[p. 37]
Ik kan niet slapen
Niet kunnen slapen en het warm
hebben, alle dekens af en denken
aan wat leuks, het dal met het huis,
als je droomt val je vaak en morgen
morgen denk je ben je moe.
Buren spelen piano, een deur slaat dicht,
stemmen van buiten, onverstaanbaar. Zo warm.
Beneden krijg je warme melk,
de televisie staat aan - er is rommel
op tafel; je vader en moeder hebben het druk
ze hebben boeken en bier voor zich op tafel.
Weer boven. Als je straks maar niet valt,
niet dromen van vallen. Wat zal het ook.
Zacht ruist het water door de radiator
of gonst er een grote rode tor? Zo warm.