|
|
|
| |
[Jacob van Maerlant]
Maerlant (Jacob van)
1, een Vlaming, in 1235, doch onzeker waar, geboren,
was | | | | Schrijver of Griffier der stad Damme, in
Vlaanderen, alwaar hij overleed in 1300. Zijne begraafplaats, in de
parochiekerk aldaar, wordt aangeduid door het volgende Latijnsche
grafschrift:
Hic recubat jacobus van meerlant ingeniosus
Trans hominem gnarus astu, Rhetorque disertus:
Quem laus dictandi et juris proverbia fandi
Transalpinavit, famaque perenne beavit.
Huic miserere, Deus, cui sextus jubilaeus
Post summum nomen muneri, proh! abstulit omen.
Hij was onder zijne tijdgenooten in groote achting als een man van
ongemeene geleerdheid, voortreffelijk redenaar en goed historieschrijver,
voorts een vriend van de waarheid en vijand van de leugen. Hij wordt aangemerkt
als de vader van de Nederduitsche dichtkunst, zelfs reeds in zijn' tijd werd
hij als zoodanig beschouwd en van zijne waarheidsliefde getuigd in zeker oud
handschrift, in 1732 nog berustende bij
i. le long
1.
Jacob van Merlant, die vader
Es der Dietscher dichteren algader,
Sceltse sere, die logeneren,
Die valsche materien viseren,
Die si subtilyc connen cleden,
Ende met sconen woorden leden.
| | | |
Logene dichte oft voortbrochte,
Hoe naeuwe ment ondersochte,
Want siin leuen was eersaem,
Als eenen dichtere betaem.
Men heeft ook hem ter eere op het stadhuis te Damme een
gedenkteeken opgerigt, het welk, volgens een getuigschrift van den bouwmeester
der stads werken aldaar, den 30 Mei 1725 nog in wezen was
1.
Maerlant behoorde niet tot den geestelijken stand: het was dus reeds
een wonder dat hij schrijven kon; ja zelfs was hij een man, ‘wiens handen
den beyde even dapper in 't schryven waren’, zegt le long
2. Een geleerde onder de zoogenaamde
leken was inderdaad in dien tijd een vreemd verschijnsel, daar dezen, zegt de
Heer de vries
3 met zekeren schrijver, ‘in die eeuw gerekend werden tot de
geleerden te staan als de beesten tot de menschen.’
Vele handschriften van maerlants rijmwerken zijn tot ons gekomen.
Hij behandelt in dezelven godsdienstige, historische, natuur- en zedekundige
onderwerpen; sommigen zijn vertaald, gelijk zijn
Rijmbijbel, die eene vertaling is
der
Biblia Scholastica van
petrus comestor, die hij voltooide in 1270.
Le Long bezat twee handschriften van dezen Rymbybel, waarvan hij zoowel
als van nog | | | | andere handschriften, de beschrijving en inhoud op
geeft
1. De
rijmtrant is eenvoudig; de regels houden doorgaans van acht tot twee
lettergrepen, zonder eenige cadans of maat. Het Oude Testament begint met deze
invocatie:
Vader, soen, hilich ghiest,
Enich Godt sonder beghin,
Ghif mi hulpe, ende volliest
2,
Ende gracye in mine sin
3.
Maerlants voornaamste werk is de
Spiegel Historiael, eene berijmde vertaling van
het Latijnsche
Speculum historiale
4 van zekeren vicentius
| | | |
bellovicensis, een Dominikaner monnik te Beauvais, in Frankrijk,
die dit werk opstelde op bevel en kosten van lodewijk IX, Koning van
Frankrijk. Hetzelve behelst eene algemeene geschiedenis, van de
schepping der wereld tot op het jaar 1244. Maerlant vertaalde dit werk op bevel
van floris V, Graaf van Holland, daarmede beginnende in 1283;
waarschijnlijk heeft hij hetzelve voltooid vóór 1296, in welk
jaar floris, aan wien hij zijn' arbeid opdroeg, vermoord werd. Eene
prozavertaling van het werk van vincentius verscheen in 1515 te
Antwerpen bij
claes de graue in het licht
1,
in de Prologhe van het welk melding gemaakt wordt van eene vroegere
vertaling in rime: men wist dus dat deze rijmvertaling in handschrift
bestond, het welk te Gend ondekt en door den kundigen
j.a. clignett aangekocht zijnde, door
denzelven gemeenschappelijk met
j. steenwinkel door den druk gemeen gemaakt
werd, zijnde de eerste Paertie in twee deelen 1784-1785 te Leyden
uitgegeven. Het duurde echter tot in 1812 eer het derde deel, behelzende de
drie eerste boeken der derde Paertie
2, door de tweede klasse van het Koninglijk
Instituut werd in het licht gegeven, zoodat dit werk op dit oogenblik nog niet
volledig het licht ziet. Het is meer dan waarschijnlijk dat de Spiegel
Historiael, van lodewijk
| | | |
van velthem een vervolg op hetzelve
is, als beginnende juist omtrent den tijd waar maerlant eindigt, en noemende
hij zijn werk die vifte paertie, welke hij tot het jaar 1316 brengt
1. Het was insgelijks
het oogmerk der uitgeveren om ook van velthems werk eene verbeterde uitgave,
als aanhangsel op dat van maerlant, te bezorgen; aangezien die van Le Long, als
zeer gebrekkelijk en mishandeld, van weinig dienst voor de Nederduitsche
letteren is.
Dit werk van maerlant levert zeker geene aangename gezette lectuur
op, ook heeft de inhoud, als vertaling eener Latijnsche compilatie van andere
schrijvers, voor de geschiedenis weinig, en als voortbrengsel van kunst geheel
geene waarde; maar ‘als gedenkstuk onzer oude Nederlandsche spraak is het
eene onschatbare nalatenschap uit de vroegere eeuwen - en een werk van den
voortreffelijken en innemenden schrijver, dien wij als den vader onzer
letteren, als de oudste bron onzer taalkennis, nooit genoeg waarderen kunnen
2.’
Ongemeen belangrijk is ook de uitmuntende voorrede, door de kundige uitgevers
voor het eerste deel geplaatst, waaruit wij de overige werken van maerlant
nader leeren kennen, en daaronder het oudste werk, dat in onze taal over de
natuurlijke historie geschreven is, namelijk Der Natueren
| | | |
Bloeme of
Bestiaris, zijnde eene vertaling van het
Liber rerum van een' Keulschen geestelijken, naderhand Bisschop van
Straatsburg,
albrecht, die om zijne bedrevenheid in de
natuurkunde, even als
roger bacon in Engeland, voor een'
halven toovenaar gehouden werd. Maerlant, vervaardigde dit werk voor zekeren
niclais van cats. Hetzelve handelt in
dertien boeken over allerlei voorwerpen uit de drie rijken der natuur, en
behelst zeker veel beuzelachtige, maar ook toch voor dien tijd verscheiden
leerzame zaken
1. | | | |
Op de boekerij der Leydsche hoogeschool berust een afschrift van het
Leven van den h. franciscus, mede door maerlant
uit het Latijn van
bonaventura vertaald,
Die hem tutrecht in de stede
daartoe
Harde vriendelike baden
1.
Maerlant maakt zelf melding van eenige bloemen of spreuken van
aristoteles, door hem
Uten Latine in Dietsche brocht
2,
en genoemd Heymelycheit der Heymelycheit. Hetzelve behelst,
volgens de voorafspraak,
Hoe aristotiles ende gheen ander
Leerde die werelt berechten.
Dit handschrift, weleer bezeten door le long, werd vervolgens
bewaard in de boekerij van het Leydsche dichtgenootschap
3. Het
schijnt dat maerlant eenigen dezer spreuken in zijn' Spiegel heeft
ingevlochten, althans het 46 en 47 hoofdstuk van het derde boek der eerste
Paertie behelzen zoodanige kernspreuken van aristoteles, inderdaad vrij
duidelijk en vloeijend voorgedragen, bij voorbeeld: | | | |
Dat betaemt den goeden man,
Dat hi gheen onrecht doen en kan,
Noch gedoghen in sinen moet,
Dat men hem groot onrecht doet
1.
Van zijne vertaling uit het Walsch van den
Trojaanschen Oorlog, van welke hij insgelijks
melding maakt in zijn' Spiegel
2 hebben de kundige uitgevers
geen afschrift kunnen ontdekken. Welligt is het de
Destructie van Troyen, gheprint bi gheraert
leeuw, 1479
3.
Wijders bevinden zich op de boekerij der Leydsche hoogeschole nog
verscheiden kleinere dichtwerken van maerlant, namelijk: het
Miracle van Onzer Vrouwe
4,
Zamenspraak tusschen jacob en martyn,
weleer bezeten door le long
5; dit stuk wordt van deskundigen
voor het beste gehouden van al wat maerlant geschreven heeft; ook is hetzelve
oorspronglijk, en zijn geest neemt in hetzelve eene vrij hoogere vlugt.
Hetzelve is in 1496 te Antwerpen bij
henrik den lettersnider gedrukt, onder den
titel van
Wapene Martyn. Een zeer fraai afschrift bevond
zich in de keurige boekverzameling van wijlen den geleerden
hultman, die hetzelve uit de bibliotheek van
m. de röver
| | | | had
aangekocht
1. Het is inderdaad jammer dat de Heer
van wyn, die dit en eenige andere gedichten
van maerlant op de akademische boekerij te Leyden heeft afgeschreven,
zijn voornemen niet ten uitvoer gebragt heeft, van namelijk deze stukken met
korte ophelderingen in het licht te geven
2; de
beschrijving, die hij van dit gedicht levert, en de proeven, die hij daaruit
mededeelt
3, zijn regt geschikt om de
nieuwsgierigheid naar den geheelen inhoud op te wekken. Eéne ten minsten
willen wij hier ook eene plaats geven. Men moet zich inderdaad verwonderen over
de heldere denkbeelden, die hij in dien stikdonkeren tijd koesterde, toen
adeldom, leenstelsel en lijfeigenschap met domheid, dweepzucht en bijgeloof ten
troon zaten:
Nu es deen edel, dander vri
4
Die derde eyghinman
5 daerbi.
Van waen
6 quam deze name?
Nu seyt men tot den dorper
7: si
Du biste der werelt scame.
| | | |
Die edel heuet alt ghecri
1;
Dat doet dat ic vergrame,
Want het dunct mi ontame
2.
Mi en roect niet wien droech of wan
3
Daer trouwe ende doghet es an
Wt wat lande dat hi ran
4
Al vercoft men sulcken man,
Nyemen
6 hem
gerouen
7 en can
Siinre doghetachticheden
8.
Op dit stuk volgt nog een ander, de Verkeerde Martyn genaamd.
De geächte uitgevers van zijn' Spiegel zijn van oordeel dat de
dichter in beide deze werken ‘het oog heeft op zijne eigen
omstandigheden, waarin hij zich door den haat en | | | | vervolging,
veroorzaakt, om reden dat hij de waarheid te veel gesproken had, bevond
1.’ Het beuzelachtig
Boexken van den Houte of de drie Gaerden
verdient naauwelijks der vermelding, en echter is hetzelve drie malen gedrukt,
te weten, eerst omstreeks 1480, vervolgens in 1546 en eindelijk in 1550,
telkens te Antwerpen. Hetzelve is geheel in den mirakel- en legendegeest
van dien tijd opgesteld; uit drie paradijszaadjes schoten drie rijsjes
(gaarden) op, die, tot een' boom zamengegroeid, naderhand het hout van het H.
Kruis verschaft hebben; dit is de hoofdzakelijke inhoud van dit werkje, dat de
naderhand zoo helderdenkende maerlant misschien in zijne jeugd schreef.
De overige kleinere dichtwerken van maerlant voeren tot opschriften:
Disputatie van onzer Vrouwe en van den H. Cruce; Van den V Bloeme; Van Ons
Heeren wonden; Van den seuen Ghetiden; Die Clausule van der Bible; Van der
Drieuoudicheide; Van den lande van ouer zee
2: dit gedicht schijnt gemaakt omstreeks 1291; en behelst eene
aanmoe- | | | | diging tot deelneming in de kruistogten naar het heilige
land; voorts: Sinte Anselmus, dat is onzer Vrouwe claghe; Van den
Clusenare en Van ons Heeren Kynscheide (kindsheid).
Verscheiden letterkundigen, en zelfs de schrandere uitgevers van den
Spiegel
1, hadden maerlant lang
gehouden voor den schrijver van
Die Dietsche Doctrinael; wij hebben echter
joannes dekens, Priester en Secretaris van
Antwerpen, als den schrijver doen kennen
2; sedert hebben
wij kennis bekomen, dat dit dichtwerk in 1589 te Delft gedrukt is.
Maerlant was een tijdgenoot van den Italiaanschen dichter
dante, doch wij willen hem zoo min met
dezen vergelijken als met de Provençaalsche Troubadours of Zwabische
Minnezangers, en stemmen ten vollen in met de oordeelvelling des Heeren van
kampen
3, over zijne dichterlijke bekwaamheden, die gewisselijk
veel minder zijn dan die des onbekenden vervaardigers van het uitmuntend
schoone Nibelungen lied
4, dat
ook tot zijn tijdvak behoort; maar ondanks al het gebrekkelijke, dat men in de
schriften van den werkzamen maerlant aantreft, moet | | | | men toch 's
mans opgeklaarden geest bewonderen, in een' tijd, dat rondom hem heen een
stikdonkere nacht over alle wetenschappen was uitgespreid. Maar ‘hy drong
het eerst doór den nacht der onkunde, maekte de weétenschappen
volkmaetig en plantte die met zyne rymen den verstanden in. Begaeft met
uytsteékende vermogens, sloeg hy de handen aen het werk der
volksbeschaeving en poogde steeds met onvermoeyden iver, zynen verworpenen
medemensch op te helpen en te verlichten
1.
|
1Foppens noemt hem ( Biblioth. Belg. I.
526), meellant, en paquot ( Mém. VII. 391) merlant of mierlant.
Waarschijnlijk voert hij dezen naam naar zekere plaats dusdanig genoemd, gelijk
meer schrijvers in dien tijd, bij voorbeeld lodewyk van velthem om zijn
verblijf te Velthem, jan van helu (van leeuwen) omdat hij Priester was
te Helu, erasmus van rotterdam, omdat hij te Rotterdam geboren
was, allardus van amsterdam, en meer anderen; men was het echter niet eens waar
dit Maerlant, Merlant of Mierlant lag. De Heer van wyn vond
dit eindelijk in de nabijheid van den Briel ( Hist. Avondst. bl.
290). Dat jacob aldaar, zoo niet geboren is, ten minste gewoond heeft, is
duidelijk uit zijn' Spiegel, alwaar hij (I Deel, bl. 112), sprekende van
den Trojaanschen oorlog, zegt:
Die dat langhe wille lesen,
Hoe die fauelen van desen
Dat walsch spreect, entie poeten,
Ghae, daer wi heen sullen heten
Ten Dietsche, dat wide es becant,
Ende wi maecten te Merlant.
1Boekzaal der Nederd. Bybels, bl.
158.
1Dit getuigschrift, benevens de afbeelding en
verklaring van het gedenkteeken vindt men bij le long, Boekzaal,
t.a.p.
3Geschied. der Ned. Dichtk. I Deel, bl.
4.
1Boekz. der Ned. Byb. bl. 165-222.
2Kiliaan: volleesten, Perficere, absolvere,
efficere, satisfacere, perdurare.
3Dit sin beteekent hier, even als in
het Engelsch, zonde.
4Dit werk was van ouds in groote achting, en een
der eerste voortbrengselen der jeugdige drukpers in Duitschland, waar
hetzelve, zonder naam van plaats of drukker, met in hout gesneden letters werd
gedrukt. Sedert is hetzelve nog zeven malen herdrukt, namelijk 1) te
Straatsburg, in 1473, door
johannes mentelin, onder den titel van
Speculum historiale fratris
vincentii bellovacensis, ordinis
Praedicatorum, impressum per joh. mentelin, anno domini millesimo
quadringentesimo septuagesimo tertio, tien deelen in zeer groot folio. P.
scriverius ( Lavre-crans, bl. 54) bezat er een exemplaar van, en een
ander bevond zich in zijn' tijd (1628) in de Haarlemsche boekerij; 2) in 1475,
door
joh. ammerbach, onder den titel van
Bibliotheca mundi; 3) in 1483 door
herm. lichtenstein; 4) in 1484, te
Neurenberg, door
anth. coburger; 5) te Keulen, in
1495; 6) te Venetië; 1591; en eindelijk 7) te Douay in 1624,
in vier deelen in folio.
1Biblioth. Hultmanniana, bl. 31, No. 155.
2Dit werk van maerlant is in vier
Paertiën verdeeld, doch de tweede Paertie is verloren (III
Deel, Voorr. bl. XI).
1Dit wordt nogtans eenigermate tegengesproken in
het Voorberigt van het derde deel, bl. XV.
1Sp. Hist. I Deel, Voorr. bl. XXXIX
seq. H. van wyn, Hist. Avondstonden, bl. 293.
Van velthem spreekt van dit werk en
deszelfs oorspronglijken opsteller, broeder albrecht, in dezer voegen:
Hi was van leuene herder ene,
Ende maect oec boeke int gemene
Der Liber rerum deen af es,
Dat men int Dietsche heet Bestiares,
Der vele nuttelycheden in steet,
Ende van menigen dinc doet besceet:
Van minscen, van beesten, van wormen,
Dan vele dinghen al haer vormen:
Menighe nature staet daerin
Daeraf wel des minscen sin
Leren mochte nuttelycheden
Haddi goede verstannesheden.
Ic souder v meer af hebben gesaect,
Mer daers een Dietsch af gemaect
Dat iacop van merlant dichte.
Spiegel Historiael, I. XX, 9.
2Spiegel Histor. I Deel, bl. 247.
1Spiegel Hist. I Dee1, bl. 245.
3 Biblioth. Hultmanniana, bl. 17. No.
77.
4Dit stuk is, met geringe veranderingen, het
zevende boek der eerste Paertie van den Spiegel
Historiael.
5Boekzaal der Nederd. Byb. bl. 220, alwaar ook een
uittreksel uit hetzelve gevonden wordt.
1 Bibliotheca Hultmanniana, bl. 2. No.
4.
2Hist. Avondstonden, bl. 297.
3Aldaar bl. 294-296. De Heer willems heeft
( Verh. over de Ned. Tael- en Letterk. I Deel, bl. 161.) er drie, en de
Heer de vries (I. 6) eene van overgenomen.
1Geroep, gejuich, geschreeuw.
3Het raakt mij niet wie hem baarde of
teelde.
4Rennen is eigenlijk hard loopen,
cursari, Eng. to run; doch hier beteekent zulks eenvoudig uit
welk land hij afkomstig is.
5Geef; in de Friesche landtaal beteekent
gjaán nog geven.
6Niemand; Friesch, nimmen.
8Deugden; zoo zegt men nog,
Κατ'επενθεσιν,
waarachtigheid voor waarheid. Men zal bij vergelijking zien dat mijne
ophelderingen eenigzins verschillen van die van de Heeren van wyn en willems,
ik verwerp echter de hunnen daarom niet.
1Voorrede, u.a. bl. L. Onder anderen
geraakte hij in moeilijkheid met de geestelijken, wegens het gemeen maken der
heilige schriften in de Nederduitsche taal, door middel van zijn'
Rijmbijbel, zoodat hij bevel kreeg zich voor den Paus te verantwoorden
en zijn boek aan een onderzoek te onderwerpen, het welk eindelijk goedgekeurd
en hem wederom ter hand gesteld werd, tot verbazing zijner vijanden. I. le
long, Boekzaal der Ned. Bybels, bl. 220.
2Dit stukje is gedrukt in de Bijlagen tot
h. van wyn,
Huiszittend Leven, II Deel, I St. bl.
306.
1Voorrede u.a., bl. LII. Hij was den Heer
van wyn insgelijks onbekend ( Hist. Avondst. bl. 328), die echter
maerlant geenszins voor den schrijver hield.
2Hiervoor, II Deel, bl. 161.
3Geschied. der Nederl. Lett. en Wetensch. I
Deel, bl. 12.
4De Hoogleeraar
siegenbeek heeft ons met den inhoud van
dit beroemd oud-Duitsch gedicht bekend gemaakt in eene fraaije oordeelkundige
verhandeling, geplaatst in de Mnemosyne, VII St. bl. 233.
1J.f. willems, Verhand. over de Ned. Tael- en
Letterk. I Deel, bl. 152.
|
|