|
|
|
| | | | | |
Menanders Pleidooi
De
Trou-ringh van
Cats, gepubliceerd in 1637, is naar een aannemelijke
schatting van prof. Wille in De Nieuwe Taalgids van 1933, door ons
Nederlanders gedurende twee en een halve eeuw in ‘ver boven de honderd
duizend exemplaren gelezen’
1. Het is dus ongetwijfeld een
best-seller geweest die zijn populariteit tot ver buiten de tijd van zijn
ontstaan heeft weten te rekken. De indifferentie die
Cats, anders dan
Vondel,
Hooft en
Huygens, op het ogenblik ten deel valt in de kringen van
literair geïnteresseerden, is, zoals bekend, niet los te denken van de
vernietigende kritiek van
Potgieter en
Huet.
In de bundel
Aandacht voor Cats bij zijn 300-ste sterfdag die
in 1962 is uitgekomen, heeft prof. Kuiper die oordelen van Potgieter en Huet
nog eens naast elkaar geplaatst in zijn opstel
Jacob Cats voor het gericht van Potgieter en Huet
en hij besluit zijn karakteristiek, die ik hier bekortend weergeef, aldus:
‘Twee vonnissen werden over Cats geveld door twee grootmeesters onzer
negentiende-eeuwse litteratuur. Dat van Potgieter in
Het Rijksmuseum te Amsterdam (De Gids,
1844) was… vernietigend en in de lijn van de moordende caricatuur van
Cats in “Jan, Jannetje en hun jongste kind” (De Gids,
januari 1842): de leuterdichten rijmende beschermer van Jan Salie. Dat van Huet
in het essay “Jacob Cats” (De Gids
1863)… toonde inzicht in Cats' dichtwerk. Maar beide vonnissen hadden
dezelfde intentie: een vermeend onjuiste reputatie te breken… Zo is Cats
de tweede helft van de negentiende eeuw ingegaan. Onherstelbaar was zijn naam
als mens, als burger, als calvinist geschonden, - en de subtiliteiten van Huets
oordeel waren niet krachtig genoeg om zijn reputatie als dichter te
redden’
2. Tot zover
Prof. Kuiper.
Dat Cats het slachtoffer kon worden van Potgieter en Huet moet m.i.
voor een groot deel op rekening gesteld worden van een niet adaequate kennis
van de Renaissance bij de ‘twee grootmeesters’. Het knelpunt bij
deze 19e-eeuwers is voor een belangrijk deel gelegen in de erotische stof en
wel vooral in de behandeling van die erotische stof. Voor Huet is het
werk van Cats niets anders dan een ‘door zijnen omvang gedrochtelijken
bundel erotische poësie’ die een vermenging te zien geeft ‘van
de deftigheid eens zede- en godsdienstleraars met de dubbelzinnigheid van een
plattelands-minnedichter’
3. Dat
wij hier te doen hebben met een | | | | misverstand op rekening van het
ontbreken van het nodige perspectief is duidelijk. Voor de jonge brillante
Huygens, die
Cats in 1622 zijn
Costelick Mal opdroeg, voor de befaamde
Latijnse dichter
Barlaeus die onder de titel
Faces Augustae (1643) grote gedeelten uit de
Trou-ringh in het Latijn had vertaald, voor de
geleerdste vrouw in het 17e-eeuwse Nederland
Anna Maria Schuermans, aan wie de Trou-ringh was
opgedragen, en voor zovele andere erudiete en beschaafde tijdgenoten, was Cats
allesbehalve een triviale sexuele praatjesmaker.
Smilde in zijn in 1938 verschenen dissertatie over
Jacob Cats in Dordrecht huldigt de opvatting dat
Cats' bemoeienis met het huwelijk en al wat daarmee samenhangt, te verklaren
valt uit de behoefte die er in de Noordelijke Nederlanden bestond aan zekerheid
in kwesties van huwelijksmoraal, nu met de invoering van de Reformatie de
geschillen van matrimoniale aard niet meer onder het R.-K. kerkelijk recht
vielen
4. Daar
zit veel waars in, maar toch geloof ik dat er meer is; dat Cats, als hij geen
calvinistische Zeeuw was geweest, maar een katholieke Castilliaan, in principe
dezelfde stofkeuze gedaan zou kunnen hebben. De belangstelling voor huwelijk,
huwelijksmoraal etc. is immers typisch Europees-humanistisch, heeft zijn
klassieke wortels bij de Griekse en Romeinse moralisten
5 en bekommert zich absoluut niet
om de grens Rome-Genève. Cats schaart zich, en dat op z'n sterkst in de
Trou-ringh, met zijn juridisch en theologisch bepaalde dialogen achter
de vertelsels in de gelederen der humanistische geleerden voor wie matrimoniale
zaken een belangwekkende aangelegenheid vormden.
Erasmus,
Beza,
Heinsius en
Vives zijn niet de enige scribenten over dit onderwerp.
Wil men een indruk van de populariteit die de huwelijksstof genoot in de 16e en
de eerste helft van de 17e eeuw, dan hoeft men maar een bibliografisch
onderzoek in te stellen op het subject ‘marriage’. Men vindt dan
een ware overvloed aan materiaal van juridische, theologische en ethische aard.
Talrijke auteurs hebben na Vives' zo druk gelezen
De institutione feminae christianae van 1523, en
zijn in 1529 verschenen tegenhanger van de mannelijke plichten,
De officio mariti, het huwelijk tot object
gemaakt van hun geleerde studies. Daar is Thomas Becon met zijn
The golden boke of Christen matrimonye (1542),
Joh. Boscheus met zijn
Tractatus
δικαιογχμιας,
sive de justis, ac legitimis nuptiis libris septem distinctus
(1549), Delphinus met zijn
De matrimonio et caelibatu (1553), Ziletus met
Matrimonialia consilia (1580), Sanchez met
Disputationes de sancto matrimonii sacramento,
Tiraquelli met
De legibus connubialibus et jure maritale,
Amyraut met
Considérations sur les
| | | |
droits par lesquels
la nature a reiglé les mariages (1648), Seldon met
Uxor Ebraica, seu de nuptiis et divortiis (1646).
Dezen en talrijke anderen hebben in het Latijn of in de landstaal hun
tijdgenoten het hoe, wat en waarom van het huwelijk en van de plichten en
rechten der christelijke echtgenoten ingescherpt. Van het enorme materiaal dat
hier opgetast ligt, heeft Ruth Kelso in haar bekende studie over
The doctrine for the lady of the Renaissance
6 gebruik gemaakt om een enkel
facet te belichten dat vooral voor de litteratuur van belang is: hoe is het
Renaissancistische vrouw-beeld dat ons globaliter uit al deze schrifturen
tegemoet treedt. En ook miss Kelso verschaft ons een overstelpende litteratuur
waar het de werken van ethische en didactische aard over huwelijk en vrouw
betreft.
Temidden van al deze geleerde verhandelaars neemt
Cats een eigen plaats in. Hij stelt zijn dichterlijke
aanleg in dienst van zijn niet geringe kennis op het gebied van het
matrimoniale vraagstuk, en de gangbare Horatiaanse opvatting van het
dichterschap als een kunst om nut met aesthetisch genoegen op de juiste wijze
te vermengen, maakte het hem mogelijk zijn plannen te realiseren. Hij giet zijn
nutte wetenschap in een aangename vorm en geeft aan de contemporaine
problematiek rond het huwelijk een wijde verspreiding door deze te kleden in
een aardig en goed gesteld vertelsel in alexandrijnen, waarvan de nooit falende
cadans welhaast dwingt tot moeiteloos verder lezen. Niet het verhaal, niet de
liefdeshistorie is daarbij hoofdzaak, maar het hierdoor meegedeelde of hieraan
vastgeknoopte brok kennis op theologisch, ethisch of juridisch gebied dat de
gretige lezer onwillekeurig mee verwerkt. Cats' verhalen zijn vrijwel nooit
autonoom, maar altijd exempla, en exempla immers zijn er, volgens
goed rhetorische opvatting, dan ook op toegelegd om een stelling, een waarheid
of een overtuiging, met onomstotelijke kracht te demonstreren. Met zijn
exempla populariseert hij een stuk wetenschap in een bevattelijke en
beeldende taal, en het is deze kunst geweest die een man als
Barlaeus in Cats bewonderde en hem er toe bracht in een
van zijn brieven de Dordtse pensionaris met Socrates te vergelijken.
De correspondentie tussen Cats en Barlaeus die door Worp in het
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde van 1886 is
gepubliceerd
7, dateert uit de jaren '30. Op 7
november 1633 richt Cats tot de Amsterdamse professor het verzoek om de
Trou-ringh, het werk dat hij dan onder handen
heeft, in het Latijn te vertalen en hij licht hem daarbij in over de aard van
zijn nieuwe boek. Hij deelt de gevierde poëet mee dat hij zijn verhalen
uit | | | | Bijbelse, klassieke en moderne stof gekozen heeft en vertelt
tevens de opzet: eerst wordt een biezonder huwelijksgeval
‘poetice’, zoals
Cats schrijft, verhandeld, daarna worden n.a.v. het
verhaal verscheidene huwelijkse vraagstukken aan de orde gesteld
8.
Zoals wij weten zijn deze nabeschouwingen vervat in een prozadialoog tussen de
oudere, onderwijzende Sophroniscus en de jonge, leergierige Philogamus.
Barlaeus gaat niet dadelijk op de uitnodiging in en als
één van de bezwaren die hij tegen Cats' verzoek naar voren
brengt, noemt hij het feit dat hij liever geen liefdesgeschiedenissen behandelt
9. Cats
antwoordt onmiddellijk en tracht de gerezen opposities te bezweren. Het blijkt
nu o.m. dat hij een scherp onderscheid maakt tussen het schrijven van
minnehistories en het werk dat hij vervaardigt. Hij verlangt immers niet, zo
zet hij uiteen, dat Barlaeus ‘amores’ zal behandelen, ‘sed
serias narrationes matrimoniales’ waaruit duidelijke conclusies te
trekken vallen
10. M.a.w.
geen autonoom erotisch vertelsel, maar een ‘gericht’ verhaal, een
demonstratie, een exemplum op het gebied van de matrimoniale
problematiek. Barlaeus mag van Cats uit de voorraad ‘case
histories’ die de
Trou-ringh te bieden heeft, zelfs alleen die
gevallen kiezen waarin helemaal geen druppel minnesap te ontdekken valt, ja,
waarin stof behandeld wordt een tragedie waardig
11. In zijn verlangen Barlaeus zover te
krijgen dat deze toestemt in het maken van een Latijnse vertaling, stuurt Cats
hem op 1 december 1633 gedeelten uit twee verhalen. De toezending van deze
litteraire arbeid, en bovendien van wat wij tegenwoordig een relatiegeschenk
zouden noemen, enthousiasmeren Barlaeus zó dat hij Cats belooft de
translatie op zich te nemen. Tien jaar later komt deze inderdaad van de pers:
het is, zoals wij al gezegd hebben, een selectie uit de Trou-ringh
geworden waarvan de short title luidt:
Faces augustae (geheiligde fakkels,
‘bruiloftstoortsen’ dus). De verhalen die Barlaeus op 1 december
1633 van Cats ontving, spelen zich beide af in de klassieke oudheid. Het
zijn:
| a. | Ongelyck Houwelick, dat de geschiedenis vertelt
van de mismaakte filosoof Crates en de schone Hipparchia, |
| b. | Twee verkracht en beyde getrout
12, het vertelsel waarvan wij een passage zullen behandelen. |
In februari 1634 zendt hij Cats de vertalingen reeds toe en deze was
al even ingenomen met het vertaalwerk als Barlaeus met de originelen. Naar
aanleiding van Twee verkracht en beyde getrout vervaardigt Barlaeus
bovendien nog een
Elegia in Iocastae et Tryphosae nuptias - de
meisjes heten bij Cats Jocaste en Tryphose - die een summiere samenvatting
geeft van het vertelsel.
| | | |
Het verhaal luidt als volgt: volgens een wet in de
Oudheid mag een aangerand meisje het vonnis kiezen van haar schender. Zij kan
hem òf laten doden òf tot echtgenoot nemen. Op een kwade avond nu
onteert een jongeman achtereenvolgens twee meisjes. Het ene, Tryphose, een
strenge en waardige dame, eist bij de rechtbank de doodstraf, het andere,
Jocaste, vrolijk, lieftallig en zacht, vraagt met haar schender in het huwelijk
te mogen treden
13. De rechter beslist ten gunste van Jocaste, maar ook de
onberispelijke waardigheid van Tryphose blijft niet onbeloond. Haar
verontwaardigde redevoering en haar fiere houding in de rechtszaal hebben op
zeker edelman zo'n gunstige indruk gemaakt dat hij haar, ondanks het gebeurde,
tot zijn wettige echtgenote neemt. Deze geschiedenis beschouwt
Cats, en met hem
Barlaeus, dus niet als een liefdeshistorie, maar als een
‘seria narratio matrimonialis’. Zo ‘seria’ dat Barlaeus
die zich immers niet met ‘amores’ in wil laten, er zelfs een elegie
op maakt. Dat Barlaeus juist dit geval een elegie waardig keurt en niet het
Ongelyck Houwelick komt misschien omdat de
eerste vertelling niet een willekeurig antiek verhaaltje is, maar, naar mij
bleek, het onderwerp van een rhetorische oefening, en dus inderdaad niets met
een liefdesgeschiedenis te maken heeft.
Wij hebben hier nl. te doen met het thema van de vijfde
declamatio uit het eerste boek der
Controversiae van
Seneca rhetor, de vader van de filosoof
14. Het onderwerp van de baldadige jongen met
zijn twee minnaressen tegen wil en dank heeft furore gemaakt, want het gegeven
van deze
Raptor duarum ligt eveneens ten grondslag aan de
49e declamatio van Calpurnius Flaccus en bovendien is het beland in de
Gesta Romanorum, cap. IV
15.
Een declamatio was in de Griekse en Romeinse
rhetorica-scholen een voordracht die bedoeld was als een training in de
welsprekendheid. Er bestonden twee soorten declamationes: de
suasoriae en de controversiae. De eerste, de suasoriae,
waren oefeningen in de deliberatieve oratoria, waarbij men een gehoor moest
overtuigen om een bepaalde handeling al dan niet te doen. Het materiaal waaruit
zo'n suasoria opgebouwd moest worden, was van historische of
schijnhistorische aard, bv. Agamemnon ervan overtuigen Iphigeneia niet te
offeren. De andere soort, de controversiae, waren oefeningen in de
judiciale oratoria, de welsprekendheid die voor de rechtbank ontplooid werd.
Daarbij werd over een gefingeerd juridisch geval gesproken en werd een fictieve
dan wel een historische persoon aangeklaagd of verdedigd
16.
De controversiae werden beschouwd als het moeilijkste; trouwens, van de
judicia- | | | | le rhetorica met zijn zeer uitgebreide topiek werd toch al
het meeste werk gemaakt. Het materiaal van de controversiae was, om de
jonge studenten tegemoet te komen, meestal buitengewoon pakkend en heel vaak
aan de meer dan fantastische kant. Ik denk bv. aan het thema van de
oorlogsveteraan die beide handen mist en die zijn vrouw verrast in overspel.
Onmiddellijk beveelt de invalide zijn jeugdige zoon het schuldige paar te
doden, maar de jongen weigert, de echtbreker ontvlucht en de bedrogen
echtgenoot onterft zijn zoon. De juridische puzzle waarvoor de declamator nu
gesteld wordt en waarvan hij de oplossing zo welsprekend mogelijk ten gehore
moet brengen, is de volgende: geeft de oude Romeinse wet die toestaat dat een
echtgenoot zijn overspelige vrouw tezamen met haar minnaar doodt, de echtgenoot
ook het recht zijn taak te delegeren als hij zelf door een bepaalde situatie -
hier invaliditeit - niet in staat is deze ten uitvoer te brengen
17.
Ook de Raptor duarum geeft een dergelijk ingewikkeld en niet bijster
geloofwaardig geval te zien: moet de rechter de eis van het wraakzuchtige
meisje dat de doodstraf verlangt, inwilligen of moet hij toestemmen in de eis
van de vergevingsgezinde en bevel geven tot het huwelijk tussen onteerder en
onteerde. Niet alleen de schoffering van twee meisjes vlak na elkaar lijkt niet
erg te passen in het kader van de dagelijkse werkelijkheid, maar ook de wet die
het vonnis in handen legt van het slachtoffer, en dan nog wel een vonnis dat
twee zo extreme kanten uit kan, schijnt voor de gelegenheid verzonnen.
Inderdaad is deze wet ook fictief. Aan de declamationes werd meerdere
malen een lex ten grondslag gelegd die in werkelijkheid nooit bestaan
heeft
18, maar juist heel geschikt was als oefenmateriaal. Voor de student
in de rhetorica boden bv. de uitersten van huwelijkseis en doodseis voor
hetzelfde vergrijp, zoals dat in de Raptor duarum gegeven wordt, een
prachtige gelegenheid om zijn redenaarstalenten te ontwikkelen en te
demonstreren.
De moeilijkste kunst op het terrein van de welsprekendheidskunst, en
die in de Oudheid vooral in het juridisch pleidooi van optimaal belang genoemd
kan worden, is het vinden van de argumenten. De redenaar maakt daarbij gebruik
van het meest fundamentele van het gebouw der rhetorica, de inventio. De
inventio geeft, volgens de methode der dialectica, een rangschikking van
alle mogelijkheden die bewijsmateriaal in zich zouden kunnen bergen. Of om het
in de taal van de rhetorica te zeggen: de inventio is de systematisering
van vindplaatsen (Latijn: loci), die de spreker ten dienste staan om
zijn argumenten te kunnen opdelven.
| | | |
In redevoeringen buiten het judiciale en deliberatieve
genre, de litteraire (demonstratieve) redevoering, wordt de inventio
niet zozeer benut om bewijsmateriaal te leveren, alswel om de stof die men te
behandelen heeft rijker en voller te maken, te amplificeren.
Na het opsporen van de juiste argumenta voor de stoflevering
in de drie soorten orationes komt het er op aan, deze ook op de juiste
plaats in het betoog te zetten en dat leert de dispositio. Daarna moeten
de juist gekozen en juist geplaatste argumenta in het pak gestoken
worden van een duidelijke en fraaie taal - en daarmee zijn we beland bij de
stijlleer of elocutio, het enige onderdeel van de kunst der
welsprekendheid waarmee wij nog enigermate vertrouwd zijn en dat voor ons
vrijwel identiek is geworden met de rhetorica zelf. Inventio, dispositio,
elocutio, zijn de allerbelangrijkste technieken die de vervaardiger van
redevoeringen moet beheersen en waarbij de twee eerste, althans in de
Renaissance als de rhetorica een grote bloei beleeft, theoretisch onder de
dialectica konden ressorteren
19. Op de elocutio viel dan
de volle nadruk van de zuiver rhetorische bedrijvigheid. Voor de praktijk van
het schrijven maakte het echter weinig uit of men de middelen om de stof te
vinden ontleende aan een denkmethode die men dialectisch dan wel rhetorisch
beliefde te noemen
20.
Wil men zijn creatie ook ten gehore brengen, dan zal men bovendien nog twee
andere technieken moeten beheersen, nl. die der memoria en der
pronuntiatio. De memoria-kunst brengt de redenaar bij hoe hij het
opgeschrevene uit het hoofd kan leren, de pronuntiatio leert hem alles
over het gebruik van de stem en over de bijpassende gebaren. Zowel de keuze en
de rangschikking van het materiaal (inventio, dispositio), als de stijl
waarin dit gepresenteerd wordt (elocutio) - de voordracht nog buiten
beschouwing gelaten - beogen maar één enkel doel en dat is: het
auditorium ervan overtuigen dat de zienswijze van de redenaar de enig juiste
is.
De wegen nu waarlangs men dit bereiken kan, zijn volgens de
rhetorica-boeken drie in getal:
| 1. | men moet zijn gehoor delectare of conciliare,
dat wil zeggen voor de persoon van de spreker en voor de door hem voorgestane
zaak de sympathie winnen van het luisterend publiek of van de rechter |
| 2. | men moet door te docere een goed inzicht geven in de
zaken waar het om gaat |
| 3. | men moet door movere het gemoed van de toehoorders
(de rechter) in beroering weten te brengen. |
Het appèl op de gevoelens, het delectare en het
movere is van der- | | | | mate essentieel belang bij het
overtuigingsproces dat ook voor het treffen van de juiste snaar een
loci-systeem is ontworpen, dat overigens geheel identiek is met dat waarmee men
in staat wordt gesteld de juiste argumenta te vinden. Rationele
argumentatie en emotionele argumentatie vormen derhalve een hecht en elkaar
diep doordringend geheel dat maar één doel nastreeft: het
auditorium zo beïnvloeden dat het zich tenslotte conformeert aan de mening
en visie van de spreker.
De judiciale
Controversiae van
Seneca nu, houden zich bezig met het fundament, met de
inventio. Van ieder thema wordt een handjevol argumenten opgesomd dat
aan de orde gesteld kan worden. Wanneer wij nu de argumenten in de
Raptor duarum en die in
Cats' vertelling vergelijken, blijkt dat Cats de
declamatio van Seneca benut heeft in zijn pleidooien van de beide
meisjes voor de rechter. Zo laat hij Tryphose, de eiseres van de doodstraf, vol
verontwaardiging uitroepen:
O son keert uwen loop, en komt by nachte schijnen,
O nacht verkeert in dagh, en doet de maen verdwijnen,
.......................................................................
Hier komt een jonge maeght voor haren schender spreken,
En eyscht hem tot een man
21.
In de Raptor duarum exclameert de fiere dame insgelijks:
‘… sol contrario cursu orbem ducat’ etc.: ‘raptorem
rapta vindicat’
22 (… moge de zon in tegenovergestelde richting haar baan
beschrijven…: de geschondene neemt haar schender in bescherming). Deze
uitroep, zowel bij Seneca als bij Cats gekleed in een adunaton, waarmee
de onnatuurlijkheid beklemtoond wordt van het verzoek om met de jonge onverlaat
te mogen trouwen, behoort tot de bewijzen door middel van plechtige
verzekeringen (ex adfirmatione). Deze groep maakt deel uit van het
geheel der argumenta παθητικὰ,
de argumentatie op emotioneel niveau die wij zoëven genoemd hebben, en die
als functie heeft te spelen op het gevoel van de rechter of van het publiek.
Het emotionele bewijs ex adfirmatione, waartoe ook simpele exclamaties
van een adfirmatief karakter als ‘o schande!’ behoren, vindt
Quintilianus zo belangrijk dat hij het ontbreken ervan
grotelijks nadelig acht voor een betoog
23. Ook het argumentum ex similibus
24 waarmee Tryphose de ongerijmdheid aantoont
van een vrijspraak na een dubbel vergrijp, heeft Cats in Seneca's
declamatio kunnen aantreffen. Het enige wat hij hier doen moest, was het
al te Romeinse wegwerken van de misdaden begaan naast die van de verkrachting.
‘Gesteld’, zo redeneert Cats' Tryphose, ‘dat de booswicht
eerst | | | | manslag had gepleegd en daarna een meisje aangerand, zou hij
dan toch blijven leven alleen omdat de onteerde hem wilde huwen?’
25 In de
Raptor duarum roept de strenge tot de zachte:
‘Gij eist hem ten huwelijk, maar gesteld dat hij in dezelfde nacht waarin
hij u onteerd had, de wacht had verlaten, hij zou met de knuppel gestraft
worden, als hij heiligschennis gepleegd had, hij zou ongetwijfeld gedood
worden’
26. Of - om een laatste voorbeeld te noemen - : ‘De man die gij
wilt huwen’, roept
Cats' Tryphose haar medeslachtoffer toe, ‘blijkt
niet met één tevreden want
Hy heeft in korten stont, en sonder tusschen-nacht,
Twee vrijsters aen-geranst, en om haer eer gebracht
27’.
Dit argumentum ex tempore
28, dat aan een bepaald tijdstip - hier de ‘korten
stont, en sonder tusschen-nacht’ - bewijsstof ontleent, vinden wij in het
Latijn aldus terug: ‘Vide qualem habitura sis virum: non est una
contentus… ne una quidem nocte’ (Kijk eens wat een fraaie man ge
zult krijgen… met één is hij niet tevreden, zelfs niet op
één nacht)
29.
Maar Cats heeft meer gedaan. Verscheidene argumenten die zijn meisjes te berde
brengen berusten op eigen vinding en ook heeft hij het happy end voor de zo
rechtschapen Tryphose aan het slot toegevoegd. Maar bovendien, het lange
pleidooi dat de schender, Menander genaamd, voor zichzelf houdt en waarop wij
zo dadelijk onze aandacht zullen gaan richten, bezit geen pendant in de
declamatio. Bij
Seneca wordt ten gunste van de ‘raptor’ geen
woord gezegd. Dat is voor de hand liggend, want juridisch is hij niet
interessant daar mèt zijn bij een ieder bekende daad, zijn vonnis al is
gegeven. De uitvoering ervan hangt geheel af van de overtuigingskracht waarmee
de beide slachtoffers hun verzoek naar voren brengen.
Cats is er echter volkomen in geslaagd de jongeman een pleidooi in
de mond te leggen dat niet alleen geen overbodige, maar zelfs een
voortreffelijke indruk maakt binnen het geheel van het verhaal. Menanders
redevoering in de rechtszaal, hoe moeilijk ook te inventeren, gezien zijn
tweevoudige wandaad, draagt er ten volle toe bij voor de lezer de gerechtelijke
uitspraak ‘trouwen met Jocaste’ aannemelijk te maken. Misschien
heeft de pensionaris zich als jongen aan de Raptor duarum zelf nog op
school moeten oefenen en was de problematiek hem door en door vertrouwd, in
ieder geval is Menanders betoog een kundig pleidooi van de jurist-litterator
Cats geworden. Wij zullen zien op welke oratorische kwaliteiten 's jongelings
monoloog kan bogen.
| | | |
Zodra Menander zijn angst wat te boven is gekomen, daar
voor het gerecht, begint hij te spreken
30. En de eerste woorden die hij uit, bevatten de
ruiterlijke bekentenis van zijn daad:
Mijn heeren (is syn woort) siet hier een schuldigh man,
Die niet ontkennen wil, die niet versaken kan
Het droevigh ongeval van mijn onwijse jaren.
Wij hebben hier te doen met een emotioneel argument en wel met de
confessio criminis
31, die in het exordium van het betoog één van de
middelen vormt om de toehoorder benevolum (welwillend) te stemmen. Dit
benevolum parare in het begin van de redevoering is de eerste stap op
het lange pad van het sympathie winnen. En dit laatste is, zoals wij ons
herinneren, één van de drie procédé's die de
redenaar moet toepassen om zijn publiek naar behoren te overtuigen. Maar zodra
de spreker zijn betoog inzet, moet er nog meer gebeuren. Hij moet met
één klap de aandacht weten te trekken van een eventueel
gedesinteresseerd auditorium (attentum parare) en tevens moet hij de
toehoorder duidelijk op de hoogte brengen waarover de zaak precies gaat
(docilem parare)
32.
Menander doet echter geen van tweeën. In zijn geval hoeft immers niemand
geïnformeerd te worden daar de hele goe-gemeente al weet waarom de
jongeling voor het gerecht is gebracht. En de aandacht trekken is helemaal
overbodig, want de zaak waar het om gaat is al opzienbarend genoeg. De
welsprekendheidsleer geeft wel talrijke precepten en regels, maar deze willen
niet meer dan op mogelijkheden wijzen en de kundige orator zal dan ook het ene
voorschift voor zijn doel benutten en het andere links laten liggen. Voor de
schuldige Menander is het enige wat zin heeft, trachten iets van
benevolentia bij de rechter te kweken. Daarom grijpt hij ook, als hij
begint te spreken, naar het enige middel waardoor hij de rechtbank niet nog
meer tegen zich in zal nemen: de onomwonden confessio. In de wijze
waarop hij zijn bekentenis inkleedt wordt onze aandacht getrokken door het
regeltje: ‘Het droevigh ongeval van mijn onwijse jaren’. Nu moeten
wij ons goed realiseren dat het schenden van de kuisheid van een meisje een
daad was, zoals
Cats in het begin van zijn verhaal meedeelt, die in de
Oudheid in principe met de dood bestraft kon worden. Een dergelijk vergrijp
verzacht Menander nu door te spreken van ‘een treurig ongeluk’,
alsof hij niet de volvoerder was van een zwaar misdrijf, maar een
beklagenswaardig slachtoffer van het noodlot. Bovendien heeft hij het niet over
zijn ‘jonge’, maar over zijn ‘onwijse jaren’, daarmee
suggererend dat hij | | | | nog niet ten volle aansprakelijk kan worden
gesteld voor zijn handelingen. Hij maakt het allemaal minder erg, hij
vermindert de omvang en de zwaarte van hetgeen er gebeurd is. Dit verkleinen
van de daad is ook weer een bekende rhetorische greep en wordt de
minutio genoemd. Het is, evenals het tegenovergestelde, het vergroten
van de daad, een uitstekende methode, volgens de rhetorica-leerboeken, om de
affecten van de luisteraars te bespelen
33. De door Menander hier aangewende minutio, doet evenals de
confessio criminis een poging om een vriendelijker gezindheid, een
mildere stemming, jegens de schuldige op te wekken.
In de volgende regel gaat Menander nog een stapje verder
34. Nu de
gedachten van de rechter en het publiek in de richting van een ongeluk i.p.v.
een misdaad zijn gestuwd, waagt hij zijn ‘droevigh ongeval’ met
name te noemen, maar hij ziet er zorgvuldig op toe te blijven in de zo juist
aangeduide sfeer van noodlottigheid en onverstandigheid. En zo komt hij er toe
uit te roepen:
Eylaes! ick was te vroegh genegen om te paren.
De schending van de beide meisjes, niets minder dan een
dubbele halsmisdaad, wordt dus voorgesteld als iets van veel onschuldiger aard,
als jeugdige onstuimigheid, als een te hard van stapel lopen, waarbij het feit
dat het hier gaat om twee geheel is weggespeeld. Op dit stoute staaltje van
interpretatietechniek, op deze wel buitengewoon gedurfde minutio, volgt
direct weer de confessio criminis als was Menander bevreesd met deze wel
erg geflatteerde voorstelling van zaken toch te veel gevergd te hebben van de
benevolentia der toehoorders en opnieuw verklaart hij openhartig:
Ick heb, en ick bekent, ick hebbe groote schult.
Door de regelmatig afgewisselde dosering van confessio en
minutio is Menander er zozeer op gaan vertrouwen dat hij de gevoelens
van rechter en publiek in de juiste richting heeft geleid dat hij nu ook
ronduit het criminele karakter van zijn daad durft te ontkennen. En hij gaat
dit doen door de hem ten laste gelegde schending te vervangen door de
zoëven te berde gebrachte amoureuze haast. De ontering, die Menander als
een misdadiger buiten de maatschappij heeft geplaatst, wordt aldus
getransformeerd tot minnaarsongeduld, voor een jongeling een zeer vergeeflijke
staat, die ieder uit eigen ervaring kent en waardoor de beschuldigde zich doet
kennen als een normaal lid van de gemeenschap, | | | | dat zich in niets van
de anderen onderscheidt. Menander zegt het heel onomwonden:
Maer efter mijn misdaet en is maer ongedult.
Hiermee heeft de minutio-techniek haar hoogtepunt bereikt en
is tevens iets zeer ingrijpends gebeurd. Want het is Menander door het gestage
gebruik van de minutio, en na precies zes regels, gelukt om de
status van zijn zaak te wijzigen. Hij heeft zich uit de status
coniecturae naar de status finitionis weten te werken. Dat wil
zeggen dat Menander het uitgangspunt van het rechtsgeding ‘heeft de
beklaagde zich schuldig gemaakt aan maagdenschending?’ - en het antwoord
luidt hier onomstotelijk: ja - verschoven heeft naar een ander en veel
gunstiger niveau, waarop n.l. de definiëring van het factum, van de
daad, aan de orde wordt gesteld. Hij heeft zijn geval nu in deze positie weten
te manoeuvreren ‘er is oneerbaarheid gepleegd, maar moet er nu van een
schending gesproken worden of van minnaarsongeduld’
35.
Voor de in de leer der rhetorica geschoolde 17e-eeuwer moet deze
prestatie van
Cats in zo kort bestek opvallend geslaagd zijn geweest.
En misschien zal er wel iemand gedacht hebben aan
Cicero's pleidooi
Pro Milone, dat door
Quintilianus in het derde boek van zijn
Institutio oratoria juist als voorbeeld van het
verschuiven der status wordt geanalyseerd. ‘Heeft Milo Clodius gedood?
Ja. - Heeft Milo Clodius vermoord? Nee. Clodius viel Milo aan en Milo's daad is
bijgevolg te beschouwen als zelfverweer’
36. En pas
van daaruit wordt de verdediging verder ontwikkeld. Men kan nog naar een derde
status overgaan, de status qualitatis, waarin beslist moet worden
of de daad als goed of als kwaad te beschouwen is
37, maar Menander kan daar natuurlijk niet aan toekomen. Hij doet
wat binnen zijn omstandigheden mogelijk is en laat in ieder geval zien dat de
lessen van Quintilianus niet aan hem verspild zijn geweest. De verandering van
status, waardoor Menander het crimen afgeschud heeft, is van
essentieel belang voor zijn verdere betoog, want wij zien hem vanaf dat plan
zijn hele pleidooi opbouwen. Zorgvuldig zal hij immers de rol gaan spelen van
een jongeling overrompeld door vurige verliefdheid en de misdadige schender
wordt vergeten. Er is nog een vierde niveau van waaruit de verdediging
opgebouwd kan worden, de status translationis genaamd. De daar geldende
techniek bestaat uit het beschuldigen van de tegenstander, hetzij van dezelfde,
hetzij van een verwante daad
38. Menander raakt hier even aan, zij het overdrachtelijk en ludiek,
wanneer hij verderop in zijn re- | | | | devoering, bij het ter sprake
brengen van de charmes van zijn slachtoffer getuigt:
Sy had my eerst verkracht, eer ick haer maeghdom nam
39.
Deze beschuldiging die alleen maar bedoeld is als graadmeter van het
vrouwelijk sexappeal, wordt uiteraard niet door Menander benut voor een
feitelijke wending naar de status translationis. Maar de formulering is
pikant omdat op een erotisch plan gespeeld wordt met mogelijkheden die op het
gebied der judiciale welsprekendheid liggen. Voor
Cats' ontwikkelde tijdgenoten zal het spel ongetwijfeld
duidelijk zijn geweest.
Wanneer wij terugkeren tot onze tekst merken wij op dat Menander, na
zijn hoogste kaart op tafel gegooid te hebben, te weten het te fel oplaaiend
minnaarsvuur, de welwillende gezindheid van zijn gehoor nog op een andere
manier tracht te winnen dan door confessio en minutio. Hij stelt
ook nog zijn voorname afkomst in het licht:
Ick ben hier in het lant een edel-man geboren,
En van mijn ouders glans en heb ick niet verloren.
Ook met deze mededeling, het argumentum ex genere dat zijn
afkomst in het licht stelt, brengt Menander een voorschrift van de rhetorica in
de praktijk dat de orator leert in het begin van het betoog degene, om der
wille van wie gesproken wordt, in een prijzenswaardig licht te stellen door lof
te betrekken uit de kwaliteiten van zijn persoon (eveneens een emotioneel
argument.)
40 En een edele geboorte gold in de 17e eeuw, zo goed als
in de Oudheid, als een lofwaardige hoedanigheid waarvoor men niet licht
ongevoelig bleef. Menander besluit hierop zijn inleiding met nòg eens
een minutio, maar thans in verbinding gebracht met de zo juist
geëntameerde laus van de eigen persoon:
Had ick maer in-getoomt mijn grilligh
onverstant, (minutio)
Ick hadde nu getrout de beste van het
lant (laus).
Hiermee is het eerste deel van de oratie, het exordium, ten
einde. Het ligt niet in mijn bedoeling de rest van Menanders redevoering even
gedetailleerd te behandelen. Ik heb de inzet alleen willen benutten als
voorbeeld van de werkwijze van Cats. Wij hebben kunnen zien hoe hij met een
gering aantal rhetorische middelen als confessio, minutio, laus weet te
woekeren om een volko- | | | | men overtuigend begin op te bouwen dat de
geïnteresseerde toehoorder niet onwelwillend het vervolg van Menanders
relaas doet verwachten.
Dit vervolg is de eigenlijke argumentatio, de bewijsvoering
41, waarin Menander zich uiteraard niet van
schuld probeert vrij te pleiten, maar waarin hij begrip tracht te wekken voor
zijn handelwijze, overrompeld als hij was door minnehartstocht.
Deze argumentatio, die ik thans in grote lijnen zal
doornemen, is even simpel als logisch. Aansluitend bij het argument van de
nobele geboorte, laat Menander zien dat het hier niet alleen gaat om een
extern, maar evenzeer om een geestelijk goed, waardoor dit argument, volgens de
rhetorische voorschriften, pas zijn volle gewicht verkrijgt. Ook in zijn
‘stoute daet’, verzekert hij, is hij nl. ridder gebleven, daar
hij
Niet aen en heeft geroert een maeght van hooger staet
42,
maar, als een gentleman past, binnen zijn eigen stand is gebleven.
Dat men - dit terloops - in de verkiezing van een vrouw van hogere afkomst iets
onbetamelijks zag, is wellicht niet los te denken van
Ambrosius' geschrift
De Abraham, waarin de kerkvader de trouwlustige
mannen voorhoudt, ter vermijding van latere moeilijkheden, nimmer een partner
te kiezen die hen in middelen en geboorte overtreft
43. Na dit staaltje
van passend gedrag haast Menander zich naar een uitvoerige minutio,
alsof hij bevreesd is dat het auditorium bij het releveren van de ‘stoute
daet’, het begrip schennis weer te binnen zal schieten
44. Hij stelt het
daarom voor als ware er niets ergers gebeurd dan dat hij wat gekust had, nu ja,
in ieder geval niet meer dan wat ‘te rau gevrijt’
45. Daarop komt hij tot de kern van de zaak en brengt hij via het
argumentum ex causa, het argument waarbij het bewijsmateriaal uit de
oorzaak geput moet worden, drie oorzaken te berde die tot de daad geleid
hebben. Het zijn
De weelde van het lant, de jeught en hare vlagen
...............................................................
................................en even dese maeght
46.
Alleen op het meisje gaat hij verder in en wel door een beschrijving
van haar te geven waaruit de erotische macht moet blijken die zij op hem
uitgeoefend heeft. Dat wil zeggen, Menander licht één der
oorzaken, en dat wel de belangrijkste, toe, en ook hier toont hij zich een
uitstekende leerling van de rhetorica-klas. Bij | | | | Quintilianus immers kunnen wij lezen dat het bij sommige
argumenten nodig is ze te ondersteunen door te beschrijven welke kracht en
uitwerking op de mens er van ze uitgaat. Niet alleen zullen zij daardoor
versterkt worden, maar bovendien zal een dergelijke beschrijving ter
verfraaiing dienen, zodat de redenaar meer dan een enkel vleesloos skelet aan
zijn publiek kan presenteren
47. Het gaat hier dus om het voller en rijker maken van de stof, het
amplificeren, waardoor een tweeledig doel bereikt wordt, enerzijds een grotere
overtuigingskracht, anderzijds een verhoging van het artistieke peil. Menander
licht juist de macht van het meisje, en niet van de beide andere oorzaken zo
uitvoerig toe, omdat hij dan pas de kans krijgt zich in extenso te laten zien
als de door liefdesbrand verteerde, de enige rol waarin hij wat sympathie voor
hetgeen hij gedaan heeft zal kunnen verwerven.
Hij begint met een beschrijving van het kuis en verstandig voorkomen
van Tryphose, dat hem, hoe wonderlijk het ook klinken mag, tot onkuisheid heeft
geïnspireerd. Dankbaar wordt de antithese die dit oplevert uitgewerkt,
want de antithese is in de Renaissance een van de populairste stijlmiddelen
geworden:
..............................................................
En efter haer gelaet, dat noyt tot lust en streckt,
Dat heeft in mijn gemoet de lusten op-geweckt.
................................................................
De deught heeft even-selfs tot ondeught my gedreven,
De stilheyt tot gewelt, de tucht tot vuyle lust
48.
Vervolgens geeft hij het portret van de zo geheel andere Jocaste,
vrolijk, lief, bevallig, dusdanig onweerstaanbaar
Dat ick, geheel vervoert, haer blomtjen heb gepluckt
49.
En na de beide descripties van het voorkomen der meisjes en de
invloed daarvan op zijn sensuele gevoelens, ‘bewijst’ hij ook de
onweerstaanbaarheid van de liefdeshartstocht in het algemeen, en wel door
middel van het argumentum ex similibus met een exemplum en een
similitudo
50, die beide, volgens de rhetorica-boeken bij uitstek geschikt zijn
om een zienswijze te staven en bovendien gelden als van grote ornatieve waarde.
In het exemplum, dat steeds van historische of fabuleuze aard is
51, stelt Menander de goden voor ogen, die altijd aan de
macht van de hartstocht toegegeven en hun lusten nimmer bedwongen hebben; in de
similitudo, die zijn persuasieve kracht pleegt te ontlenen aan
vergelij- | | | | kingen getrokken uit het menselijk leven of aan de algemeen
bekende dingen in de natuur
52, vergelijkt hij de geheimzinnige attractie van een bekoorlijk
gezicht met de onverklaarbare aantrekkingskracht van de magneet op het staal,
van de amber op het stro.
Tegen deze achtergrond van de macht en de raadselachtigheid der
zinnelijke bekoring waagt hij het eindelijk de toehoorder het allerergste
argument tegen hem uit de hand te slaan, zijn schending van twee meisjes. Weer
grijpt hij hiertoe naar het argumentum ex causis, nu om de bewering te
poneren dat hij, hoe ongelooflijk het ook lijkt, voor twee kon vallen
omdat hij ook van twee hield.
Waer siet men (roept het volck) dat yemants losse sinnen
Oyt aen-gedreven zijn om twee gelijck te minnen.
Of soo dat oyt gebeurt, het is uyt geyle lust,
Die niet als met het sweert en dient te zijn geblust.
Dit had ick oock gelooft; maer, siet, ick ben bedrogen,
My hebben twee gelijck tot hare min getogen
53.
Zoals hij het eerste argumentum ex causis, het meisje,
verstevigd had met een beschrijving van de charmes van het object zijner
begeerte, zo amplificeert hij thans het argument van de liefde tot beiden met
een uitvoerige liefdesdeclaratie, beurt om beurt gericht tot Jocaste en
Tryphose. Het wegspelen van het feit dat het om twee meisjes gaat is nu
definitief ten einde, integendeel, alles is er op gericht de tweeledigheid van
zijn gevoelens tot uiting te brengen. Menander die de zinnelijke bekoring
waaraan hij ten prooi is gevallen afgemeten heeft aan grandioze en
buitenmenselijke zaken als de goden en de raadselen der natuur, belijdt nu
ronduit zijn evenzeer onalledaagse liefde; een liefde voor de een zowel als
voor de ander, zonder dat hij een keuze kan maken:
En schoon of dese twee in wesen zijn verscheyden,
Noch sweeft des niet-te-min mijn liefde tusschen beyden,
En als mijn innigh hert hier van een proeve doet,
'k En weet niet wieder staen, of wieder wijken moet
54.
Met deze climax is zijn argumentatio ten einde. Het is hem
gelukt de aanklacht ‘schending van twee’ om te zetten in
‘liefdesbrand voor twee’, en dat voornamelijk door royale
amplificaties van de argumenta ex causa - 1. het meisje/de meisjes die
oorzaak was/waren van de hartstocht, 2. de liefde die op haar beurt de oorzaak
was van de hartstocht. Hiermee heeft
Cats zeker voldaan aan de | | | | eisen van zijn tijd
die de copieusheid van stof in het litteraire werk tot een artistiek postulaat
had verheven.
Het sluitstuk van zijn rede, de peroratio, begint Menander
met de geijkte kortheidsformule; wat zal ik verder zeggen. Daarna recapituleert
hij de hoofdzaken van zijn betoog, zoals in het slot van de redevoering
gebruikelijk is. Hij releveert zijn liefde voor de beide meisjes en voegt er
aan toe, gelijk een oprecht minnaar past, dat hij zich graag bij hun wil zal
neerleggen. Tenslotte spreekt hij hen samen aan, wat moge tonen hoe zeer zij
een twee-eenheid voor hem vormen, belijdt voor de laatste maal zijn schuld en
besluit met zijn ondergeschiktheid aan hun wil.
Prinçessen allebey, wat sal ick my verschoonen?
Ghy kont, wanneerje wilt, my straffen of beloonen.
Brengh hier een rose-krans, of wel een vinngh sweert;
Want, 't zy ick leef of sterf, ghy zijt het beyde weert
55.
Zo blijkt dat achter de monotone dreun van
Cats' alexandrijnen en de schijnbare eenvoudigheid van
een willekeurige monoloog uit een van zijn vele vertelsels, een stuk techniek
schuil gaat dat de Dordtse pensionaris stempelt tot een bekwaam litterator
binnen de eisen die de 17e-eeuwer aan het dichterschap stelde. Een vakman die
de lof van zijn tijdgenoten verdiend heeft omdat hij erin slaagde de destijds
belangrijk geachte stof met betrekking tot huwelijk en huwelijksmoraal, in een
even heldere als stilistisch gewaardeerde vorm te gieten.
Ik geloof niet dat de jonge
Huygens in de vroege jaren '20 met zijn verering voor
Cats een blijk van verblinding heeft gegeven, en ook
niet dat
Anna Maria Schuermans zich in de late jaren '30
bijzonder ervoor geschaamd zal hebben dat de
Trou-ringh aan haar zeer geleerde persoon was
opgedragen. De oorzaken van deze instemming enigszins op het spoor te komen,
kan misschien een allereerste stap zijn naar een daad van eenvoudige
rechtvaardigheid.
|
1De Proef-Steen van den
Trou-Ringh, p. 337.
3De Gids, 1863 (4), p. 122.
4Jacob Cats etc., p. 199-200.
5Vgl. N. Geurts,
Het huwelijk bij de Griekse en Romeinse
moralisten, Amsterdam, 1928.
7De Latijnsche vertaling van Cats'
Trou-ringh, p. 18vv.
8De Lat. vert. etc., p. 19-22.
9De Lat. vert. etc., p. 22.
10De Lat. vert. etc., p. 24.
11….. et poteris tales Casus tibi assumere,
ubi ne guttula istius succi amatorij, argumenta, inquam, Cothurno digna ( De
Lat. vert. etc., p. 24).
12's Werelts Begin, Midden, Eynde,
besloten in den Trou-ringh etc. (Dordrecht, 1637), tweede deel, p.
274vv.
13In hoeverre de zozeer van elkaar verschillende
meisjes een in de Renaissance meer voorkomend contrasterend typenpaar
vertegenwoordigen, zou een nader onderzoek vergen.
Cats maakt van dergelijke tegengestelde figuurtjes in
elk geval vaker gebruik; in
Houwelyck b.v. zijn van de dialoogvoersters
Anna-Phyllis en Sibille-Rosette de eersten ernstig, de tweeden aan de wat
onbezorgde kant.
14Ik trof het gegeven van de Schaker van Twee als
declamatio-stof aan in het uiterst nuttige werk van D.M. Clark,
Rhetoric in Greco-Roman education, New York, 1957, p. 232. - Prof. Smit
heeft in zijn bijdrage aan de bundel Aandacht voor Cats op deze
vermelding bij Clark reeds de aandacht gevestigd. Zie Aantekeningen bij het
proza van Cats, p. 80.
15De Middeleeuwen hebben in de stof die t.b.v. het
vervaardigen der declamationes verzonnen werd, novellen gezien. Bij
wijze van korte vertelsels heeft men de Controversiae van Seneca dan ook
in de Gesta Romanorum opgenomen. Zie L. Friedlaender, De Seneca
controversiis in Gestis Romanorum adhibitis. Königsberg,
1871.
16Clark, Rhetoric etc., p. 213.
17Clark, Rhetoric etc., p. 232.
18Een onderzoek naar de authenticiteit van de
wetten die in de rhetorische oefeningen naar voren komen, is ingesteld door J.
Sprenger in een proefschrift getiteld Quaestiones in rhetorum romanorum
declamationes iuridicae. Dissertationes philogicae Halenses, vol. XX, Halis
Saxonum 1912. Voor de wetten op de schending van een vrouw of meisje, zie p.
203vv.
19W.G. Crane, Wit and Rhetoric in the
Renaissance, New York, 1937, p. 55.
20Crane, Wit and Rhet., p. 89.
22Annaei Seneca oratorum et rhetorum
sententiae divisiones colores, ed. A. Kiessling, Lipsiae, 1822, p. 108, r.
8 vv.
23Institutio oratoria, lib. V, cap. XII,
par. 12.
24Quintilianus, Inst. orat., lib. V, cap.
X, par. 73. - H. Lausberg, Handbuch der literarischen Rhetorik, 2. Bde,
München, 1960, par. 394.
26Ann. Sen. orat., p. 109, r. 17
vv.
28Quintilianus, Inst. orat., lib. V, cap.
X, par. 42 vv.
29Ann. Sen. orat., p. 107, r. 22.
30De eerste tien regels waarmee Menander zijn
betoog opent en die hierboven besproken zullen worden, luiden aldus:
Mijn heeren (is syn woort) siet hier een schuldigh man,
Die niet ontkennen wil, die niet versaken kan
Het droevigh ongeval van mijn onwijse jaren.
Eylaes! ick was te vroegh genegen om te paren.
Ick heb, en ick bekent, ick hebbe groote schult,
Maer efter mijn misdaet en is maer ongedult.
Ick ben hier in het lant een edel-man geboren,
En van mijn ouders glans en heb ick niet verloren.
Had ick maer in-getoomt mijn grilligh onverstant,
Ick hatte nu getrout de beste van het land
31Zie Lausberg, Handbuch etc., par.
273.
32Zie voor de eisen die aan het exordium
gesteld worden, Quintilianus, Inst. orat., lib. IV, cap. I.
33Zie Lausberg, Handbuch etc., par.
259.
35Vergelijk Quintilianus, Inst. orat.,
lib. III, cap. VI. - Lausberg, Handbuch etc., par. 149-170.
36Clark, Rhetoric etc., p. 72. -
Quintilianus, Inst. orat., lib. III, cap. XI, par. 15-17.
37Zie Lausberg, Handbuch etc., par.
171-196.
38Zie Lausberg, Handbuch etc., par.
197.
40Zie Quintilianus, Inst. orat., lib. IV,
cap. I, par. 13.
41De rhetorica-boeken bouwen de redevoering
gewoonlijk op uit vier of vijf componenenten, te weten: 1° exordium,
2° narratio (feitenrelaas), 3° argumentatio, vaak
gesplitst in probatio of confirmatio en refutatio - resp.
bewijsvoering ter versterking van de geloofwaardigheid van de eigen mening,
bewijsvoering ter verwerping van de mening der tegenpartij -, 4°
peroratio. Voor andere onderverdelingen, zie Lausberg, Handbuch
etc., par. 262. - Van de narratio maakt Menander geen gebruik daar het
gebeurde reeds volop bekend is.
43Opera, I, ed. Carolus Schenkl, Pragae
etc., 1897 (repr. New York etc., 1962), p. 506, C 9-D 16 in Corpus
scriptorum ecclesiasticorum latinorum, vol. XXXII.
45Lausberg, Handbuch etc., par.
378-381.
46Alle d.w. etc., p. 83, 1e
kol.
47Inst. orat., lib. V, cap. XII, par.
7.
50Lausberg, Handbuch etc., par.
394.
51Fabuleus in de zin van: tot de mythe,
de vertelling, de litteratuur behorend. Zie Lausberg, Handbuch etc.,
par. 411-414.
52Lausberg, Handbuch etc., par.
422.
|
|