Maar ik vergeet mij zelven. 't Is geen predikatie, maar een verzameling van reis-aanteekeningen, die de lezer recht heeft te verwachten. 't Was dan aan deeze zoort van woeligheid te wijten, dat ik mij in den herfst van 1784 na Constantinopolen opmaakte, waar ik ('t geen 't mooiste van de zaak is) kennis noch maag, en ook niet recht met mij zelf uitgemaakt had, wat te doen.
Men reist derwaards langs twee wegen, Weenen, Belgrado enz. of van Marseille over zee. Een van de drie dingen, waarover marcus aurelius berouw hadt, was ('k zou de twee anderen wel zeggen; maar de vriendschap der vrouwen is mij te veel waerd) den weg te water genomen te hebben, wanneer 'er
een te land was. Hadt hij de eene en andere cours in mijn geval kunnen vergelijken, misschien zou hij wel van sentiment veranderd hebben. Zeker is 't dat voor hem, die de zee verdraagen kan, de laatste de voorkeus verdient. De andere is veel bezwaarlijker, afmattender, onderheevig aan ongevallen. Voor 't overige zou 't mij in 't minst niet verwonderen, dat een Duitscher stijf en strak staande hield, dat de weg door zijn vaderland duizendmaal vermaaklijker is dan die door Vrankrijk. Ik voor mij ben nedrig van gevoelen, dat 't laatste den reizenden meer genoegen en gemak verschaft, dan eenig ander land in, en ik geloof, buiten Europa.
't Is niet, dat de Franschen dat aangenaam vrolijk, beleefd volk meer zijn, 't geen 't in de zestiende en zeventiende eeuw was. Hun karakter is onkenbaar geworden. Die de menschen uit de boeken, die malkander copiëeren, en niet uit de praktijk en omgang beöordeelen, zullen 't niet gelooven. Hun zingen is geen bewijs van vrolijkheid; hun
lagchen komt niet uit den grond des harte; hunne beleefdheid spruit min uit menschlijkheid, uit een zucht om u te dienen, dan uit een drift om een vertooning te maaken van hunne gemanierdheid, en daardoor hunne verwaandheid te koesteren. Zedert de waterdrinkerij in hunne zamenleeving is ingevoerd, heeft een koude, gemanierde, hoogmoedige, verontwaerdigingsvolle achterhoudendheid de plaats ingenomen der vrolijkheid, der oprechtheid en der goedhartigheid. De heftigheid en de onstuimigheid van hunnen aart maaken, dat zij moeijelijk te regeeren zijn. Wanneer ik in den winter van 1785. de buiten-rheede van Toulon omwandelde, en met zeker Heer (den R.v.K.) over de gesteldheid van zaaken in dat koningrijk sprak, deeden deeze in 't oogloopende hoedanigheden der Fransche natie, gevoegd bij hunne verminderde koningsliefde, die zij voortijds tot afgoderij dreeven, ons eene voor de deur staande omwentelinge in 't zelve voorspellen.
Iets meer van een zoo bekend land te zeggen, was voorzeker mostert na den maaltijd.