|
|
|
| |
[Elizabeth Maria Overdorp, geb. Post]
Overdorp (Elizabeth Maria), geb. Post. In
1788 verscheen van deze bevallige schrijfster, doch zonder haren naam, een bij
uitstek fraai geschreven werk, onder den eenvoudigen titel van
Het Land, doch met
een' aanprijzenden opdragtsbrief van den Arnhemschen Predikant
a. van den berg, waarin hij haar voordraagt
als in het bezit ‘van een sterk geheugen, een zeer vlug verstand, een
zeer levendig vernuft en zeer fijnen, zuiveren smaak;’ en inderdaad deze
bevallige eersteling leverde daarvan menigvuldige bewijzen en vond een
buitengemeen goed onthaal bij onze landgenooten.
Dat zij insgelijks de lier handteerde, kon men | | | | reeds
uit den schilderachtigen en dichterlijken stijl van bovengemelden haren
eersteling vermoeden. Bij de uitgave van een tweede geschrift, Voor
Eenzamen getiteld; in 1789 maakte zij haren naam ook als
schrijfster van Het Land en tevens zich als dichteres bekend; want dit
tweede werk behelst, behalve eene verscheidenheid van treffende bespiegelingen
over allerlei onderwerpen, onderscheiden losse en bevallige dichtstukken. Door
deze beide verdienstelijke werken en haren in een' eenvoudigen schoonen stijl
geschreven
Reinhart, of Natuur en Godsdienst, die in drie
deelen in 1791 in het licht kwam, was juffer
post de lievelinge des beschaafden
publieks geworden, en deze drie verdienstelijke werken werden in korten tijd
herdrukt. Den dood haars vaders had zij op eene waardige wijze betreurd in haar
geschrift Voor Eenzamen, dien van hare moeder betreurde zij in een
afzonderlijk werkje, onder den titel van
Mijne Kinderlijke Tranen, in 1792 uitgegeven;
roerend en harttreffend, vertroostend en opbeurend zijn de acht aandoenlijke
bespiegelingen, waaruit dit werkje bestaat.
In 1794 trad zij in den echt met den Noordwijkschen Predikant
overdorp. In hare bij deze gelegenheid uitgegeven
Gezangen der Liefde ontveinst zij geenszins de
gevoelens van haar hart, maar belijdt die rondborstig en met vrijmoedigheid;
zij bezingt het vermogen der liefde op het vrouwelijk hart met eene
onbeschroomde naïfheid, die men vóór haar nog bij geene
verliefde dichteres had aangetroffen. Na verloop van dertien jaren, in
| | | | welken tijd hare harp aan de wilgen gehangen en zij zich met
vertalen bezig gehouden had, kwam in 1804 een tweede gedichtenbundel van haar
te voorschijn, getiteld:
Ontwaakte Zanglust, dezelve bevat verscheiden
fraaije, bevallige losse en zachte dichtstukjes, in sommigen van welken zij met
eene geöefende hand meesterlijk de natuur naar de natuur schildert; tot
een bewijs voeren wij al dadelijk de schoone Elegie aan, in welke zij
zoo roerend haar heimwee naar het bekoorlijk Gelderland uitdrukt:
Gezeten aan den voet van een der kale duinen,
Waar achter de oceaan zoo stormvoorspellend brult,
Omsloten door een' kring van spitse woeste kruinen,
Waar plegtige ernst mijn hart, gelijk dit oord, vervult,
Waar, rond mij heên, een troep van raven, kraaiën,
meeuwen,
Onrustig, ginds en weêr, op logge wieken zweeft,
En door hun schor gekras, hun aaklig hongrig schreeuwen,
In deze doodsche stilte een somber leven geeft.
Hier, waar geen boom ooit ruischt, geen groene struik wil
groeiën,
Waar magre duinhelm slechts aan't dorre zand ontspruit,
Waar tusschen't dunne gras slechts arme bloempjes
bloeiën,
En 't luimig windje langs verbloeide distels fluit:
Hier, waar 'k natuur zoo doodsch en vreugdeloos zie kwijnen,
Denk ik terug aan 't oord, waar zij zoo grootsch, zoo mild,
Haar gaven heeft verspreid, de vreugd in 't hart doet
schijnen,
En door haar rein genot het heetst verlangen stilt.
Zalig land! zoo rijk in schoone vruchtbre dalen,
En heuvlen met geboomte en veldgewas begroeid,
Waar klare beekjes mild, zoo vrolijk kronklend dwalen,
En bron bij bron, zoo rijk, uit zwellende adren vloeit;
| | | |
Waar val bij val reeds 't oor bekoort door statig ruischen,
Terwijl het welig groen die nog verscholen houdt;
Dan, 't vindend oog verkwikt, door schuimen, spatten,
bruischen,
En 't waterlied weêrgalmt door de echo's van het woud.
ô Zalig land! zoo rijk in trotsche donkre bosschen,
Op 't blaauwend heigebergte, en hier en ginds verbreid,
Alwaar de grond, begroeid met onderscheiden mosschen,
Den moeden wandelaar een mollig rustbed spreidt.
Waar, in het somber woud van eeuwiggroene dennen,
De wind zoo momplend in de hooge toppen zucht,
Daar eekhoorn, vos en das, als vrijë burgers rennen,
En ojevaar en specht, 't gewoel der aarde ontvlucht.
Daar 't welig kreupelhout, de heuvels en vallijen,
En struik en boom, verstrooid, het eenzaam heiveld siert,
Waar, uit de purpren bloem, een aantal nijvre bijen,
Al gonzend, honig gaart en ginds en derwaarts zwiert.
Daar graast alom, geleid door arme herdersknapen,
Met troepjes bij elkaâr, het rein en wolrijk vee;
Men hoort, bij 't zacht geblaat van lammren en van schapen,
Het rustig lief geklink der hamelbellen meê;
Men ziet ze hier in 't dal, daar op de heuvels dwalen;
Zij vinden, voor hun dorst, een koele bron of beek,
Hun kooiën, groen bemoscht, verspreid in gindsche dalen,
Vergrooten 't lagchend schoon der schilderige streek.
ô Zalig land! daar 't oog zoo wijd en zijd kan dolen,
Van elken heuveltop op 't heerlijkst ver gezigt;
Waar 't rookend hutjen, in een eenzaam dal verscholen,
Als 't beeld der kalme rust, zoo toovrend voor ons ligt.
Daar 't oog zich steeds vergast op wissling van tooneelen,
Het oor maar luistert naar een schoon harmonisch lied,
Daar al de zinnen in het zachtst genoegen deelen,
En 't hart, dit rein vermaak, zoo zalig rijk, geniet.
| | | |
Helaas! ook ik, ik dronk weleer met volle teugen
Uit deze vreugdebron, ik lag hier in uw' schoot,
Natuur! en ach! de tijd wischt nooit uit mijn geheugen,
Hoe veel, hoe rein, hoe zacht, hoe zalig ik genoot.
Veel jaren mijner jeugd zijn hier te ras verdwenen;
'k Bezucht hun in een oord, waar ziel en ligchaam kwijnt:
En ga ik soms eens naar dat toovrend landschap henen,
't Is als een vreemdeling, die komt en weêr verdwijnt;
Weemoedig drijven mij dan tranen in mijne oogen;
Bij 't schaduwvlug genot, wordt zacht genoegen smart.
Dan schijnt mijn levenslot met donker floers omtogen;
En 't denkbeeld: ‘ik moet weg,’ snijdt m'als een vlijm
door 't hart.
Ach! dat uw zorg mij hier ter woon een plekje schikte,
Voorzienigheid! al waar' 't in 's levens avondstond;
ô! Dat die aanblik nog mijn flaauwend oog verkwikte,
In wien mijn blijde jeugd haar hoogst genoegen vond!
't Eenvouwigst landverblijf, in een der stille hoeken,
Nabij een statig bosch, omringd van zwaar geboomt,
Daar lieve zangers, jaar op jaar, hun nestjes zoeken,
En 't murmlend beekje zacht de kleine hoeve omzoomt:
Dit 's al wat ik begeer; 'k zou ruimer adem halen
In zuivrer lucht; mijn geest zou min beneveld, meer
Van banden vrij zijn; 'k zou die schoone streek doordwalen,
Gezond, gelukkig zijn, en worden als weleer;
'k Zou, weêr geheel gevoel, natuur! voor uw genoegen,
In uw zoo roerend schoon, uw' goeden Schepper zien;
'k Zou om geen schijngenot, om eer noch rijkdom zwoegen;
Maar, met een dankend hart, hem daaglijks hulde biên.
'k Zou, bij een sober deel, mij wel te vreden vinden,
En, lieve lotgenoot! aan uw getrouwe hand,
Genoot ik, in den kring van magen en van vrinden,
Een aardschen hemel in het schoone Gelderland
1.
| | | |
Hoe natuurlijk, levendig en bevallig teekent zij verscheiden schoone
plekken van dit aardsch Paradijs! Met genoegen leggen wij onzen lezers hare
dichterlijke teekening voor oogen van
Het dorpje.
Hoe vreedzaam ligt dat dorpje
Daar aan den voet des heuvels,
Met groen bemoste vakken,
Zijn peer- en appel- boomgaards,
Zijn breede lindenboomen,
Hoe sterkend is die aanblik
Der rijk bebouwde landen,
Met tarwe, garst en boekweit,
Met haver, vlas en rogge,
Vol grazend vee, door wilgen
Omzoomd, waar langs de Rhijnstroom,
Met schoone bogten slingert!
Rijst uit die kerkhoflinden,
De spits des kleinen torens!
Wat ligt gij, dorpje! schoon.
Hoe toovrend, hoe bevallig
| | | |
Ligt ze op des heuvels helling
In 't luw der rijzige olmen!
Hoe vreedzaam staat die woning!
Haar rook stijgt ook zoo rustig
En golft van 't lage dakje
Zoo zigtbaar langs die boomen.
Hoe mild staan hier die schuren,
Die schaap- en runderstallen,
Die hooi- en korenbergen!
De gantsche werf aêmt leven.
Hier blinken zuivre vaten,
Hier woelen nijvre menschen
Hier graaft en pikt het pluimvee,
Kalkoenen, ganzen, hoenders,
De moeders met haar kiekens;
Zij klokken, roepen, piepen,
Zij schreeuwen, kraaijen, kaaklen;
Daar knort een bruine zeuge;
Een troepje blanke biggen
Loopt hupplend haar op zijde:
Zij knorren zachtjes meê.
Zie hier, op 't oude stroodak,
Die duifjes dan eens kusschen,
Dan weêr elkaêr ontvlieden,
Nu zachtjes komen zweven,
Dan, wild en wiekenklappend',
Met gantsche vlugten snellen
Naar gintschen boerschen til.
| | | |
Vliegt hier en ginds een zwaluw
Naar 't kunstig kleiën nestje,
Dat zij met gul vertrouwen
In dak en schuren hangen:
Hun vrolijk kunstloos zingen
Vergroot den lieven eenvoud
Van 't landelijk tooneel.
Staat daar ter zij der woning,
Als zoo veel stille hutten
Zie hoe die schrandre diertjes
Op elke veldbloem rusten,
Daar wasch en honig puren,
En naar hun korven dragen.
Ik zie hunn' blijden arbeid;
Ik hoor hun wiekjes gonzen,
En zweve als met hun meê.
Men hoort van ver die stemmen
Van herders en van schapen,
't Geblaat der jonge lammren,
't Geklink der hamelbellen,
Het blaffen van den keeshond:
Die mengling van geluiden,
Zoo vreedzaam, zoo eenstemmig,
Zoo kunsteloos eenvoudig,
Vol bezig, werkzaam leven
| | | |
Die gij, natuur! eens stemdet
Al zachtkens voort ziet rollen!
Die niet gekweld door driften
Naar rijkdom, eer of aanzien,
Door weelde niet bedorven,
Naar zijn bestemming werkzaam,
Bedacht op hooger aanzijn,
Den morgen ziet verrijzen,
En telken reis, als de avond
Zijn schaduw aan doet groeijen,
Met vreugde en rust kan denken
Aan 's levens avondstond!
Wie zou bij zulk een' zegen
Naar meer bezitting haken?
Geen prachtig rijzend lustslot,
Met al 't genot, dat weelde
En rijkdom daar kan scheppen,
Geen Engelsche plantsoenen,
Noch Gothsche woongebouwen,
Ook geen Chineesche tempels,
Geen net geboogde brugjes,
Geen onderaardsche grotten,
Ontgloeijen mijn begeerte:
Al wat de kunst zoo karig,
| | | |
Zoo vol van kleine zorgen,
Zoo luimig, zoo afhanklijk
Van modes en van menschen,
Zijn' Schepper doet genieten;
Verdient mijn wenschen niet.
Maar uwen schoonen rijkdom,
Uw rustig zacht genoegen,
Natuur! zoo gansch eenvoudig
ô! Dat is aardsch geluk
1!
Zonderling kleuren bij deze schoone natuur- en landtafereelen eenige
stichtelijke, of liever theologische gedichten, waarin de mystikerij de
schering en inslag is, en aanleiding geeft tot zonderlinge uitdrukkingen; bij
voorbeeld:
Jesus! ach! ik sterf van dorst.
Dat geeft rust - ach! ik geloove, ik
Neem, met al mijn schuld belaên,
Slecht, verdoemlijk, arm, ellendig,
En ik mag voor Jesus reekning
Hoopend door dit leven gaan
2.
Ja wel is dit alles, gelijk haar beöordeelaar luimig genoeg
aanmerkte
3, ‘volgens den koers | | | | der wedergeboorte, naar de
gewone windstreek;’ ondertusschen vindt men vrij wat gezonder begrippen
aangaande God en den Godsdienst in haren voortreffelijken Reinhart; maar
toen zij dit werk schreef was zij nog geene predikantsvrouw, en had dienvolgens
geene kennis van stelselmatige godgeleerdheid.
Deze dichtbundel is het laatste wat van haar in het licht verscheen;
want kort na deszelfs uitgave - was zij niet meer!
|
1Ontwaakte Zanglust, bl. 23.
1Ontwaakte Zanglust, bl. 14.
3Alg. Vaderl. Letteroef. voor 1807, I St. bl.
627.
|
|