|
|
|
| |
| | | |
[Lucas Trip]
Trip (Lucas), geboren te Groningen in 1712 en
aldaar overleden in 1783, van wiens leven ons geene bijzonderheden bekend zijn
dan dat hij Raadsheer en Burgemeester van zijne geboortestad was, bekleedt een'
aanzienlijken rang onder de godsdienstige dichters. ‘Het dichterlijk
schoon uit de echte bronnen puttende, verhief hij zich boven het lage van
zijnen tijd
1.’ Hij was buitengemeen sterk gehecht aan
het leerbegrip der in zijn' tijd heerschende kerk; dit deed hem meermalen
vervallen tot mystieke, somwijlen platte en gemeene uitdrukkingen, en
wonderlijke denkbeelden aangaande God, dien hij doorgaans als een' vergramd en
wraakzuchtig' tiran voorstelt, maar niet te min doorgloeit het vuur van ware
godsvrucht en gevoel voor het schoone en verhevene in de natuur zijne geheele
ziel en verwarmt zijn' stijl, ook dan nog, wanneer hij onedele beelden bezigt.
Dit alles is overvloedig blijkbaar uit zijne gedichten, in 1764 te
Leyden uitgegeven onder den titel van
Tydwinst in ledige uuren, en in 1774 verbeterd
herdrukt. Wat men ook van dezen bundel moge zeggen,
Een hard gevoelen, streng bepleit,
Een stof, een tekst, door speelend gissen
Min klaar ontvouwd dan uitgebreid,
mogt hem,
Zomtyds, het wit doen missen;
| | | |
zijn
Godsvrucht en 't natuurlijk schoon
Staan echter blad voor blad ten toon
1.
‘Men staat waarlijk verbaasd over de vereeniging van zoo veel
wansmaak, van zulke verschrikkelijke denkbeelden van het Opperwezen, met zoo
veel gevoel voor het schoone der natuur, zulk eene poëtische voorstelling
van hare kleinste gewrochten, met dankbaarheid aan derzelver verhevenen maker
2.’ Men zou inderdaad al zeer
smakeloos moeten zijn, indien men niet met billijke afkeuring in gedichten van
godsdienstigen en ernstigen aard zulke platte en gemeene uitdrukkingen laze als
onder anderen deze:
Of mach men ongestraft den voet
Aan 's Hemels erfenisse stooten,
Het onwaardeerbaar Goëls bloed
Met onbezuisde verkenspooten
Vertrappen in een moddergoot
Van lusten? God in 't aanzicht spuwen
3?
Met nog sterker afkeuring, wat zeg ik! met afgrijzen, leest men bij
den door zijn' stelmatigen godsdienstijver te ver gevoerden trip, deze en
dergelijke ijsselijke voorstellingen van God:
Ik zie een' onuitspreekbren drom
Van legioenen Stervelingen,
| | | |
Te midden onder 't Duivlendom
De bleekbestorven handen wringen;
En troostloos roepen tot een' God,
Die, lachende in hun bange pynen,
Om alle hoop te doen verdwynen,
De heldeur smyt op 't eeuwig slot
1.
Overigens maakt hij niet zelden gebruik min gewone en duistere
woorden
2, vreemde spreekwijzen en vergezochte beelden; bij voorbeeld:
De tyd, door de Eeuwigheid gewenkt,
Rent ylings heen op hindepooten
3.
Zoo noemt hij ook de vierentwintig dag- en nachturen
‘halfgeschaduwde etmaalsvleugels
4;’ elders spreekt
hij van ‘'t kimmelooze wraakverschiet
5.’
Maar met dat alles bevatten zijne gedichten zoo veel natuurlijk
schoons, zoo veel edels en goeds, zoo veel warm godsdienstig gevoel, hoe ruw
dan ook somwijlen uitgedrukt, dat men deze misstallen gaarne voorbijziet, en
met genoegen vertoeft bij hetgeen hij, onafhankelijk van zijn kerkbegrip, tot
verheerlijking van God in de minstgeachte voorwerpen op eene innemend
wijsgeerige wijze ter beschouwing aanbiedt; wij bedoelen hier zijn uit- | | | | muntend
schoon gedicht op een' Kei, Blaauwbesse en Vlieg, zeker
onaanzienlijke voorwerpen; maar
Deze Kei, die Blaauwe bessen,
En dat vliegje, dat er snort,
Geeven hem, wien leerzucht port,
Overvloed van wysheidslessen
1.
En dit toont de wijsgeerige dichter op de overtuigendste wijze. De
wording der keijen beschrijft hij eerst volgendermate:
Menschenkonst bakk' tichelsteenen
Uit in-één getreeden klei;
Zand rolt door de vingers heenen.
Knikkerzand en gruis van kei
Laaten zich ongaarne binden
Door de rondheid, die hen scheidt.
Weet alleen hun lym te vinden.
Klei, van water volgezogen,
Moet door kracht van lucht en vuur
Tot een mop en klinker droogen:
Maar, Gods dienares, Natuur
Tichelt, van geen Zon bescheenen,
Midden in de vogtige aard,
Keijen, daar de zaag op schaart,
Harder dan haar marmersteenen
1.
Vervolgens betoogt hij derzelver nut:
'k Wil het nut der grofste steenen
| | | |
En myne aandagt enkel leenen,
Om in de allerruwste stof
Eenen wederschyn te ontdekken
Van Gods gulle vriendlykheid,
Die, op kei en steen verspreid,
Dankbren eerbied moet verwekken.
Spotters! die u zagt laat wiegen
In een rytuig over straat,
Ziet, eer ze u in 't aanzicht vliegen,
Waar uw koetswiel over gaat!
Om den modder te plaveijen
Onindrukbaar voor de vragt,
Was des Hemels zorg bedagt,
Op een vloer van harde keijen.
Om de lompe styl te schooren,
Die des heiboers nooddruft schraagt,
En de balkjes, onder 't koren
Zuchtende, op zyn endhout draagt,
Vergt hem God geen kostbre vonden,
Heijing, zerknoot of tiras.
Mag de boer zyn stulpje gronden.
Tonnen, die de zeebaan wyzen,
Ryden op dit zwaar gewigt,
Zonder dat hen 't ziedend ryzen
Van de zeegolf trouwloos ligt'.
Steenen ballast sterkt de kielen,
't Ranke lyf dreigt om te slaan
Met verlies van goed en zielen.
En, het geen nog hooger steigert,
| | | |
Ons het keigebruik geweigerd,
't Waar' ligt lang met Neêrland uit;
's Hemels gunst liet keijen wassen,
Die het kabbelende strand
Van 't ontpaalde Nederland
Dekken voor de pekelplassen.
Hebt ge dan, ô Ongodisten!
Niet de grofste kei in 't hoofd,
Die Gods aanzyn durft betwisten,
Daar de Duivel aan gelooft?
Zoo ge in dit verbazend teeken
Hem niet eert met diep ontzach;
In den grooten oordeelsdach
Zal die Kei u tegenspreken
1.
Met welk een fiksch dichtpenseel schildert hij vervolgens de
bewerktuiging der blaauwbesseplant:
Konstenaars in waterwerken,
Die de vogten opwaarts jaagt!
Kan uw tuigkunde ons beperken,
Hoe de stam, die 't plantje draagt,
't Groeizaam nat weet op te pompen;
En het voert van steê in steê?
Neen! gy bloost, en ziet de sneê
Van uw fyn vernuft verstompen.
Stam en steelen zyn de pypen,
Waar in daauw en regen sypen,
't Voedend sap in blad en tak
| | | |
Door de vezeltjes verspreiden,
En van klepje in klep het vogt,
Naar de naaste slootjes leiden.
Maar wat vogt? Zyn 't waterkegels,
In het stookhuis van Natuur
Naar de alwyze scheppingsregels
Saamgeklont uit zoet en zuur?
Zyn 't gekante of ronde bollen
Van gemengeld kruidernat?
Klootjes, die, van vat in vat,
Duizend op een haarbreed rollen?
Groote God! ik zie uw vinger
In de zaak; maar, werwaarts heen
My de wysbegeerte slinger'
In haar vorming, 'k vat er geen
't Oog, met Leeuwenhoeksche glazen
Welgewapend, ziet zich blind:
Daar het kleen geen endpaal vindt.
Kennen wykt hier voor verbazen
1.
Vervolgens wordt de vlieg sprekende ingevoerd; dit moet niet vreemd
voorkomen, want, zegt zij,
Hy, die 't minste diertje stof
Levert tot zyns Scheppers lof,
Weigert aan geen vlieg zyne ooren.
En, ô Heer! hoe kan ik zwygen,
Zonder aan de ondankbaarheid
Van een' mensch myn deel te krygen,
Die zich in zyn schoonheid vleit,
| | | |
En vergeet haar dank te weten
Aan zyns Maakers gulle hand?
Moeste ik leven op dien trant,
Liever vlieg dan mensch geheeten
1.
Slaat de mensch, voor ruwigheden
Woll' en garen dekselkleeden
Om 't verkouwziek ingewand;
't Myne, door Gods hand beslagen
Stooft de spyze; en stooft Natuur,
Om gewenschte vrugt te dragen.
Moet een vogel zorglyk broeijen,
'k Leg myne eitjes zorgloos neêr,
En laat broeijen, kippen, groeijen,
Over aan Gods gunstig weêr.
All' myne onbestorven weezen
Als der beste voedstervrouw'
Die hen opneemt, aangeprezen
2
De uitnemend kunstige beschrijving van de onderscheiden ledematen
der vlieg is een meesterstuk. Wij bevelen met den Heer de vries
3 ‘dit heerlijk dichtstuk hen ter lezing en herlezing aan, die
het natuurkundige juist en dichterlijk willen gadeslaan; zij zullen telken
reize nieuwe schoonheden, meerdere voortreffelijkheid ontwaren.’
|
1J. de vries, Geschiedenis der Nederlandsche
Dichtk. II Deel. bl. 246.
1J. de kruyff, Gedichten, bl. 141.
2N.g. van kampen, Beknopte Gesch. der Ned. Lett.
en Wetensch. II Deel, bl. 178.
3L. trip, Tydwinst, bl. 95.
1L. trip, Tydwinst, bl. 108.
2Men vindt de ophelderingen van eenige duistere
woorden, in dit dichtwerk voorkomende, in de Dichtliev. Uitgaven, No.
4.
3L. trip, Tydwinst, bl. 109.
1L. trip, Tydwinst, bl. 210.
1L. trip, Tydwinst, bl. 214.
1L. trip, Tydwinst, bl. 221.
1L. trip, Tydwinst, bl. 238.
3Geschied. der Ned. Dichtk. II Deel, bl.
250.
|
|