[p. 24]
[p. 25]
Met de auto
De motor raast, we glijden door het land,
een vrouw met rode schort
hangt wit wasgoed aan de lijn,
een meisje bij een hek streelt paarden,
een zwarte poes, net Lucifer, springt van een vensterbank.
Je wordt moe van niets, zo merk je,
en de sigaretten van je vader
ruik je achterin het meest.
Mag het raampje open?
Buiten zijn geel-groene weiden en verweg een wit spits kerkje.
's Avonds, zoveel later, vallen sterren op
vergeten dorpen en steden,
de meters bij het stuur zijn groen,
je moeder doet het binnenlampje aan
en zoekt naar pepermunt en drop.
Je kijkt naar plaatsen zonder namen
en je slaperige kop in de spiegels van de ramen.