Dat wij dit wondervolk in alles regt verschaffen.
Een volk, dat, wars van dwang, geen vorst ontziet te straffen,
Bekwame kunstenaars, doorschrander, sneêg van raad;
Maar zonder eer of deugd, wanneer 't hen tegengaat,
| | | |
Dan tuk op moord en roof, vervreemd van mededoogen,
Door volksverbond noch eed tot trouw of pligtbewoogen.
Dit was 't geduchte volk, waarmede Neêrland streed
1.
De spijt van
tromp, over de verheffing van
de ruiter boven hem, is op de volgende
krachtige wijze geschetst:
De gansche Krijgsraad toont het sprekendst vergenoegen,
Door zich, verheugd van hart, naar dit besluit te voegen;
Doch Tromp vindt zich gekwetst in 't punt van krijgsmans eer,
En slaat zijn hand met drift op 't vlak der tafel neêr:
Het vuur der oogen schijnt het aangezigt te ontsteken;
Hij poogt... maar de eerste drift belet hem voort te spreken.
In 't einde barst hij uit, en 't oog blinkt door een' traan:
Wat denkt men toch van Tromp? Zou hij, met schand
belaên,
De Ruiter boven hem tot Hoofd der vloot verkoren...
ô Neen! 'k wil in dien rang nooit zijn bevelen hooren...
2
De witt tracht hem wel door klem van
redenen te bedaren, en hem zijn' pligt onder het oog te brengen; doch
Tromp knarsetandt van woede, en groet hen vol van spijt.
Een donderwolk, wier drift den wind vooruitgevlogen,
De toppen van 't gebergt doet schuil gaan voor onze oogen,
Deinst voor die hoogte wel, maar schiet, met forsch geluid,
In 't afgronddiepe dal, haar blikzemstralen uit.
Niet anders deinsde Tromp
3.
| | | |
In het tweede boek verhaalt de ruiter aan de witt zijne vroegere
verrigtingen en ontmoetingen, even als aeneas aan dido, bij
virgilius, en abraham aan den Pharao, bij
hoogvliet; deze vinding is hier zeer
gelukkig gevolgd en de ruiters verhaal door eenige anecdoten verlevendigd,
onder anderen het geval van den neger, die de ruiter in Vlissingen als
bootmansjongen had gekend, en vijftig jaren daarna aan de Afrikaansche kust hem
als Admiraal weder ontmoette. Ook het gezegde van de ruiter tegen het
scheepsvolk, bij gelegenheid der verschijning van eene komeet, is in dit
verhaal ook zeer wel aangebragt:
Inmiddels kon een star mijn moedig volk ontstellen:
Want steeds is 't bijgeloof gewoon zich zelf te kwellen.
Een ongewone star aan 's Hemels hoogen trans
Verscheen vol majesteits, met vurigrooden glans:
Haar roêgelijke staart baart bij 't gemeen ontroering;
Doch, ter beteugeling der dwaze geestvervoering,
Roep ik bij helder weêr, in 't holste van den nacht,
Mijn scheepsvolk op het dek. Sla nu naauwkeurig acht,
Dus vong ik ernstig aan, op 't wonder aan den hoogen,
Een werkstuk, voortgebragt door 't Godlijk Alvermogen.
Gij schrikt, ziet siddrend neêr: schijnt u dit licht een
roê
Der straf, voor u bereid, in 's Heeren handen, toe?
Laat af dit dwaas begrip in uwen geest te voeden.
Doch wilt ge iets van die star, mij doet zij niets vermoeden;
Welaan! zie voor den Brit, dien vijand van den Staat,
In dees komeet de roê, waarmeê Gods wraak hem
slaat.
Als 't hooploos is geheel het bijgeloof te snuiken,
Is 't best den waan des volks ten oirbaar te gebruiken
1.
| | | |
Treffend is ook de beschrijving van de pest te Londen, in het
vierde boek:
De pest, zoo blaauw als lood van aanschijn, uit de holen
Des afgronds opgedaagd, en in wier hoofd twee koolen
Van rood en doodlijk vuur, in steê van oogen, staan,
Greep met haar kille vuist het vorstlijk Londen aan,
Verspreidde schrik en dood bij Englands vlootelingen.
Weldra zag zich de pest door haren stoet omringen:
De kwijning volgde haar, de moedloosheid verscheen,
En de adem van den dood blies door de wijken heen.
Het negenduizendtal, in ééne week verslonden
Door 't pestvuur, maakte een graf van 't groet en volkrijk
Londen,
De koning staarde, ontzet, op 't purper van zijn' troon,
Bezefte de ijdelheid van schepter en van kroon.
De staatsman lag, vermoeid, de lang gezwaaide veder
Op 't achtbaar boek des raads, met klamme handen, neder.
Des krijgsmans arm hing slap; het nijver handwerk zweeg;
Het koopkantoor, de markt, ja zelfs de beurs stond leêg.
Gods tempel kon alléén het volk vertroosting
baren,
En 't greep, in dezen nood, de hoornen der altaren
1.
Niet minder krachtig is de nacht geschilderd, die op den altijd
gedenkwaardigen dag volgde van den togt naar Chattam:
De nacht heeft naauw zijn kleed op reede en stroom verspreid,
Of geeft der gansche kust een nieuwe afgrijslijkheid.
Gelijk op 't pekelnat, dat de Europesche landen
Door zijnen stroomkil scheidt van de Afrikaansche stranden,
Bij nacht de wijde mond des Etnaas vlammen braakt;
Terwijl de ontstelde grond vol siddring schudt en kraakt,
| | | |
Daar 't vuur in 's aardrijks schoot en ingewand ontsprongen,
En door het oppervlak des waters heên gedrongen,
Uit zee zich boven heft, en uit de keelen brandt
En holen van Eöol, tot schrik van 't naaste strand:
Zo brandt ook Upnor, thans bekleedend' Etnaas stede;
De schepen branden als de kleiner bergen mede;
Rochester schrikt en beeft voor 't spelen van 't kanon,
Dat Upnor verder sloopt, ten spijt van Albion
1.
Loosjes was vervolgens de zaak der patriotten ijverig toegedaan; in
verscheiden zijner geschriften gaf hij daarvan de warmste blijken. Met lede
oogen zag hij dus in den herfst van 1787 door de Pruisische wapenen al de
schoone ontwerpen eener grondwettige herstelling verijdelen, en het zoo gehaat
aristocratisch-stadhouderlijk bestuur in zijn' ouden luister herstellen; hij
was alzoo een voorstander der omwenteling, in het begint van 1795, door de
komst der Franschen, in ons vaderland te weeg gebragt. Spoedig echter bekwam
hij van de bedwelming, die zoo velen met hem had aangegrepen, door de
overdreven denkbeelden, die men zich van der Franschen edelmoedigheid en
vrijheidsliefde gevormd had, en die ons geweldig uit de hand vielen; echter
bleef hij zijner beginselen getrouw, en ging in alles met bezadigdheid te werk.
Eerlang werd hij ook tot lid van Hollands gewestelijk bestuur geroepen,
welken post, en op zijn' tijd dien van voorzitter, hij met lof bekleed heeft
2, waarna hij als amb- | | | | teloos
burger in den schoot van zijn gezin te rug keerde.
Geheel doortrokken van den echt republikeinschen geest onzer wakkere
voorvaderen, en alle vreemde overheersching verfoeijende, zag hij met
gloeijende verontwaardiging het noodlottig tijdstip naderen dat de
Corsikaansche alverweldiger ons zijnen broeder tot koning opdringen zou, om
zich langs dien weg de opslokking van ons vaderland gemakkelijk te maken. Met
de Heeren c. de koning en a. van der willigen verspreidde loosjes een
verzoekschrift onder het volk, om door middel van deszelfs vertegenwoordiging
den dreigenden slag af te wenden; hoe vruchteloos deze edele poging ook afliep,
zij verliest toch niets van hare waarde. De Franschen hebben dit verzoekschrift
in een belagchelijk daglicht gesteld, maar eerbiedwaardig zal het nog in de
oogen des nageslachts zijn. Loosjes ondertusschen aanbad geenszins, gelijk zoo
velen, die zich nog wel daarbij bevinden, de opgaande zon, maar bleef zich
zelven gelijk, en ‘gaf,’ naar het getuigenis van zijn' lofredenaar,
‘zijnen overkropten boezem van tijd tot tijd lucht, door de
kwaadaardigheid van den Corsikaanschen zwaardvechter met afzigtelijke kleuren
af te schilderen. - Met tranen in de oogen deelde hij daarom in de blijdschap
| | | | van het verloste volk; en de terugkomst van eenen Nederlandschen
Prins was ook voor hem een feestdag
1.’
Hoezeer wij loosjes, als dichter, niet in den eersten rang kunnen
plaatsen, behoort hem toch onbetwistbaar de eerste plaats in den tweeden; en
gewisselijk ook daar was roem en eer voor hem te verwerven; daarbij was hij een
verdienstelijk volksdichter, en in die hoedanigheid een verkondiger van deugd
en goede zeden; ter liefde van zoo veel edels en goeds, dat in zijne gedichten
heerscht, vergeeft men het hem gaarne dat hij, door den ‘snellen stroom
zijner denkbeelden weggesleept, of door dat vuur, hetwelk van den hemel komt,
verrukt, de regelen der kunst somtijds uit het oog verloor, en op enkele
plaatsen een fijn gehoor door eenen min vloeijenden toont stootte
2.’ Hier eene
optelling te doen van zijne talrijke dichtwerken in allerlei vormen, en door
hem zelven in het licht gegeven
3, is ons bijkans onmogelijk: wij kunnen slechts eenigen der
voornaamsten in het voorbijgaan vermelden.
Op het reeds hiervoor gemelde onderwerp, den Admiraal de ruiter,
kwam hij in 1812 terug, en bezong diens Laatsten Zeetogt, in twaalf
boeken. | | | | Dit werk heeft minder aanspraak op den naam van
heldendicht dan het eerstgemelde. Hij houdt zich hier stipt aan de
geschiedenis, zonder invlechting van eenige episoden of wonderbaar, en geeft in
zijne voorrede vrijheid om dit dichtstuk onder de historische of cyclische
gedichten te rangschikken, waarvan
lucanus met zijne Pharsalia het
eerste voorbeeld heeft gegeven. Maar ‘met dat alles,’ zeggen wij
met den Heer van kampen, ‘leest men de ruiters laatsten zeetogt met
vermaak: het vaderlandsche onderwerp, de naar waarheid en met vuur geteekende
held, het wel aangebragte der tusschenverhalen, die ons door menigvuldigheid
niet verwarren, de vaderlandsche gloed des dichters, dien hij aan zijne lezers
meededeelt, en vele schoone verzen, doen dit gedicht (hetwelk bij zijne
verschijning in de knellendste dagen der Fransche tirannij alle aandacht
boeide) eene blijvende waarde behouden
1.’
Ook als godsdienstig dichter verdient loosjes onderscheiding. Hij
dacht verlicht, zijne godsvrucht was warm en vrij van bekrompen dweepzucht,
zijn Christendom meer werkdadig dan bespiegelend, en vergenoegde zich niet met
een dor, onvruchtbaar geloof. Verscheiden grondtrekken van Bijbelsche
tafereelen heeft hij op eene bevallige wijze uitgewerkt, of de lotgevallen van
Bijbelpersonaadjen in onderscheiden vormen onderhoudend | | | | voorgedragen en den geheelen Bijbel ten onderwerp van een dichtstuk
genomen.
Veel heeft hij ook voor het tooneel geärbeid; zijne stukken
hebben veelal gebeurtenissen uit de vaderlandsche geschiedenis ten onderwerp;
doch zeer weinigen zijn, en dan slechts een' enkelen keer, ten tooneele
gevoerd, hetgeen waarlijk den schouwburgbestuurderen tot weinig eere verstrekt,
die de vertalingen van Fransche treurspelen en Hoogduitsche drama's de voorkeur
gaven.
Als dichterlijk vertaler sloeg hij een' geheel anderen weg in dan
onze gelijkregelige treurspelvertolkers. Hij vertaalde onder anderen delilles
Drie Rijken der Natuur op zulk eene gemakkelijke
en natuurlijke wijze, dat, gelijk de Hoogleeraar hofman peerlkamp te regt
aanmerkt, indien
delille de ‘drie rijken der natuur
voor Nederlanders bezongen had, hij ze zeker op dergelijke wijze zoude bezongen
hebben
1.’ Zijner
vertaling van het
Leven van huygens hebben wij reeds op diens
artikel vermeld. Dit werk, zegt dezelfde Hoogleeraar, en in dezen een bevoegd
beoordeelaar, ‘zal altijd een gedenkteeken blijven hoe gelukkig en
vaardig loosjes was in het overbrengen van vreemde dichtstukken in onze tale,
dat hij het oorspronkelijke in netheid en vloeibaarheid moest | | | |
overtreffen, voorzag ik reeds vóór hij het werk bij de hand nam;
want de aard van het oorspronkelijke gedoogt eens grootere vrijheid en
zorgeloozer behandeling; maar dat hij er dát van maken zoude, hetwelk
hem den eenparigen lof van alle kenners bezorgd heeft, konde ik niet vermoeden;
want voor zulk eene behandeling scheen mij het Latijnsche gedicht niet vatbaar
1.’
Zijne dichterlijke nalatenschap heeft zijn eenige zoon, de Heer
vincent loosjes
2, in 1819 en
1820 in twee deelen het publiek medegedeeld, met de sprekend gelijkende
afbeelding zijns vaders, hem voorstellende in den ouderdom van zesendertig
jaren. De daarbij beloofde levensschets des dichters is tot nog toe achterwege
gebleven. Eene breede lijst van inteekenaren op deze Nagelaten Gedichten
getuigt van de algemeene achting voor de buitengemeene verdiensten van den
edeldenkenden, braven en werkzamen man, die, zeggen wij met den
beöordeelaar van dit posthumum opus, ‘in zijne nuttige
schriften zoo regt goed op het Nederlandsch karakter te werken wist, vermaakte,
leerde, stichtte, en wiens godsdienstig gevoel, goede smaak, verlicht oordeel,
schrander vernuft en onvermoeide arbeidzaamheid hem de achting aller braven,
die hem kenden, verdienen en genieten deed
3.’ | | | |
Zijn prozastijl was ook bevallig, los en aangenaam; hij verstond de
kunst om zijnen lezer met vermaarde personaadjen, vooral uit onze vaderlandsche
geschiedenis, gemeenzaam te laten omgaan. Het is waarlijk ieders zaak niet om
jacoba van Beijeren, huig de groot, louise de coligny, johan de witt en
andere bekende mannen en vrouwen karaktermatig te doen spreken en handelen,
gelijk loosjes in zijne uitmuntende gedialogiseerde tafereelen zoo natuurlijk,
en daarom zoo treffend wist te doen.
Meisner had van dezen schrijftrant in
Duitschland het voorbeeld gegeven met zijne
Bianca Capello, maar loosjes heeft hem ver, zeer
ver overtroffen. Het werk van loosjes in dezen smaak, getiteld:
johan de witt, Raadpensionaris van Holland, in
1805 uitgegeven, is in ons oog een meesterstuk. ‘Overal wordt men op de
bedoelde tooneelen ingeleid,’ zegt de schrandere beöordeelaar van
dit werk, en dit is de waarheid; ‘overal neemt men het grootste aandeel
aan de gesprekken, die er voorvallen, en wordt men dermate opgetogen, van den
grooten staatsman over zijn eigen kunstbeleid en inzigten openhartig te hooren
spreken, dat men schier vergeet verdichte gesprekken te lezen
1.’
Hebben wij loosjes, onder onze vaderlandsche dichters zijne plaats
in den tweeden rang moeten aanwijzen, met het grootste regt behoort de eerste
hem toe als oorspronkelijk romanschrijver. Vader- | | | | landsche
karakters, zeden en gewoonten leveren hem de stof, die hij op eene uitmuntende
wijze verarbeidt ter bevordering van vaderlandsche deugd. Inderdaad, zijne
Historie van Susanna Bronhhorst behoeft in geen
opzigt voor richardsons
Clarissa Harlowe te wijken, noch zijne
Zedelijke Verhalen voor die van
m, zijn
Lotgevallen van Reinoud Jan van Golstein heeft
alleen vijftigmalen meer waarde dan vijftig romans van den Duitschen
veelschrijver
lafontaine, die, hoe laf, onnatuurlijk,
overdreven, gevaarlijk zelfs voor deugd en zedelijkheid, sommigen ook mogen
zijn, waarlijk niet tot eer van den smaak des Nederlandschen publieks, nog
gretig vertaald en gelezen werden, in den tijd, dat Loosjes achtervolglijk de
verdichte Levens van Maurits Lijnslager, Hillegonda Buisman, Robbert
Hellemans en Johannes Wouter Blommestein in het licht zond. In deze
weinig avantuurlijke en toch aangenaam lezende romans heeft hij, bij menige
andere goede strekking, derzelver vorm ook dienstbaar gemaakt ter opneming der
voornaamste belangrijke punten uit onze vaderlandsche geschiedenis. ‘Wie
verbeeldt zich,’ dezelve lezende, ‘geen tijddgenoot van maurits,
barneveld, de groot, rubens, de ruiter, de witt en vele anderen te wezen, en
hen te zien handelen en werkzaam zijn! Hij maakt ons, in boeijenden, bevalligen
stijl, met de geschiedenis van ons land onmerkbaar bekend, en boezemt ons den
lust in om de geschiedboeken van | | | |
hooft en wagenaar nader te
onderzoeken
1.’ In plaats van eene uitvoerige lofspraak, verklaren wij dat,
naar ons oordeel, elk beschaafd Nederlander deze vier nationale romans van
loosjes ten minste ééns in zijn leven zelf lezen, en zijnen
kinderen, vooral de beide eerstgenoemden, vroegtijdig in handen geven moet.
|
2Hulde aan de Naged. van a. loosjes, Pz. bl.
39.
3Het vroegste werk dat wij van loosjes kennen,
is de Flora Harlemica, of Lijst der Planten, rondom Haarlem in
het wild groeijende, aldaar in 1779 gedrukt; loosjes was toen achttien jaren
oud.
1Zie zijn dichtstuk, geplaatst onder de
Stukken bij gelegenheid der viering van het 25 jarig bestaan dier
Maatschappij, op den 14 Junij, 1803, bl. 61.
2Er bestaat, volgens het berigt van zijn'
lofredenaar ( Hulde, bl. 12.), eene keurige schilderij van deze
spijsuitdeeling, door een' voornaam' meester vervaardigd, waarin het portret
van loosjes onderscheiden wordt.
3In het jaar 1789 werd door loosjes een vrolijk,
los en vrij dichterlijk gezelschap opgerigt, onder den naam van
Democriet, hetwelk nog bestaat, en waarin noch lofspraak noch vitterij,
noch stijfheid noch ligtgeraaktheid gedoogd worden, maar in tegendeel het
ultra posse nemo obligatur in den ruimsten zin plaats heeft. Ieder lid
heeft aldaar tot een' bentnaam dien van eenigen ouden dichter; loosjes had dien
van
rotgans. Uit dit gezelschap zijn drie
werkjes met vrolijke liederen afkomstig, onder den titel van
Vriendenzangen, tot gezellige vreugd,
Het Spreeuwtje en de nog eerst onlangs
uitgegeven
Democritische Tafelliedjes. Tot de beide
eersten heeft loosjes verscheiden bijdragen geleverd. Ook op het aanzienlijk
liefhebberijtooneel te Haarlem heeft hij verscheiden rollen zeer
gelukkig vervuld.
1In dit gezelschap hield de Heer
p. hofman peerlkamp, den 14 Maart 1818
eene lofrede op loosjes, die sedert gedrukt is met de lijkdichten van de Heeren
de koning,
van der willigen en
meijer. Het Amsterdamsch genootschap:
Openhartigheid, vertrouwen en stilzwijgendheid gaf insgelijks eenige
dichtmatige Bloemen op het Graf van a. loosjes, Pz. in het
licht.
2Aan het hoofd eener plegtige bezending uit dat
staatsligchaam ter Nationale Vergadering deed Loosjes uit deszelfs naam in 1797
eene mannelijke en welsprekende voordragt, eenen Cicero waardig; men leest
dezelve in haar geheel in de Vaderl. Historie, vervolg op wagenaar,
XXXVIII Deel, bl. 26 en volg.
3‘Hij had de pers tot zijnen dienst, en
het geen andere Boekhandelaars van vertalende of zelfdenkende schrijvers
moesten koopen, dat verschafte hij zich zelven.’ Hulde, a.v. bl.
29.
1Beknopte Geschied. der Ned. Letteren en
Wetensch. II Deel, bl. 469.
1Vaderl. Letteroef. voor 1819, II St. bl. 348. Hij
had ook eene vrije navolging van delilles Jardins ondernomen en nog 's
avonds voor zijn' dood daaraan geärbeid. Het afgewerkt gedeelte wordt in
het Iste deel zijner Nagelaten Gedichten gevonden.
1Vaderl. Letteroef. a.v. bl.
347.
2Deze kondigde in 1817 zich insgelijks als
dichter aan met een bundeltje getiteld:
De Veldslag bij Waterloo en
Dichtproeven, bij zijnen vader uitgegeven.
3Vaderl. Letteroef. voor 1821, I St. bl.
127.
1Vaderl. Letteroef. voor 1806, I St. bl.
35.
1Bloemen op het Graf van a. loosjes, Pz. bl.
7.
|
|