|
|
|
| |
[Elizabeth Bekker Wolff]
Wolff (Elizabeth Bekker, Wed. van
Adrianus)
1,
werd geboren te Vlissingen, den 24 Julij 1738.
Reeds in 1762, en dus naauwelijks vier en twintig jaren oud, trad zij op in de
geletterde wereld
2 als
echtgendote van
a. wolff, Predikant in de
Beemster, en als wijsgeerige dichteres, met hare
Bespiegelingen over het Genoegen, eene soort van leerdicht, ten betooge
dat geen genot van aardsche dingen op zich zelve een bestendig genoegen kan
verschaffen, hetwelk alleen door deugdsbetrachting wordt verkregen. Achter
dit
leerdicht volgen vijf dichtmatige brieven, in welke de weg tot
het ware Genoegen wordt aangewezen. Dit dichtwerkje kwam in 1763 te
Hoorn in het licht en vond over het algemeen een gunstig onthaal. In
1765 gaf zij dergelijke Bespiegelingen over den Staat der Rechtheid, den Val
en den gevallen
| | | |
Mensch in het licht. Zij behandelde
deze onderwerpen geenszins als godgeleerde en als predikantsvrouw, maar als
dichteres. ‘Overal kenmerkt zich een diepe blik in het zamenstel van 's
menschen geest, zijnen aanleg, vatbaarheid en geneigdheid: de toon is overal
levendig en de warmte der aandoening van de dichteresse gaat ongezocht over in
het hart van den lezer, om juist zoo te gevoelen als zij zelve
1.’ De zwieriger, losser toon, die reeds in dit dichtwerk
heerscht, verkondigt als het ware een' onmerkbaren overgang van het didactische
tot het lyrische, waarin zij mede gelukkig slaagde, toen zij haren
geboortegrond Walcheren, in vier zangen, zoo schoon bezong; dit gedicht,
met Eene Proeve van Mengeldichten daarachter, verscheen in 1769, en
behelst eene afwisseling van levendige, schilderachtige dichttafereelen, elk,
naar zijnen aard, onderscheiden behandeld en behagelijk gestoffeerd. In der
daad, met dit bevallig dichtstuk, verschillende van de gewone gerijmde
topographiën, heeft zij, om zoo te zeggen, een geheel nieuw dichtvak
geschapen.
Door deze uitgegeven dichtwerken, en eenige vertalingen uit het
Engelsch en Fransch, was jufvrouw Wolff bij het letterlievend algemeen reeds
voordeelig genoeg bekend, dat zij het wagen kon in 1772 ook eene verzameling
van
Lier-, Veld- en Mengelzangen in het licht te
zenden, waaruit bleek dat zij hare lier niet onwelgevallig naar den eisch
| | | | van verschillende onderwerpen stemmen kon, en haar, gelijk
naderhand nog duidelijker bleek, geen dichtvak vreemd of te moeijelijk was.
Geestigheid, luim, fijne scherts en vrolijkheid scheen haar als aangeboren;
maar nimmer verloor zij de betamelijkheid, of den eerbied voor God, deugd en
zedelijkheid uit het oog, schoon zij zich eene verklaarde vijandin betoonde van
huigchelarij, dweepzucht en bijgeloof, op welke zij altijd moedig met den
geesel der satyre aanviel; als eene warme voorstandster van godsdienstige en
burgerlijke vrijheid, bestreed zij mannelijk den blinden godsdienstijver en
willekeurige geloofsvoorschriften der toenmalige Protestantsche inquisitie en
derzelver orthodoxe ketterjagt, en bewees hare hulde openlijk aan de helden en
slachtoffers der worsteling van regt en billijkheid tegen geweld en
onderdrukking in vroeger' en later' tijd. Het is bijkans onmogelijk eene
volledige lijst op te maken van al hare poëtische en prozaïsche
geschriften over verschillende, geheel ongelijkaardige onderwerpen, in allerlei
vormen; wij kunnen slechts eenigen der voornaamsten, als in het voorbijgaan,
aan stippen; bij voorbeeld, hare poëtische brieven van Jacoba van
Beieren aan Frank van Borselen en van Arnold Geesteranus aan Maria
Reigersbergen; haar luimig hekeldicht Aan mijnen Geest; haar
Ongelukkige Morgen, Datheensche Eerzuil, Vrouw Snaversnel,
Bekkeriaansche Doling, Santhorstsche Geloofsbelijdenis, Menuet
en Domineespruik en dergelijke facetiën leerden al lagchende
waarheden, die | | | | het algemeen hoognoodig behoorde te weten. Een
belagchelijke pennestrijd wegens de zaligheid van socrates, dien de
regtzinnigheid onbarmhartig buiten den hemel sloot, en dien de verdraagzaamheid
gaarne aldaar een plaatsje gunde, hield de aandacht des publieks bezig, en elk
koos zijne partij, naarmate hem aan het handhaven der regtzinnigheid al of niet
gelegen was; men sloeg elkander, om zoo te zeggen, met twistschriften om de
ooren, en de kreet der geharnaste geloovigen was de onbeschaamde vordering dat
er van staatswege een H. Officie zou opgericht worden, hetwelk de vrijheid van
denken en schrijven aan de Dordsche canones moest vastkluisteren. Ook de
moedige bekker mengde zich in dit onbloedig spiegelgevecht, en rukte den
calghas der achttiende eeuw, den schijnheiligen Advokaat der vaderlandsche
kerk, de eerwaardige pruik van het hoofd, waaronder hij zijne ezelsooren
verborg, en tuchtigde hem met de roede der satyre zoodanig, dat eene algemeene
bespotting het gevolg was van zijn oproerig en vervolgzuchtig geschreeuw, toen
juist de uitbarstende Engelsche oorlog der publieke aandacht eene geheel andere
rigting gaf en haar ongevoelig van deze nietige kerkgeschillen aftrok.
Den 29 April 1777 verloor bekker haren echtgenoot a. wolff door den
dood; zij gaf harer vriendin
agatha deken in een' dichtmatigen brief
kennis van dit overlijden. Dadelijk snelde deze naar de Beemster, om
haar te troosten en haren verderen levensweg met haar ten einde te wandelen,
gelijk | | | | zij dan ook beiden vervolgens onafscheidelijk zamen
gewoond, geleefd, gearbeid en lief en leed gemeenschappelijk gedragen hebben
tot beider bijkans gelijktijdigen dood toe.
Wij hebben de beminnelijke, zachtaardige, deugdzame deken in dit
werk reeds vroeger leeren kennen
1, en tevens opgemerkt dat haar karakter, oppervlakkig beschouwd,
zeer weinig met dit van hare vriendin scheen te strooken, ja veeleer het
contrast van hetzelve was, en echter tusschen deze beide vrouwen acht en
twintig jaren lang eene onafgebroken voorbeeldelooze vriendschap bestond.
Weldra verlieten zij de Beemster, namen haar
gemeenschappelijk verblijf in de Rijp, en vervolgens in de
Beverwijk, waar zij op het bekoorlijk Lommerlust
hare gelukkigste en vergenoegdste dagen doorbragten. Hier schreven zij hare
beste werken in dichtmaat en proza, sommigen gemeenschappelijk, anderen ieder
afzonderlijk, over allerlei onderwerpen en in allerlei vormen. Eene wijdloopige
optelling van dezelve is even zoo noodeloos als van hare vertalingen der beste
Fransche en Engelsche godsdienstige en zedekundige geschriften, romans,
tooneelstukken en fabelen; men zou inderdaad uit de werken van deze beide
schrandere vrouwen alleen eene kleine bibliotheek kunnen zamenstellen.
Gedurende den Engelschen oorlog en deszelfs nasleep van
binnenlandsche onlusten bleven beide vriendinnen geene onverschillige
aanschouwers der | | | | gebeurtenissen van den dag; doch nimmer hebben
zij hare pen onteerd door het zamenstellen van eenige dier vuilaardige
paskwillen en lasterschriften, welke de wederzijdsche partijen als zoo vele
brandstoffen tot voedsel van het vernielend vuur der tweedragt met zoo veel
ijver dagelijks in menigte aandroegen. Hare geschriften ten voordeele van de
zaak der patriotten waren altijd op den gepasten toon gestemd, en konden nimmer
onaangename gevolgen voor haar hebben, ware het geschil op eene andere wijze
dan door de gewelddadige tusschenkomst van Pruissische huzaren beslist
geworden. Maar nu oordeelden zij met vele andere ingezetenen raadzaam den
vaderlandschen bodem te verlaten en naar Frankrijk te wijken, waar zij
Trevoux tot haar verblijf kozen. Bij de uitbarsting der
Fransche staatsomwenteling woedde ook de vreesselijke moordbijl onder de
onschuldige inwoners van het vreedzame Trevoux. Ook de Wed. wolff werd
voor den bloedraad gedaagd, en zij ontkwam de Guillottine slechts door hare
gelukkige tegenwoordigheid van geest, en de vaardigheid van hare vernuftige en
snedige antwoorden. Niet genoeg dat zij zich zelve gered had uit de klaauwen
der helsche bloedgierigheid, hielp zij ook den echtgenoot van hare vriendin
renauld bevrijden, die als een offer des
schrikbewinds in den kerker zat. Inmiddels had een trouwelooze vriend in
Holland, wien zij haar eigen vrij aanzienlijk vermogen en de tot geld
gemaakte bezittingen van hare vriendin deken bij hare uitwijking had
toever- | | | | trouwd, hetzelve ontvreemd, waardoor zij volstrekt
behoeftig en verlaten waren; doch de erkentelijke renauld nam de zorg voor
beider onderhoud welwillend op zich, zoodat zij ten minste voor gebrek
beveiligd waren.
Na de omwenteling van 1795 keerden beiden in haar vaderland terug,
en namen haar verblijf in den Hage, waar zij haar bekrompen
onderhoud vonden in de vruchten van hare pen. ‘De smaakverwisseling,
intusschen, uit den staatkundigen toestand onzes vaderlands geboren, beperkte
niet weinig den letterarbeid der beide vriendinnen
1.’ De geleden rampspoeden, de toenemende jaren en bijkans een
geheel nieuw geslacht, onder hetwelk zij thans, om zoo te zeggen, voor de
eerste maal optraden, en dat haar genoegzaam vreemd was, dit alles had
natuurlijk invloed op haren geest, die in Frankrijk den tijdgeest van
haar vaderland niet had kunnen volgen, en in de bedwelming van den
vrijheidstuimel der Nederlanders geen behagen vond, daar zij geenszins die
gouden eeuw te gemoet zagen, welke velen ter goeder trouw waanden dat de
Franschen der Bataafsche Republiek hadden aangebragt. Slechts deken
schreef nog eenige oorspronkelijk werkjes, maar bekker hield zich meest met
vertalen bezig. Hare geestkrachten begonnen met hare ligchaamskrachten te
verminderen; eene ziekte ondermijnde en sloopte eindelijk in drie jaren geheel
en al hare gezondheid, en de dood verbrak eindelijk een' acht | | | | en
twintjarigen vriendschapsband, met op den 5 November 1804 elizabeth bekker
zachtelijk uit de armen van hare geliefde agatha deken over te voeren in de
verzamelplaats der dooden te Scheveningen, waarheen deze
slechts negen dagen daarna haar volgde.
De dood dezer beide voortreffelijke vrouwen trof elk, die hare
verdiensten kende en waardeerde, elk, die wist met welk een' ijver beiden onder
alle standen gezonde godsdienstige begrippen, zedelijkheid, deugd, verlichting
en beschaving verspreid en al wat edel, schoon en goed was naar vermogen
bevorderd hadden. De erkentelijkheid verlangde dus in een openbaar rouwfeest
harer schimmen eene welverdiende hulde te bewijzen. De Amsterdamsche afdeeling
der Bataafsche Maatschappij van Taal- en Dichtkunde hield den 14 Maart 1805
eene plegtige openbare gedachtenisviering der verdienstelijke wolff en deken,
bij welke gelegenheid de Hoogleeraar j. konijnenburg
eene schoone Lofrede en de Heer Mr.
m.c. van hall een' uitmuntenden Lierzang
uitsprak
1, vervangen door eene keurige muzijk, onder het opzigt van den
verdienstelijken
j. kuyper. Naderhand heeft de beroemde
medailleur
j.g. holtzhey een' fraaijen gedenkpenning
ter gedachtenis van deze beide voortreffelijke vrouwen vervaardigd.
| | | |
Zeker zijn wel eenige vroegere geschriften der schrandere, geestige
en luimige wolff en ook eenige der vrome, zedige en ernstige deken in
vergetelheid geraakt, voor zoo ver zij slechts met de daarin behandelde
onderwerpen, een kortstondig belang wekten; maar de meesten worden nog met veel
genoegen gelezen; hare
Economische Liedjes,
Historie van Sara Burgerhart
1, van
Willem Levend
2 en
Cornelia Wildschut, en de naïve, vrolijke en
geestige
Brieven van Abraham Blankaart zullen altijd als
Nederlandsche zedenschilderingen classiek blijven
3. ‘Misschien hebben deze twee geestrijke vrouwen,’
vermoedt de Heer van kampen
4, ‘het best de uitdrukking verstaan van het Hollandsche
volkskarakter, zoo als het zich in allerlei verscheidenheden in 't gemeene
leven vertoont.’
Wel ver ondertusschen dat wij hare menigvuldige | | | |
schriften, of zelfs eenigen derzelve, als bijna onbereikbare modellen van
volkomenheid zouden aanbevelen, zien wij zoo goed als de vitters en bedillers
van haren tijd, dat aan velen derzelve eene beschavende hand ontbroken heeft,
en zij wel eens de zoogenaamde kunstregelen verwaarloosden, sommigen misschien
niet eens kenden; maar even dit waarborgt aan den anderen kant de
oorspronkelijkheid van hare denkbeelden, vindingen en uitdrukkingen, die
daardoor beveiligd bleven voor vervalsching, verminking en verwringing; wien
het om den levenden geest, en geenszins om de doode letter der geschriften van
wolff en deken te doen is, zal zulks in het minst niet hinderen, en met haren
lofzanger van hall uitroepen:
Ja, Neêrland zal op al de bloemen
En vruchten, die ge uw' landgenoot
Van uw vernuft zoo mildlijk boodt,
Onsterflijk tweetal! altijd roemen.
Van hier, wien deze schat mishaagt,
Wiens tand aan enkle feilen knaagt,
Voor ware schoonheid blind, hem durft verroekeloozen!
Natuur blijft schoon, zelfs als zij speelt,
En op het lagchend veld, naast keur van purpre rozen,
Ook minder schoone bloemen teelt
1.
|
1Alg. Konst- en Letterbode, voor 1804, No. 48,
bl. 308. J. konijnenburg, Lofrede op e. wolff, geb. bekker en a. deken.
2Vroeger zelfs was zij reeds door eenige losse
dichtstukjes bekend. In de Letterhistorie en Boekbeschouwer, I Deel, bl.
384, vindt men van haar een bevallig gedicht, gejaarmerkt 1760 en getiteld:
Beschouwing van het Leven, als eene Bloem aangemerkt.
1J. konijnenburg, Lofrede, bl.
21.
1Zie ons I Deel, bl. 351, II Deel, bl.
142.
1J. konijnenburg, Lofrede, bl.
83.
1De Lofrede is afzonderlijk gedrukt en de
Lierzang te vinden in de Werken der Bat. Maatschappij van Taal- en
Dichtk. II Deel, bl. 99, en onder de Gedichten van m.c. van hall,
bl. 25.
1Deze fraaije echt vaderlandsche roman is ook in
het Fransch vertaald en in 1788 te Lausanne gedrukt.
2In het Hoogduitsch vertaald door j.g. muller, en
in 1798 te Berlijn gedrukt.
3Dit voorspelde de geestige a. fokke, Sz. reeds in
1792 al schertsende in zijn luimig satyrisch geschrift: Het toekomend Jaar
Drieduizend, bl. 29, waar hij De Historie van Sara Burgerhart, in
dat tijdvak als nog aanwezig vermeldt met dezen geleerden titel: e. wolffii
dominae eruditissimae
שרה Cor civicum, ad optimas codices restituta, cum
lectionibus variantibus et notis perpetuis. Irkutskoi, 2010. Dat hij met
zijne overdreven boert altijd waarlijk iets ernstigs bedoelde, weet ieder, die
tot de kern zijner schriften doordringt, en zich niet enkel met de schors
vermaakt.
4Gesch. der Ned. Lett. en Wetensch. II Deel, bl.
491.
1M.c. van hall, Gedichten, bl. 32.
|
|