|
|
|
| |
| | | |
[Lucretia Wilhelm. van Merken]
Merken (Lucretia Wilhelm. van)
1. Deze
uitmuntende dichteres, eene kleindochter van moeders zijde van
G. brandt
2, werd geboren te Amsterdam
in 1721. ‘Zeer veel,’ wij zijn met den Heer van kampen
3 daarvan ten vollen overtuigd, ‘heeft deze edele
vrouw tot de herstelling toegebragt, die onze dichtkunde in het laatst der
achttiende eeuw ondervond, door leven en vuur in hare treurspelen en
heldendichten te brengen, schoon men haar nog meer onder de klasse der
vloeibare en keurige dan wel der stoute dichters moet rangschikken,’ want
in dit laatste opzigt werd zij zeker door hare tijdgenoote de Baronesse
de lannoy overtroffen; maar met dat alles
zal de naam dezer voortreffelijke vrouw nog door het late nageslacht met
eerbied genoemd worden, haar dichtwerk in ieders handen blijven en haar roem,
door de hand des tijds met het merk der echtheid gestempeld, bij volgende
geslachten voortduren.
In 1745, en dus in haar vierentwintigste jaar, trad zij op als
tooneeldichteres met het treurspel | | | |
Artemines. In I762 verscheen haar
voortreffelijk leerdicht
Het Nut der Tegenspoeden, gevolgd van eenige
Brieven en andere Gedichten; in 1768 werd deze schoone dichtbundel voor
de tweede maal gedrukt
1. De Heer van kampen oordeelt dat dit
leerdicht een der besten is die wij bezitten
2; ten minsten wij kunnen er ons geen herinneren, waarin
godsdienst, wijsbegeerte en dichtkunst overredender en troostrijker tot het
hart spreken, vooral tot het hart van den buiten zijne schuld ongelukkigen, die
in deze drie uitmuntende zangen, van kleinen omvang, meer opbeuring en
bemoediging zal vinden dan in geheele stapels dorre preeken, aan wier openlijke
uitgave niet zelden de geestelijke verwaandheid meer deel had dan het oogmerk
om daarmede te bewerken, het geen de edele dichteresse inderdaad met dit
onschatbaar leerdicht bewerkt heeft, namelijk de overtuiging, op redelijke
gronden, dat de rampen en tegenspoeden niet zijn toe te schrijven aan een blind
toeval, maar ons treffen onder het bestuur van Gods liefderijke hand, en eene
wezenlijke strekking hebben tot ons geluk. Wij oordeelen het geheel overtollig
hier iets uit dit schoon gedicht, of liever uit ons geheugen, af te schrijven,
want van onze jeugd af was hetzelve ons leerboek in de school des tegenspoeds,
en van vele anderen met ons
3. | | | |
De Brieven, op dit leerdicht volgende, zijn zoogenaamde
Heroïdes, welke bekende historische personaadjen voorondersteld
worden te schrijven en daarin hunne bijzondere lotgevallen of treffende
gebeurtenissen verhalen. Derzelver inhoud is doorgaans belangrijk en de stijl
deftig en vloeijend. Men heeft sedert eenige jaren dit dichtvak bij ons geheel
verwaarloosd. De overige Gedichten, waarmede deze verzameling besloten
wordt, zijn meest gelegenheidsverzen; derzelver uitgave was zeker een offer aan
den smaak van haren leeftijd, echter, al is derzelver inhoud min belangrijk
voor den onzen, heerscht er toch in dezelven eene bevalligheid, een fijn gevoel
en juiste redekaveling, die ze met genoegen doen lezen.
In 1767 verscheen haar uitgebreid dichtstuk David, in twaalf
boeken. Het geen wij bij hoogvliets Abraham wegens deze soort van
dichtstukken hebben aangemerkt, geldt ook hier, uitgenomen dat wij van den
David vrij wat meer goeds kunnen zeggen dan van den Aartsvader;
want behalve dat de hinderlijke gebreken, die het laatste in vele opzigten
anderszins fraai gedicht wezenlijk ontsieren, en waarvan velen zekerlijk op
rekening van den wansmaak van 's dichters leeftijd en zijne bekrompen
godsdienstige begrippen moeten gesteld worden, met veel oordeel in het eerste
vermijd zijn (al is het dat ook op sommige plaatsen de dichter de dichteres in
stoutheid van denkbeelden overtreft), heerscht door | | | | het geheele
gedicht eene liefelijkheid, eene zachtheid van gevoel, eene bevalligheid van
voorstelling, die het verre weg van
hoogvliet winnen. Even als zijn
Aartsvader, is van merkens David, gelijk de Heer de vries zeer
juist aanmerkt
1, ‘een van die weinige, nuttige en bekoorlijke werken, welke
in een aantal brave, godsdienstige en kunstlievende huisgezinnen te regt de
genoeglijkste uren van voorlezing en aangename stichting
verschaffen.’
Bijaldien men deze soort van poëzij tot den rang van
heldendichten kon verheffen, dan had zeker de David de meeste aanspraak
daarop; want het onderwerp is ééne daad, de vlugt namelijk van
david voor saul. Het dichtstuk begint met het verhaal van davids
echtverbindtenis met sauls dochter michol en eindigt met zijne komst tot den
troon. De keus van den held getuigt reeds van den goeden smaak der dichteres;
zij neemt hem ten onderwerp in deszelfs onberispelijkste levensjaren; de Koning
david ware van die zijde gansch geen episch voorwerp geweest. De Heer van
kampen, die overigens den David ‘een onzer bevalligste
dichtstukken uit de achttiende eeuw’ oordeelt
2, mist daarin dat wonderbare, het
welk een heldendicht, ‘in den zin der ouden,’ zegt hij
3, ‘tot een heldendicht
maakt.’ Of dit zoo bepaald waar is, laten wij daar, maar wij vermissen
dit wonderbare in den David geheel niet; wij houden de blijkbare
tusschenkomst der Godde- | | | | lijke Voorzienigheid, bij verscheiden
uitreddingen van david in lijfsgevaar en in andere omstandigheden, wel degelijk
voor wonderbaar, en voor wonderbaar zelfs van beteren stempel, zoo men wil, dan
het wonderbaar bij
homerus en
virgilius, zonder eenige praejuditie
evenwel van beiden in onze hoogschatting. Maar behalve dat zien wij de
noodzakelijkheid nog niet in, waarom er juist mirakelen in een heldendicht
moeten gebeuren, om als zoodanig te gelden; de bekwame kunstenaar kan, dunkt
ons, wel andere springveêren laten werken, die het gezond verstand geen
geweld aandoen. Men heeft immers sedert de laatste helft der zestiende eeuw in
Europa wel een geheel ander Christendom verkondigt dan
karel de groote den Thuringers en Saksers
in de achtste, op verbeurte van hunne oogen, opdrong, of
willebrord en
bonifacius den Kaninefaten en Friesen als
ware thaumaturgen kwamen verkondigen: waarom zou dan een heldendicht, om in
onzen tijd te interesseren, gestoffeerd moeten wezen met het geen in den tijd
van homerus en virgilius interesseerde, gelijk de legende der heiligen den
Christenen der middeleeuwen? Wij achten het wonderbaar een toevallig sieraad,
maar geenszins een hoofdzakelijk vereischte in een heldendicht van onzen tijd;
en vinden dan nog een wonderbaar, naar onze begrippen van Voorzienigheid,
Goddelijke tusschenkomst, enz. gelijk hier in den David gebezigd,
oneindig verkieslijker dan den geheelen Olympus of Tartarus van
homerus of virgilius. | | | |
Ook de vriendschap tusschen jonathan en david vinden wij in dit
gedicht niet minder edel en krachtig voorgesteld dan de vriendschap van orestes
en pylades of achilles en patroclus bij de ouden. De episoden zijn natuurlijk,
met de hoofddaad in verband en in krachtige schilderingen voorgesteld, zonder,
gelijk bij hoogvliet, de eenheid te benadeelen, of de aandacht van de hoofddaad
af te trekken. De handelende personaadjen bewaren hun karakter, de plaatsen en
gebeurtenissen worden levendig en schilderachtig beschreven en de zedeleer is
natuurlijk en verheven. Breed was de lofspraak door een' openbaren
beöordeelaar aan dit dichtstuk gegeven bij deszelfs uitgave. ‘Jammer
is het,’ zegt hij, ‘dat onze spraak, buiten den kreits der
Nederlandsche gewesten, of geheel niet, of zeer gebrekkig verstaan wordt,
anders zouden de uitheemschem erkennen moeten, dat ons Holland, dat ons
Amsterdam een Carmen epicum levert, waarbij Engeland,
Frankrijk en Germanië; den hoed moeten nederleggen; en dat
eene Hollandsche zangeres de buitenlandsche zangers naar de kroon steekt
1.’ Men ziet dat deze beöordeelaar geene zwarigheid maakt
om den David een heldendicht te noemen; doch de dichteres verklaart in
haar voorberigt zelve dat zij liever den grootschen naam van heldendicht, dien
sommigen mogelijk aan haar werk zouden weigeren (wij gewis niet om het
| | | | gemis van het Heidensche merveilleux) aan den natuurlijken
loop der zaken heeft willen opofferen, dan, door het schroomachtig navolgen van
willekeurige kunstwetten, eene gewijde historie geweld aan te doen of te
verduisteren; en daaraan heeft zij in ons oog zeer wel gedaan: haar
David zij dan geen heldendicht, maar dat het toch een in alle opzigten
uitmuntend gedicht is, zal niemand van eenig gevoel en goeden smaak betwisten.
Levendige plaats- en karakterschildering, met krachtige kleuren, gemengd met
gepaste wijsgeerige en menschkundige opmerkingen, treft men aan in de fraai
uitgewerkte en tot de ontknooping der handeling zooveel toebrengende episode
van sauls bezoek bij de tooveres te Endor. Wij willen dezelve, maar ook
niets meer, hier afschrijven; men moet het gehele dichtstuk lezen.
Niet ver van Endor ryst een bosch, dat, schaars betreden,
Van ouds reeds voedsel gaf aan bygeloovigheden:
Een oud gesticht, welëer door 't Heidendom gebouwd,
Vertoont zich in het diepst van dit vervaarlyk woud;
En strekt, schoon half vergaan, de tooveres ter woning.
Hier word zy thans gezocht door Isrels zwakken Koning.
Hy treedt het bosch reeds in, en voelt, van oogenblik
Tot oogenblik, zyn hart vermeestren door den schrik.
De starren flonkren niet aan 's hemels breede bogen.
't Gelaat der maan is met een duistre wolk betogen;
Haar bleeke schemering vormt schimmen langs de paên,
Naardat de wind zich roert in telgen en in blaên,
Die 't bygeloovig hart met schrik op schrik bezwaren,
Daar 't zich verbeeld dat hier gedoemde geesten waren.
| | | |
De klagende echo, die het krassen en gehuil
Van roerdomp, kraai en rave en vledermuis en uil
Verdubbelt door haar' galm, zucht in die nare streken.
De vorst beschouwt, in 't eind, byna van vrees bezweken.
Het akelig verblyf der boschwaarzeggerin.
Op 't eerst gerucht verschynt een kwynende slavin,
Die Delila door list haar onderhoud helpt winnen.
Zy leid den Koning en zyn togtgenooten binnen,
Naar een gewelfd vertrek, dat, door zyn duisterheid,
Een nieuwe ontsteltenis in Saüls hart verspreid.
Wat vind de list niet uit tot steun van haar belangen!
De wand is overäl met treurig zwart behangen.
Een onbekwame hand heeft, kunstloos, wyd en zyd,
Gedrochten afgebeeld op 't vale muurtapyt.
Twee kleene lampen, die met bleeke stralen glimmen,
Verlichten flaauwlyk dees gemaalde harssenschimmen.
Terwyl de vorst, vol angst, dit naar vertrek beschouwt,
Verschynt de tooveres, waar hy zyn hope op bouwt.
Hy waant in haar gestalte en sterke wezenstrekken
Iets ongemeens, iets dat ontzag verwekt, te ontdekken.
Haar beste leeftyd is alreê voorby gesneld.
Haar verf vertoont een geel, dat sterk naar 't bruine helt;
Het oog zinkt diep in 't hoofd; de zwarte hairen hangen,
Wanschiklyk langs haar' hals en ingevallen wangen.
Het hulsel, dat haar dekt, is, vreemd, dooréén
verward,
En toont een mengeling van blaauw en rood en zwart.
Een slordig vuurrood kleed omvangt de dorre leden,
En brengt meer afschriks by aan haar afschuwlykheden.
Zy kent den Vorst, schoon hy zyn koninglyk sieraad
Heeft afgelegd, en zich vermomd in slecht gewaad.
Ook is van de oorzaak, die zyn hart vervult met zorgen
Voor 's vyands overmagt, die looze niets verborgen.
| | | |
Een die voorzeggen wil, moet, met gepast beleid,
Te rade gaan met tyd en met omstandigheid.
Zy veinst, en zwygt, en ziet den Koning stout in de oogen,
Die, door het bygeloof vast meer en meer bedrogen,
Haar onderrigting vergt van 't geen hem nadrende is,
En driftig eischt dat zy, uit 's afgronds duisternis,
Door haar beproefde kunst, een' geest in 't licht zal dagen,
Om hem een klaar bericht te geven op zyn vragen.
Thans geeft de tooveres, hoe loos in haar beleid,
Den vorst een doorslaand blyk van hare onwetendheid
In 't geen haar zelf betreft. Zy is vol achterdenken
Dat hy in dezen schyn haar zoekt, om haar te krenken.
Wie andren lagen legt is nooit van argwaan vry.
Wat is uw oogmerk, zegt ze, en waarom spant ge my
Een' strik, die my eerlang rampzalig zal doen sneven?
Gy weet den strengen last, dien Saül heeft gegeven,
Waardoor verjaagd is, of op 't jammerlykst ontzield,
Al wie met zwartte kunst zich immer bezig hield.
En denkt ge dat ik my, om u, zal onderwinden,
Door wyze toovery, uw nadrend lot te vinden,
Opdat ge my, zo ras ge uw oogmerk zaagt volbragt,
Wreedaartig overgaaft aan zyn geduchte magt?
De Koning schroomt niet haar by Isrels God te zweeren
Dat haar om dit bedryf geen ongeval zal deeren;
En zoekt met aandrang haar te noopen, dat ze, uit gunst,
Zyn' weetlust zal voldoen door haar geheime kunst.
Zy bant, op dezen eed, de zorg die haar deed schroomen,
En vraagt hem wien hy wenscht dat zy zal op doen komen.
Hy noemt haar Samuël. Zy, die zyn' angst bespeurt,
Die weet dat de Almagt hem den troon onwaardig keurt,
En David reeds voorlang tot heerscher aan deed stellen,
Beseft hoe ligt zy hem zyn nadrend lot kan spellen.
| | | |
Vertoef een oogenblik, dus spreekt ze, tot ik keer
Met kunstgereedschap, daar ik geesten door bezweer.
Zy wykt ter kamer uit; en daar hy, onder 't wachten,
Ten vegen prooi strekt van ontroerende gedachten,
Keert zy te rug, en treed, bezadigd, naar hem toe.
Zy voert in de eene hand een taaie wigchelroê,
In de andre een open rol, waaruit zy schynt te lezen.
Zo ras zy aan den vorst zyn plaats had aangewezen,
Slaat zy een' kring om hem en zyne dienaars heen,
En vergt hen, wat ze ook zien, niet uit dien kreits te
treên,
Dewyl zy anders niet kan instaan voor hun leven.
Fluks wend ze, als wierd ze door eerbiedigheid gedreven,
Zich driewerf naar het west', en driewerf naar 't zuid',
En prevelt, binnens mond, met mompelend geluid,
Eene onverstaanbre taal; terwyl de vreemde trekken
Van haar gezigt den vorst een' nieuwen schrik verwekken.
Ten laatsten barst zy uit: Verschyn, op myn bevel,
Verlaat uw stille wyk, verschyn, ô Samuël!
Hoe kunstig, weet de list haar' rol aaneen te knoopen!
Aan 't eind' der zaal splyt fluks de grond al krakende open.
Een grysaard ryst er uit, gedost in wit gewaad,
Het zilvren hair hangt hem om 't yslyk bleek gelaat,
Tot aan den breeden baard. Hy klimt met trage schreden.
Een purpren mantel hangt hem achtloos om de leden.
Straks deinst de tooveres, als overheerd door schrik,
Al schreeuwend achter uit; en roept, op 't oogenblik,
Tot Saül, die reeds beeft van angst, op dees vertooning:
Waarom misleid ge my? gy, gy zyt zelf de Koning.
Wat onheil gaat my aan, indien uw wraak in 't end'!...
Vorst Saül, in den waan dat zy door kunst hem kent,
Verbeeld zich wondren van haar wysheid en vermogen.
Hy antwoord, siddrende, en met neêrgeslagen oogen:
| | | |
Verlaat u op myn woord, vrees voor myn gramschap niet;
Maar antwoord my opregt: wie is het dien gy ziet?
Hetschynt, zegt ze, een der Goôn: zyn achtbre
wezenstrekken
Een purpren kleed doen my zyn waardigheid ontdekken.
Hy is reeds hoog bejaard, en statelyk van leest.
't Is Samuël, ô Vorst! die Rechter is geweest.
Op 't hooren dezer taal buigt Saül zich ter aarde.
En, denkende om zyn' rang noch koninglyke waarde,
Blyft hy in die gestalte, en zyn gevolg met hem;
Terwyl 't verschynsel met een straffe en holle stem,
Hem door dees vraag verbaast: Gy, die myn rust durft storen,
Die my op de aard' herroept! wat zoekt ge uit my te hooren?
De vorst geeft, bevend, hem ten antwoord, op dees reên:
'k Ben doodelyk benaauwd. Het heir der onbesneên
Staat vaardig tegen my een' fellen slag te wagen;
En God, de Almagtige, wiens raad ik heb doen vragen,
Heeft my begeven in myn deerlyk zielsverdriet!
Hy antwoord my, helaas! in myn benaauwdheid niet,
Noch door den dienst van zyn profeten, noch door droomen.
Het is uit hoogen nood dat ik u op deed komen.
Ach! dat uw wysheid my bestrale in 't ongeval,
Uw raad my leer' hoe ik my best gedragen zal.
Nu gy vervallen zyt in 's hemels ongenade,
Hervat het schrikbeeld straks, zoekt gy myn' raad te spade.
Uw wis bederf genaakt, nu u Gods hulp begeeft.
Gy weet dat God welëer aan u verkondigd heeft
Dat hy eerlang u zou van Isrels zetel weeren,
En David, in uw plaats, doen over 't volk regeren.
Dewyl gy, trotsch en stout, de wet des hemels schond,
En Amaleks geslacht, dat geen genade vond
In Gods regtvaardig oog, zyns ondanks, durfde sparen,
Doet u zyn gramschap thans dit onheil wedervaren.
| | | |
De Almagtige, die 't lot der volken weegt en wikt,
Heeft u in dezen stryd ten wissen val geschikt.
Op morgen zal het heir des vyands zegepralen;
En gy zult, met uw kroost, by my ten grave dalen.
't Verschynsel uit zich dus, en zinkt, gelyk een steen,
Die van een strandrots in de zee ploft, naar beneên;
Terwyl de krachten 't hart van Isrels vorst begeven,
En hy ter neêr zygt, als geheel ontbloot van leven
1.
Dit is nu zeker wel geen wonderbaar, gelijk de Heer van kampen
bedoelt; maar het is, in ons oog, een wonderbaar, dat hier vrij wat gepaster in
dit niet-heldendicht aangewend is dan de herschepping van schepen in
zeegodinnen in het al-heldendicht van virgilius, en welke féerie
de Aeneis, al zegt de Heer van kampen het nog zoo stellig, bij de ouden
zoo min tot een heldendicht gemaakt heeft als de Endorsche geestverschijning
den David tot een epos maken zal bij de geenen die dit dichtstuk
behalve dat niet reeds daarvoor houden.
Den 26 September 1768 trad zij in het huwelijk met
nicolaas simon van winter, een der
verdienstelijkste dichters van zijn' tijd, met wien zij vervolgens
gemeenschappelijk hare verdere dichtwerken in het licht zond. Daar wij haar op
het artikel van haren echtgenoot weder aantreffen zullen, kunnen wij het hare
hier tot zoo lang voegzaam afbreken.
|
1Vervolg op j. wagenaar, Amst. fol. bl. 555.
Bijvoegsels op j. kok, Vaderl. Woordenb. III Deel, bl. 206.
2Daarvoor wordt zij bij velen gehouden. Haar
vader was
jacob van merken en hare moeder
suzanna wilhelmina brandt. Volgens een
gedicht op haar zeventigste verjaren ( Nut der Tegensp. enz. bl. 297), in
1757, moet zij in 1687 geboren zijn; ondertusschen was g. brandt reeds den 12
October 1685 gestorven: de moeder onzer dichteresse was dus zelve reeds eene
kleindochter van brandt.
3Verhandelingen van teylers Tweede Genootschap,
XV St. bl. 404.
1Het leerdicht is in 1818 nogmaals afzonderlijk
in kleiner formaat herdrukt.
2Gesch. der Nederl. Letteren en Wetensch. II
Deel, bl. 122.
3Het is mij meermalen gebeurd, dat, als ik, een
woord van troost sprekende, regels uit dit dichtstuk aanvoerde, men mij met
andere plaatsen uit hetzelve antwoordde; eens een blinde en eens iemand, die -
niet lezen kon.
1Geschied. der Ned. Dichtkunst, II Deel, bl.
262.
1Vaderl. Letteroef. VII Deel, I St. bl.
194.
|
|