|
|
|
| | | | | |
Het erotisch-ethische referentiekader in Bredero's Stommen
ridder, en de betekenis daarvan voor het handelingsverloop van dit spel
*
In zijn recente editie van Bredero's
Stommen ridder
1 staat dr. Kruyskamp
voor een crux waar het betreft het slot van dit spel, dat in de editio
princeps van 1619 een tragicomedie is genoemd, een drama dus van
hooggeplaatste personen dat een happy end bezit. Inderdaad, het loopt goed af
voor ridder Zeege-heer, de Palmerijn uit Bredero's bron, die, zoals bekend,
bestaat uit enkele hoofdstukken van de populaire ridderroman
Palmerijn van Olijve. Zeege-heer trouwt tenslotte
met de dochter van de Turkse keizer, prinses Aartsche Diana. Maar hoe gelukkig
die afloop ook mag zijn, het is wel merkwaardig want de held die zijn gestorven
beminde, Margareete, niet had kunnen vergeten en deze steeds trouw wilde
blijven, heeft gedurende het hele stuk de liefde van Aartsche Diana ontweken.
En niet alleen haar liefde, ook die van haar nichtje Aardighe, en dat zelfs met
het treurige gevolg dat Aardighe uit hartzeer de dood is ingegaan (4e bedrijf).
En nu opeens wanneer Aartsche Diana in het vijfde bedrijf en tegen het einde
van het spel, Zeege-heer haar hart en hand biedt
Ontfanght my u vriendin, en tot u wettich wijf
nu, is er bij hem opeens geen sprake meer van enig verzet en kan
Aartsche Diana rustig haar orders geven voor de toebereidselen tot het
bruiloftsfeest.
De gebeurtenis die onmiddellijk vooraf is gegaan aan deze
stilzwijgende ‘bekering’ - want daar lijkt het wel op - biedt
materieel onvoldoende steun voor een bevredigende verklaring. En u weet
wat eraan voorafgegaan is in datzelfde vijfde bedrijf: het tweegevecht
met de geduchte prins Amaran. Zeege-heer had deze valse aanklager die het op
het leven van Aartsche Diana had voorzien, gedood maar daarmee tevens de
prinses als bruid gewonnen, want zij was door haar vader als vrouw beloofd aan
diegene
Wie den Phrygische Prins manhaftich kan verwinnen
En 't harssen-becken klooft van dat zoo vleesich lijf
Terecht merkt Kruyskamp op dat het blij einde bestaande uit het
huwelijk, een afwijking is van het verloop in de roman. ‘Daar weet’
schrijft hij ‘Palmerijn | | | | zich ook aan Archidianes laatste
aanzoek te onttrekken door een uitvlucht’
2; hij zal nl. eerst nog met
haar vader op krijgstocht gaan. Archidiane stemt toe, maar haar bruidegom ziet
ze nooit meer terug want Palmerijn trouwt tenslotte met zijn eigen Polinarde
3. De
roman-ridder is dus gebonden aan een levende beminde, het hart van de
drama-ridder is vervuld van een gestorven lief, een trouw waarin de knecht
Amoureusje hem zeker niet zou volgen:
Een doo vrouw', ick wouse niet hebben al liep zy mijn na
Drie maal om de Heylige-stee, en eens op het Kerck-hof
De happy end-versie die
Bredero aan zijn stuk verleent, acht Kruyskamp, gezien
de permanente tegenstand van de held om de nagedachtenis van Margareete ontrouw
te worden, zo onwaarschijnlijk dat hier z.i. alleen maar van een noodoplossing
gesproken kan worden. ‘Maar’ vervolgt hij ‘de tijdgenoten
schijnen dit niet als een bezwaar gevoeld te hebben gezien het succes van het
stuk’
4.
Is het inderdaad terecht Bredero hier te betichten van een
noodsprong en daarmee tevens het contemporaine publiek dat het spel
desniettemin apprecieerde, van een zekere onoordeelkundigheid? Of is het
mogelijk dat wij, 20e-eeuwers, van litteraire conventies uitgaan die anders
gestructureerd zijn dan die van de Renaissance?
Een eerste aanwijzing in de richting dat Bredero inderdaad naar dit
huwelijk heeft toegewerkt, is het gegeven dat Margareete al drie jaar dood is.
De weg tot een verbintenis met een ander lag daarmee in principe open, in
tegenstelling tot het geval Palmerijn. Maar bovendien krijgt het spel juist
door het happy end zijn typerende antithetische structuur: de onbekende vreemde
ridder, door de keizer tot een smadelijke dood veroordeeld (1e bedrijf),
eindigt n.b. als diens schoonzoon! Is dat toevallig? Ik meen van niet.
Stommen ridder is met
Rodd'rick ende Alphonsus en
Griane het derde drama dat
Bredero aan de Palmerijnstof ontleend heeft en aan al deze
stukken ligt, naar mijn diepe overtuiging, een zeer duidelijke eendere idee ten
grondslag, nl. die van de wisselvalligheid van de Fortuin. De willekeur en
volslagen onvoorspelbaarheid van de gebeurtenissen is een op de Antieken
teruggaande conceptie, in de late ME. en bij de Humanisten bijzonder en vogue
en die ook de optiek bepaalt waarmee Bredero de voorvallen in de Palmerijnstof
behandelt. De tijd ontbreekt om hier enigszins uitvoerig op in te gaan en ik
zal mij dus beperken tot een enkel voorbeeld. Krijgen de vrienden Rodderick en
Alphonsus ruzie om Elisabeth en blijkt Elisabeth haar gunst aan Rodderick te
schenken, het koor aan het slot van het eerste bedrijf duidt deze ontwikkeling
geheel in het kader van de onberekenbaarheid van de Fortuin: | | | |
Soo wiltweyich is 'tAvontuur,
'tVervormt sich dickmaals in een uur,
'tVerhanselt haast ons wenschen.
Het maackt den een beroydt en naackt,
En d'ander heerlijck en volmaackt;
Ia Schat-rijcke weer arme Menschen
5.
Het treurspel
Rodd'rick ende Alphonsus eindigt niet in
bruiloftsfeest en huwelijksgeluk, zoals menselijkerwijs verwacht kon worden,
maar in begrafenis en dood - terwijl in de
Griane Florendus en Griane tenslotte in een
huwelijk verenigd en niet ter dood worden gebracht.
Dè grote les die zowel bij de Antieken als in het Christendom
de willekeurige afwisseling van voor- en tegenspoed inhoudt, is de ijdelheid
van alle aardse neigingen en verlangens. Deze te matigen en een standvastig
gedrag op te bouwen bij de constante decorwisselingen die geluk en ongeluk voor
de mens in petto houden, is de diepste zin van de Fortuna-gedachte
6 - óók, bij
Bredero. Zo stelt in
Rodd'rick ende Alphonsus het koor (3e bedrijf) de
vrees aan de kaak als een neiging of een hartstocht waaraan de mens zich in
tegenspoed overgeeft i.p.v. zich te matigen en standvastigheid te
betonen; in
Griane stipuleert het koor (4e bedrijf) dat
alleen een aardse zot aan de hartstocht toegeeft van de begeerte naar werelds
bezit, terwijl een verstandig man zich matigt en de blik gericht houdt
op God.
Bredero brengt dus met deze beide drama's een stuk
ethiek op het toneel, geheel overeenkomstig de ethisch-didactische
doelstellingen die men in de Renaissance aan litteratuur stelde. Een belangrijk
gevolg van dit ethische principe van de litteratuur is dat hetgeen zich aan de
20e-eeuwse lezer presenteert (of althans kan presenteren) als een litteraire
conventie (grilligheid van het lot, zelfbeheersing) de toepassing blijkt te
zijn van een contemporaine ethische code. Op deze wijze vormt de
Renaissancistische litteratuur een tweede wereld die in tegenstelling tot de
triviale werkelijkheid, georganiseerd is volgens de wetten van de
moraalleer.
Stommen ridder zet het grondthema van de
wisselvalligheid en de daaraan inherente eis tot matiging van de hartstochten
voort. Als Zeege-heer bij vonnis van de keizer de wilde dierenkuil is
binnengegaan om daar zijn dood te vinden (1e bedrijf) klaagt Aartsche Diana
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
O drayend' avontuur! die gist'ren lach in 't slijck,
Zit morghen inde troon van 't Keyzerlijcke rijck
| | | |
En ook het koor speculeert over
Het schranckel wanckel avontuur,
Dat went zijn raden alle uur
maar wijst er tevens op dat men ‘moet matighen zijn
wercken’ (r. 469).
Wanneer wij de Fortuinswisseling als het perspectief aanvaarden van
Bredero's Palmerijnspelen, dan moet het vrijwel zeker geacht worden dat het
huwelijk van Zeege-heer met Aartsche Diana een zeer bewuste verandering van de
romanstof is geweest, in dienst van deze kernidee. - Maar daarmee rijst
onmiddellijk de vraag: op welke wijze de principes van zelfbeheersing en
matiging in dit spel gehanteerd worden wanneer n.b. de berooide ridder zijn
Magareete vergeet en de rijke keizersdochter tot vrouw krijgt! Of, anders en
juister geformuleerd: wat is de samenhang tussen de genoemde principes en de
plotselinge acceptatie van de vorstelijke bruid door de held.
Stommen ridder is naar ik meen, binnen het
algemene kader van Fortuinsdrama een spel dat de relaties demonstreert waarin
de sexen tot elkaar kunnen staan want de drie formules die de Renaissance in
dit opzicht te bieden heeft, organiseren duidelijk de stof. Die drie formules
nu zijn: 1° de reine liefde, die geestelijk is van aard en waarvan
de Neostoa en vooral het Neoplatonisme de voornaamste propagatoren zijn
geweest; 2° de lust, of vleselijke min, een onkuise en mateloze
begeerte die de mens ten verderve kan voeren, en 3° de samenleving
binnen het huwelijk. Daar het vooral de punten 1 en 2 zijn die in het spel aan
de orde worden gesteld - het huwelijk vormde ook al in de 17e eeuw het
sluitstuk van ieder avontuur - zullen wij onze aandacht, heel in het kort,
eerst op de punten 1 en 2 richten. In de moraalfilosofie van de 16e/17e eeuw
(ik denk behalve aan onze
Coornhert, aan Montaigne, Charron, De la Primaudaye, Du
Vair etc.) worden liefde en lust (min) beschouwd als het resultaat van een
hartstocht. In het geval van de liefde is de hartstocht beteugeld en in goede
banen geleid door het verstand, in geval van de min, is de mens zo verstandloos
(zot of dwaas) dat hij afziet van de controle door de ratio en de
gevolgen zijn dan ook vrijwel altijd desastreus. In zijn
Commentaar op Plato's Symposium schrijft Marsilio
Ficino - ik citeer de Engelse vertaling van S.R. Jayne: ‘Love is always
limited to [the pleasures of] the mind, the eyes and the ears… but
desire which rises from the other senses is called not love, but lust or
madness…’. En verder: ‘A mad lasciviousness drags a man down
to intemperance…’
7. Zelfbeheersing of matiging, temperantia zoals de
moraalfilosofische terminus technicus luidt, ontmoeten wij dus
óók weer in de liefdesethiek als opperste morele faculteit; hier,
om de hartstochten die naar lichamelijke satisfactie streven, in het gareel te
houden. | | | | Wanneer wij nu gaan opereren met de formule liefde-min (ons
door Coornherts
Wellevenskunste zo wel bekend
8 en met de temperantia als
onontbeerlijke regelaar in eroticis, verschaffen wij ons, geloof ik, een juiste
toegang tot
Stommen ridder, waarin Zeege-heer dan kennelijk
optreedt als een ideale gestalte, die, meester van de overwinning vooral op
zichzelf, zijn naam inderdaad terecht heeft gekregen.
Toonde hij zich reeds beheerst en daardoor onversaagd bij de
tegenspoed in het eerste bedrijf zodat hij wist te zegevieren over de wilde
dieren, de eigenlijke morele krachtproef komt pas daarna als hij
weerstand moet bieden aan de liefde die hem zowel door Aartsche Diana als door
Aardighe geboden wordt.
Bredero nu wil dat de toeschouwers Zeege-heers trouw
aan de gestorven beminde beschouwen onder de optiek van reine liefde, dus als
‘love limited to the mind’. Dat blijkt uit de tekst en wel uit de
woorden waarmee in het derde bedrijf de keizer gegadigden oproept om de aan het
hof gearriveerde prins Brandemant van zijn brandende kroon te bevrijden, een
teken van diens ontrouw begaan jegens een bepaalde prinses. Alleen een
volstrekt trouwe minnaar zal erin kunnen slagen, zo deelt een dienaar
van de gekwelde prins mee, zijn heer uit de ellende te verlossen. De keizer nu
gebruikt de volgende formulering:
Liefhebbers wie ghy zijt, die hartelijck bemindt
Wt suyverheyt des ziels, en niet uyt gaylheyt blindt,
Die 't lodderlijcke vleys, hoe teder, kunt verachten,
En niet dan schoonheyt zoeckt van heldere ghedachten,
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Ghy die zoo heylichlijck wt reyne liefd' verkiest,
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Komt hier, en aan de kroon u deeg'lijckheyt beproeft
De enige ridder wiens gevoelens voor een vrouw aan deze beschrijving
voldoen, die inderdaad blijkt te beminnen ‘wt reyne liefd'’
‘wt suyverheyt des ziels en niet uyt gaylheyt blindt’, is
Zeege-heer. Hij slaagt er moeiteloos in de ongelukkige prins van zijn pijnlijke
hoofdtooi te bevrijden.
De juist geciteerde passage is belangrijk. In de Palmerijn-roman is
er nl. geen spoor van te vinden. Bredero's geforceerde interpretatie van
erotische trouw na de dood als liefde voor ‘schoonheyt … van
heldere ghedachten’ zou ook weinig passen in het verhaal want Palmerijn
bemint zijn Polinarde zeker niet uitsluitend geestelijk.
Het effect van Bredero's ingreep is dat tegenover Zeege-heer alle
anderen die tevergeefs hun krachten op het smadelijk sieraad van Brandemant
hebben beproefd, verschijnen als bezeten van het ‘lodderlijcke
vleys’ en van de ‘gaylheyt blindt’. Inderdaad, zo liggen de
verhoudingen in
Stommen ridder ook. Op een- | | | | zame
hoogten van hartstochtbeheersing staat Zeege-heer met zijn reine liefde,
beneden hem het hof en in het bijzonder zijn tegenspeelsters, de hem amoureus
belagende prinsessen. Hun liefde wordt voorgesteld als vleselijke min. Met deze
voorstelling van zaken mikt
Bredero veel verder dan zijn bron. Wat daar niets meer is
dan een avontuur van Palmerijn en twee verliefde meisjes die hij geen van beide
wil omdat hij al een ander heeft, wordt door Bredero opgetild tot een
erotisch-ethische demonstratie van liefde versus min, van temperantia
versus intemperantia en geheel geïnterpreteerd volgens de gangbare
opvattingen die in de moraalfilosofie van de Renaissance geldig zijn.
Het dramatische verloop van het stuk wordt gekarakteriseerd door
standvastigheid en stijgend aanzien aan de kant van Zeege-heer, anderzijds
onbeheerste minnedrift en ondergang. Terwijl de held tot beloning van zijn hulp
aan Brandemant van de keizer een stad ten geschenke krijgt en de hovelingen er
over morren dat hij voortdurend in de onmiddellijke nabijheid van Aartsche
Diana mag vertoeven, sterft Aardighe, door Zeege-heer geweigerd, aan haar
minnesmart (4e bedrijf). In tegenstelling tot haar keizerlijke nicht heeft deze
prinses haar gevoelens geen enkele remming opgelegd en haar dood vormt dan ook
het bewijs voor de fatale werking van de niet door het verstand ingetoomde
zinnelijke hartstocht, de ‘mad lasciviousness’. Staande bij haar
lijk spreekt de standvastige ridder de communis opinio van zijn tijd uit
dat onbetoomde driften in het algemeen ten verderve voeren en - hij richt zich
speciaal tot de vrouwen -
Insonderheyt als ghy u selven laat verwinnen
Van u begheerlijckheen en 't al te dertel minnen
Dood door minnelust - dat is geen aandoenlijke litteraire conventie
zoals het ons misschien mag toeschijnen, maar een door de Renaissance als
medische realiteit aanvaard verschijnsel (R. Burton, The Anatomy of
Melancholy, 1621
9; Ficino's Commentaar, p.
195
10) dat
ethisch zeer negatief werd gewaardeerd. Aardighe's einde moet het publiek een
universele les verschaffen en Zeege-heer voegt de prinses dan ook toe aan een
reeks vrouwen die zich eveneens teugelloos hebben laten gaan in hun minnedrift.
En onder hen telt hij Phaedra, Thisbe, Dido, etc.
. . . . . . . . . . wiens gheyle minlijckheyt
Veel eerelijcker is ghesweghen dan gheseyt
Het behoeft nauwelijks betoog dat dit commentaar op Aardighe's dood
in de Palmerijn-roman ontbreekt. Het is weer de door de dichter uitdrukkelijk
aangebrachte optiek, de adaptatie van de stof aan de erotisch-ethische
dualiteit van | | | | liefde en min, waarvan hier sprake is. Maar ook wordt
de handeling erdoor naar de climax gestuurd. Na het desastreuze resultaat van
intemperantia en vleselijke lust dat de toeschouwers hier in het vierde
bedrijf geboden wordt, dient in de slotacte de verwachting gehonoreerd te
worden m.b.t. de temperantia en de reine liefde. Vooral het koor in het
tweede bedrijf heeft het publiek al voorbereid op een glorieus einde wanneer de
held, die zeker niet als ongevoelig voor de verlokkingen van de min wordt
voorgesteld, de zege op zijn eigen hartstochten behaald zal hebben:
Wanneer hy die heeft in zijn dwang,
Zo helpt hem God wel op (eer langh)
Tot Staten hooch verheven
De hoogste morele kwaliteit en de hoogst bereikbare sociale status
(‘Staten hooch verheven’) vinden elkaar inderdaad aan het einde van
het spel in het huwelijk van Aartsche Diana met de arme ridder eens bestemd tot
voedsel van de wilde dieren! Voor de 20e-eeuwse lezer van het stuk verschijnt
een dergelijk ongelijke verbintenis alweer, als een niets zeggende litteraire
conventie, maar voor de contemporaine toeschouwer lag dat totaal anders. Zijn
ethische code werd immers gedicteerd door de eer; eer was de motivatie van alle
handelen; en de openbare erkenning van een hoog gekwalificeerd handelen bestond
dan ook uit begiftiging met eer, d.w.z. een rang, een titel, een
aanzienlijke functie, kortom een hogere sociale status
11.
En nu dan de zeer essentiële vraag waarom het voor Zeege-heer
mogelijk is een huwelijk aan te gaan met Aartsche Diana, wier min hij, evenals
die van Aardighe, uit ‘reine liefde’ voor Margareete had
afgeslagen.
Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moeten wij ons er rekenschap
van geven dat het huwelijk, de derde formule die de man-vrouw relatie regelt,
in de Renaissance veel meer een sociale dan een persoonlijke waarde
vertegenwoordigt. Pierre Charron en Pierre de la Primaudaye bijv., twee veel
gelezen moraalfilosofen, onderscheiden het huwelijk duidelijk van de liefde
12. ‘Marriage’ schrijft Ruth Kelso, ‘is a
social institution, existing for the welfare of the family and the state.
Parents, most concerned for the future, are to choose a mate for son or
daughter according to every other consideration than love - wealth, birth, age,
reputation, parents, or profession’
13. De la Primaudaye spreekt er
uitsluitend over in termen van eerbaarheid en natuurlijkheid. Karakteristiek is
dat hij erop wijst hoe de Romeinen degenen die niet wilden trouwen streng
straften en | | | | hen verboden publieke waardigheden te bekleden
14. De maatschappelijke waarde die het huwelijk bezit, leidt er toe
dat alles vermeden moet worden wat de ethische code afwijst, reden waarom o.m.
beheersing van de zinnelijke begeerte voorop gesteld wordt
15.
Wat Zeege-heer, held van de temperantia, nu steeds ontweken
heeft, is niet deze honorabele, sociaal geaccepteerde en voor iedereen
verplichte wijze van verkeer met de andere sexe, maar de ongebonden minnelust.
Daartegen had hij zich gepantserd met de Margareete-liefde van ‘heldere
ghedachten’. In deze zo belangrijke kwestie is bovendien over hem beslist
en wel, zoals Charron dat adviseert door een derde partij, in dit geval de
keizer die zijn dochter als bruid aan de overwinnaar van prins Amaran had
beloofd. Een wettige verbintenis in de top van de maatschappelijke
hiërarchie en duidelijk gewild door de aardse en hemelse macht, verschafte
in tegenstelling tot de illegitieme min, een hoogstaand man als Zeege-heer alle
eer die hij begeren kon en die hem krachtens zijn grote morele
kwaliteiten en dienovereenkomstige handelwijze ook naar billijkheid
toekwam.
Zodra Aartsche Diana op het einde van het stuk met de woorden:
‘Ontfanght my u vriendin, en tot u wettich [cursivering van mij,
SFW] wijf’ over een legale verbintenis spreekt, antwoord
Zeege-heer dan ook:
Ghy heft my op den top des eers op 't onvoorsienste
Dat is een van de markantste regels in Zeege-heers veel betekenende
repliek. Er is geen enkele verwijzing in te vinden naar gevoelens voor de
persoon van de keizersdochter. Het aangeboden huwelijk beschouwt hij duidelijk
vanuit een maatschappelijk standpunt waarbij inschaling in de sociale orde op
de allereerste plaats komt - en daarmee weerspiegelt hij de opvatting van een
Charron, een De la Primaudaye. En wanneer hij de prinses even verder bekent
Ick heb niet durven dencken
Op 't geen dat u gelieft aan my zoo heus te schencken
geldt het hier niet Aartsche Diana's hart, maar haar hand want deze
is het die hem tenslotte brengt ‘op den top des eers’ en naar
‘de Staten hooch verheven’ die in het tweede bedrijf al in het
vooruitzicht waren gesteld. Het gaat hier dus allesbehalve om een
‘romantisch’ huwelijk uit liefde en dat is ook geheel conform
Zeege-heers voornemen in het vierde bedrijf dat hij
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . zal niet licht
bestaan
Een ander lief [dan Margareete, SFW] te trouwen
| | | |
waarbij de term ‘lief’ van de grootste
betekenis is.
En de gestorven beminde nu? Heeft een 17e-eeuwer zich kunnen
voorstellen dat zij haar lief een zo grote eer als hem thans ten deel valt, zou
misgunnen? Of dat zij totaal anders van aard zou zijn dan de nobele Creusa die
vanuit het hiernamaals haar Aeneas als bekroning van alle moeilijkheden de hand
van een prinses in het vooruitzicht stelde?
Een vraag die de hedendaagse lezer zich misschien zal opwerpen
betreft de relevantie van de tweekamp Zeege-heer - Amaran die aan de tot stand
koming van het huwelijk voorafgaat. En direct daarmee corresponderend de vraag
waarom Aartsche Diana's liefde voor haar ridder - evenals die van Aardighe
trouwens - gepresenteerd is als vleselijke min. Was dat niet gebeurd, zou dan
Zeegeheer niet aanmerkelijk eerder zijn bezwaren tegen bijvoorbeeld Aartsche
Diana's genegenheid hebben laten vallen met het gevolg dat de echtverbintenis
niet afhankelijk had hoeven te zijn van het duel met de Phrygische prins?
De beantwoording van deze vragen ligt op het vlak van de sociale
verhoudingen in de Renaissance. Zeege-heer is niets meer dan een doodgewone
ridder. Aan het begin van het spel wordt hij, een onbekende vreemdeling, zonder
relaties of bezittingen, invalide bovendien (hij veinst stomheid om zich niet
als Christen te verraden) opgenomen in de hofhouding van de keizersdochter. Hij
is haar dienaar, haar ondergeschikte, evenals trouwens van de koningsdochter
Aardighe. Hoe oprecht nu de gevoelens van de prinsessen voor Zeege-heer, naar
moderne maatstaven, ook mochten zijn, in de gangbare Renaissancistische ethiek
geldt het hier per definitie illegitieme liefde, minnelust, want aan een
huwelijksverbintenis kan niet gedacht worden. Daarvoor is de sociale afstand te
groot.
Bredero attendeert de toeschouwer/lezer daar ook
herhaaldelijk op en wijdt er zelfs aan het begin van het vierde bedrijf een
hele scène aan: het gemor van de hovelingen omdat de vreemdeling zonder
de daartoe vereiste status te bezitten zo dikwijls in de nabijheid van 's
keizers dochter vertoeft; een prerogatief dat, naar de mening van de gekrenkte
heren, slechts toekwam aan
De Koningen ghekroont, de Princen vanden bloe.
De Vorsten van het Rijck. De hoogh gheboren Heeren
Wij hebben hier te doen met een niet aan de Palmerijn-roman
ontleende, zelfstandige scène waarvan de stof bestaat uit het bekende
dilemma wat van hoger waarde is geboorteadel of karakteradel
16. De scène waarin
slechts één hoveling het opneemt voor de gemoedsadel, en dus voor
Zeege-heer, is toegevoegd met een duidelijk prospectieve opzet want het is
immers de innerlijke noblesse van de held die alle ‘Princen vanden
bloe’ weet te overtreffen en de prinses tenslotte als vrouw ontvangt.
De tweekamp met Amaran in het laatste bedrijf maakt de weg tot het
huwelijk pas wezenlijk vrij. Wanneer het leven van Aartsche Diana en de eer van
het | | | | hele rijk door de beschuldiging van de Phrygiër op
ontoelaatbare wijze bedreigd wordt, gaat de keizer over tot een belangrijke
maatschappelijke ingreep. Hij belooft zijn dochter tot bruid aan de overwinnaar
van de aanklager, wie dat dan ook zijn mag, en daarmee haalt hij de slagbomen
neer tussen hoog en laag. Hij ziet immers af van beide voornaamste condities
die elke vader, en hoeveel te meer dan een regerend vorst, in acht placht te
nemen bij de voorbereiding van een huwelijk van zijn kind: geboorte en middelen
17. In zijn hoogste nood legt hij
de beslissing over het lot van zijn dochter in Gods hand en daardoor kan de
triomf van karakteradel over geboorteadel geconcretiseerd worden
18.
De wettige verbintenis die Zeege-heer aan het eind van het stuk
aangeboden wordt, kan inderdaad pas dan plaats vinden wanneer door de uitslag
van het duel de maatschappelijke hiërarchie doorbroken is. De
Fortuinswisseling die van een berooide dienaar een vorstelijke bruidegom maakt
heeft dus moeten wachten op Amaran en zijn beschuldiging - waaruit blijkt dat
zelfs het onberekenbare lot onderworpen is aan de erotische ethiek van de
Renaissance.
| |
Samenvatting en conclusie
Met de verschillende gezichtspunten van waaruit in de Renaissance
de relatie tussen de sexen beschouwd kon worden, moet m.i. bij de interpretatie
van
Stommen ridder ter dege rekening gehouden worden.
Het drama is een spel van de Fortuinswisseling waarbij het verloop, volgens de
toenmalige litteraire norm, in dienst staat van een ethische demonstratie. In
hoc casu: door betrachting van temperantia zegeviert reine liefde over
vleselijke min; een kostbare uitkomst en dùs het eerbetoon waard van de
hoogste sociale positie. Daarom ben ik er ook van overtuigd dat het huwelijk
aan het slot niet beschouwd moet worden als een klaarblijkelijke noodsprong van
Bredero, maar integendeel, binnen het vigerende ethische
systeem, als een duidelijke noodzaak.
Instituut voor Vergelijkende Literatuurwetenschap
Ramstraat 31-33, Utrecht
s.f. witstein
|
*Dit artikel en de twee volgende zijn
uitwerkingen van voordrachten die gehouden zijn op het Nederlands
Filologencongres te Nijmegen in april 1974, waar ‘De conventies
betreffende liefde en vriendschap in de literatuur’ het centrale thema
van de sectie Nederlandse letterkunde was.
5Ed. C. Kruyskamp (Zwolle 1968), p. 115, r.
679-684.
6Zie over Fortuna: Kl. Heitmann, Fortuna
und Virtus; Eine Studie zur Petrarca's Lebensweisheit. Köln 1958, pp.
25-40 en de daar opgegeven litteratuur.
7M. Ficino, Commentary on Plato's
Symposium. The text and a translation, with an introduction by Sears
Reynolds Jayne (The University of Missouri Studies vol. XIX, Columbia 1944), p.
130.
8Zedekunst dat is
wellevenskunste (ed. B. Becker, Leiden 1942), boek I, de
hoofdstukken 6 en 7, pp. 29-42.
9Zie de moderne Londense editie van 1924, pp.
582-583 (herdruk van de uitgave 1651-2).
11C.B. Watson, Shakespeare and the
Renaissance concept of honor (Princeton 1960), p. 136.
12Pierre Charron, De la sagesse in
Toutes les oeuvres (Paris 1635), liv. I, ch. VLVI, ‘Du
mariage’, pp. 160-167; Pierre de la Primaudaye, L'académie
françoise (Saumur 1613), liv. I, ch. 45, ‘Du mariage’,
pp. 233-239.
13Doctrine for the lady of the
Renaissance (Urbana 1956), p. 164.
14De la Primaudaye, L'académie,
p. 237.
15Kelso, Doctrine, pp.
87-88.
16Zie Watson, Shakespeare and the
Renaissance concept of honor, pp. 76-82.
17Zie het hierboven gegeven citaat uit Kelso,
Doctrine; Kelso, Doctrine, p. 92 wijst er voorts op dat in de
traktaten over het huwelijk de vader geadviseerd wordt bij de keuze van een
echtgenoot voor zijn dochter niet altijd te kijken naar ‘wealth, birth,
ambition’ maar rekening te houden met hetgeen voor het meisje zelf het
beste zou zijn. Impliciet wordt hiermee nog weer eens aangegeven hoezeer de
hier genoemde kwaliteiten in de Renaissance doorslaggevend zijn geweest bij het
tot stand komen van een echtverbintenis.
18Overigens is het geen werkelijke
overwinning van kwaliteit boven geslacht. De toeschouwer wordt verscheidene
malen ingescherpt dat de vondeling Zeege-heer eigenlijk van hoge geboorte is,
o.a. vlak voor het duel met Amaran (r. 2361-2362). Hiermee verschaft
Bredero zijn held de meest ideale positie daar de
gebruikelijke oplossing van het vraagstuk geboorteadel-karakteradel stelt dat
de gelukkigste constellatie ligt in het samengaan van beide elementen (Watson,
Shakespeare and the Renaissance concept of honor, p. 81).
|
|