terug  begin  verder
[p. 270]origineel

Vierde bundel.

't Militaire weezen der Turken te water en te land.

Il y a, lui dirai- je, un autre moyen d'employer son temps & sa personne; c'est de se mettre au service, c'est-à-dire de se louer(74) à très-bon compte pour aller tuer des gens qui ne nous ont point fait de mal. Ce metier est en grande estime(75) parmi les hommes, & ils font un cas extraordinaire de ceux qui ne sont bons qu'à cela.’
j.j. rousseau, Emile, Tom. IV.

Niets vordert meer omzichtigheids dan 't

[p. 271]origineel

vaststellen van algemeene regels. Meenig-

[p. 272]origineel

maal slaapt men gerust, en ziet! daar duikt

[p. 273]origineel

een onwelkome exceptie uit den hoek, en

[p. 274]origineel

't gansche gebouw stort in(76). Dus stelt de Heer guibert in zijn Essai Général de Tactique, een werk boven mijn lof, een werk, waarvan 't discours préliminaire mij een meesterstuk van den allereersten rang is toegescheenen, ‘dat de historie van ons Heel-al ons de Krijgskunst voorstelt als daalende bij de volkeren, naar maate andere kunsten 'er vorderingen bij maaken’(77). Op dien voet zouden zij bui-

[p. 275]origineel

tengemeen moeten bloeijen in Turkijen; en 't omgekeerde van 't voorstel zou bewijzen, dat ze in de Staaten van Pruissen pas in de wieg zijn.

Even als in de werktuig-kunde 't rijzen of daalen van een schaal niet enkel afhangt van 't af- of toedoen van haar gewicht, maar ook van dat der tegenoverhangende schaal, even zo hangt de bloei of 't verval van een Staat niet enkel af van de wijsheid zijns staatkundig en militair bestiers alleen, maar ook van de zwaarte of sterkte zijner nabuuren. Dus kan een Rijk, zonder de minste inwendige verandering te ondergaan, in consideratie winnen of verliezen, in reeden der politieke gedaante verwisselingen van andere, principaal aangrenzende, rijken.

Van deeze waarheid is Turkijen een spreekend bewijs(78). Zonder de dweeperij, gebooren

[p. 276]origineel

uit domheid, zonder de verdeeldheid, de nietigheid der Grieksche Keizers, zou dit land nimmer tot dien trap van aanzien zijn gesteegen. Zo ook deszelfs legers even zo goed waren als in de zestiende en zeventiende eeuw, laat 't zich toch niet aanzien, dat de Turken eene derdemaal Weenen zullen beleegeren. De kruisvaarten getuigen van de betrekkelijke zwakheid der kristen Vorsten, en van de sterkte der Turken. En nu is, binnen hondert jaaren, eene Mogendheid opgereezen, die alleen en lust en magt genoeg heeft, om dit gansche Keizerrijk opteslokken; die, onder

[p. 277]origineel

voorwendzel van de Grieken in hun oude bezittingen en vrijheid (God betert!) te herstellen, dit land zoekt te overheeren. Rusland alleen is zo zeker in staat dit ter uitvoer te brengen, als 't, misschien reeds zedert peter I. 't voorwerp zijner begeerlijkheid geweest is. Waarom zou deeze Czaar anders 't zich zo aangeleegen hebben laaten zijn Asof te veroveren, zo 't niet geweest was zich daardoor een toegang naar Constantinopolen te openen?

Zo veel vermag sterkte, gepaard met beleid, boven sterkte alleen!

Vis consilî expers mole ruit sua. Horat. Lib. III. od. IV.

Zodra de Vorsten eene manier van oorlogen invoerden, waarin 't meer op militaire discipline dan op personeele bravoure aankwam, moesten de Muzulmans achterleggen.

Betracht men nu, om dit in 't voorbij-

[p. 278]origineel

gaan optemerken, dat 't weezen der militaire discipline daarin bestaat, dat zij ons ons verstand en wil doet afzweeren, om onze beweegingen te regelen naar 't verstand en den wil der gebiedvoerders, eene metamorphose, die van een mensch eene machine maakt, die alleen door de vreeze daar gesteld, en dus onder slaaven best kan worden ingevoerd: betracht men dit, en herinnert men zich, hoe verre de Turken daarvan afzijn, zal men met beide handen kunnen tasten, dat zij, 't even ver van slavernij zijn.

Soldaaten en alle subalternen zijn voorwaar niet meer dan machinen. Hoe zij, gezondheid en een gehard gestel gelijk gesteld, dommer, dat is, min raisonneurs zijn, zich door de vrees (wie zou 't gelooven!) meer laaten regeeren, hoe zij beter zijn. Even als de affuiten machines zijn die de kanonnen draagen, zo zijn, in welgedisciplineerde

[p. 279]origineel

armeeën de soldaaten machines, die 't de musketten doen; met dit onderscheid, dat de kragt, die de eersten doet voortrollen, van voren is, de paerden die 't de soldaaten doet doen, van achteren, de stok. - Of nu weezens, begaafd met 't vermogen om 't waare en 't valsche, 't goede en 't booze uit elkander te ziften, dit vermogen afzweeren mogen, en zich als blinden en dooven laaten gebruiken, om hun evennaasten te verdelgen, is eene vraag, die niemand met jaa beantwoorden durft. En deeze stand is 't, waaraan de waereld, voor verre 't grootste gedeelte, haar ongeluk moet wijten. Hadden de Vorsten deeze luiden niet te gebieden, zouden zij niet zo veel kwaads kunnen stiften.

De tijds-omstandigheeden, die wij beleeven, de groote Alliantie van Rusland en Oostenrijk, die niets minder beoogt, dan zekere, oude, wurmsteekige ...., die reeds

[p. 280]origineel

veel te veel hooi op haar vork heeft, te zetten op den throon der Grieksche Keizers(79), den Turken bij provisie alle hunne bezittingen in Europa afteneemen, enz. omstandigheeden, die van een veruitgezienen invloed op de belangens van verscheide Mogendheeden van ons waereld-deel zijn, dit alles moedigt mij aan 't militaire weezen der Turken een weinig meer bijzonder te behandelen, te meer daar ik mij juist in de geleegenheid vinde over dit onderwerp eenig licht te verspreiden, en mijn lezer eenige partikulariteiten mede te deelen, die hij bij mogelijkheid niet kan weeten.

[p. 281]origineel

Om 't beste beentje vooruit te zetten, zal ik beginnen met hun Zee-weezen.

Te vergeefs gaven hun de Russen, die zelve 'er geen groote tovenaars in zijn, hun op den 7 Julij 1770, een dag, waarop zij hunne gansche zeemacht zagen vernielen, enkel en alleen door hunne onkunde, daardoor aan den dag gelegd, dat zij met een talrijke vloot de wijk neemen in eene baai, waarvan de ingang niet bedekt wordt door batterijen te land; te vergeefs, zeg ik, gaven hun de Russen deeze heilzaame les, dat men bovenal ter zee met dapperheid alleen aan laager wal raakt; zij schijnen 't noch niet ooirbaar gevonden te hebben, zich bekwaam te maaken.

De Capudan-Pacha, nu een grijzaart, van een beproefden moed, van een reputatie boven dien moed, langen tijd de Groot-Admiraal der Turksche Marine, een bestendig factotum onder de vorige regeering, is in hun zee-weezen de eenigste man, en

[p. 282]origineel

welke man! laat ik den lezer uit 't volgende opmaaken.

In den zomer van 't jaar 1787 legt hij met een gedeelte van zijn vloot in de golf of Limam van Oczakow. Deeze golf, die gemaakt wordt uit den verbreedden Dnieper en den Bog, die even boven die vesting 'er zich in ontlast, is oogschijnelijk zeer breed, maar in de daad is 't vaarwater voor groote schepen zeer eng, zo eng dat een groot schip 'er niet dan met moeite in wenden kan, en zeer moeijelijk te vinden. Daar hij nu 't vooruitzicht niet gehad hadt, om deezen tijd te nutten, en 't zelve te peilen, door merken of boeijen aftebaaken, en 'er een naauwkeurige kaart van te maaken(80) laat hij zich door Grieksche loot-

[p. 283]origineel

zen verleiden met zijne groote schepen deeze engte 't volgende jaar in te zeilen. Maar niet lang was hij in deeze fuik, of hij merkte zijne fout, en zogt wederom in 't ruime zop te komen. Dan dit mislukte hem; vijf van zijne zwaare schepen raakten aan den grond, en werden op één na verbrand(81).

[p. 284]origineel

In den zomer van 't jaar 1785 lag een esquader van den Capudan-Pacha voor zijn

[p. 285]origineel

sieflick of lusthuis, dus onder zijn neus, drie à vier maanden lang. Alle dagen voer

[p. 286]origineel

ik deeze schepen voorbij. Geene van hen hadt de zeilen aangeslagen; dus konden

[p. 287]origineel

deeze baarsche parlevinkers 'er ook niet mede excerceeren: even min oefenden zij zich met 't geschut of eenig scheeps-handwerk, maar leefden 'er als in een prove-

[p. 288]origineel

niershuis. Wat kan dat voor een Groot Admiraal zijn!

De Reisen of Kapiteins, die over de Turksche marine het bevel voeren, zijn al-

[p. 289]origineel

le even ontbloot van kundigheeden omtrent de zeevaart, de behandeling van een

[p. 290]origineel

schip, en (is 't nodig te zeggen?) een taktiek. Zij moeten 't bevelhebberschap over een oorlogschip koopen. Zonder acht te geeven op iets, dat na verdiensten gelijkt, bekomt de meestbiedende den voorrang. Hierom tracht hij zich op alle mogelijke wijzen schadeloos te stellen, en zijn voor-

[p. 291]origineel

schotten weder te innen. Naauwlijks zijn zij buiten 't gezicht van Constantinopolen, of zij zetten de helft hunner manschap aan wal, ten einde hun maandgeld en 't profijt der mondbehoeftens na zich te haalen. Eene zo aanzienelijke vermindering van volk zou hen aan groote gevaaren kunnen blootstellen, droegen zij geen zorg de eerste haven de beste te zoeken, daar maanden te blijven leggen, en die niet dan met een goeden voordenwind te verlaaten.

Hunne stuurluî, meest Grieken, hebben geen kennisse van de stuurmanskonst. Zij hebben, of hadden voor korten tijd nog groot gebrek aan kaarten(82). Die van de

[p. 292]origineel

Zwarte Zee, die naar de observatiën van den Heer Ridder van kinsbergen, door den Heer Kapitein van woensel gemaakt en bij van Keulen uitgegeeven is, welke ik den Terserai Emini (na den Capudan Pacha, den eersten man in hunne marine) schonk, was hem een zeer welkom present. Land-kennis, verkreegen door eene lange ervaaring, is 't eenigste waarop zij vaaren. Verliezen zij den wal uit het gezicht, zo zijn ze 't boekje kwijt; 't kompas kan hen niet helpen. Wordt 'er eens een Caravel na Egypte of de kusten van Syriën gezonden, zo gaat de kapitein eerst na Smyrna om af te wachten 't vertrek van eenig kristen-vaartuig na de plaats zijner bestemming, 't geen hem tot loots moet strekken(83).

[p. 293]origineel

Aan boord van hunne schepen heerscht noch order, noch krijgstucht. Boô is 'er meester. Jan-maat is 'er baas. De victualie wordt 'er niet behoorlijk verdeelt, zo min als 't water. Iedereen eet apart, wanneer en wat hij wil; NB. zo hij 't heeft. De Turksche bottelier zou niet wel een lijst der aan boord zijnde victualie kunnen opmaaken.

Op de Admiraliteits-werf te Constantinopolen, die ik in 't bijzonder geval geweest ben meer dan vijftig maalen te bezichtigen (iets, dat de achterkouzige Muzulmans anders niet gaarne toelaaten) werkten in mijn tijd vijf hondert luî, of eigenlijk twee hondert en vijftig. Want ieder werkman niet meer dan 10 para's, een zesthalf, voor

[p. 294]origineel

dagloon krijgende, 't geen te weinig is, heeft vrijheid een leerborst, waartoe hij een jongen knaap neemt, mede te brengen, waarvoor men hem ook 10 para's betaalt. Voor 't overige werken zij zo weinig en steelen zij zo veel als mogelijk. Nu dit is niets bijzonders.

Wat aangaat den scheepsbouw en de takelagie, hierin schijnen zij een strootje gevordert te zijn; waarvoor zij de Engelschen en boven al de Franschen danken moeten. Hun beste schip zal nu dat zijn, 't geen door den Heer le roy, een Fransch Constructeur, in mijn tijd gebouwd is.

Hun scheepshuishouden is zo gebrekkig, als 't altoos geweest is. De kajuit is verdeelt in veele kleine kamertjes voor de officieren. Meenigmaal ziet men van buiten tusschen de vengsters breede planken als koekoeken uitsteeken, om van hunne buuren niet bekeeken te worden. Dit, hunne

[p. 295]origineel

ouderwetze, hooge spiegels(84) met vreemd snij werk, een overvloed van vermilioen en berlijns-blaauw zeer bont aangebragt, geeft hun een belachlijk aanzien. Boven op de kampagne staat een kiosk of pavillioen. Van voren tot achteren zijn de batterijen bezet met kleine houte hutten, waarin zij winkel, koffij-huis en keuken houden. Vuur en licht, pijpen enz. worden, in alle hoeken van 't schip, de kruid kamer zeker uitgezondert, alle uuren van den dag en nacht geduld.

Geschut-rollen, deziel der militaire discipline ter zee, die voor en in den slag ijder zijne plaatze en functie aanwijzen, en verstoken van dewelke een oorlogschip, bemand met

[p. 296]origineel

vijf of zes hondert koppen, een doolhof, een dolhuis wordt, 't excerceeren met 't kanon is 'er niet bekend. 't Zoude uuren vorderen, een Turksch oorlogschip tot den slag klaar te maaken: en noch hoe!

Hunne batterij is zamengesteld uit stukken van allerlei caliber: men ziet een zes-ponder naast een kartouw of zestig-ponder leggen. Ook zijn hunne stukken te lang en de rolpaarden in eevenreedigheid van de rest. Oordeel uit dit geheel, welk eene verwarring in een slag met dergelijke stukken 'er heerschen moet, door de bezwaarlijkheid om de passende kardoezen en kogels te vinden.

Tegenwoordig bestaat hunne marine uit vierentwintig schepen van linie. Van deeze zijn 'er acht zo goed als onbekwaam om zee te bouwen. Schoon de zestien anderen bijna nieuw zijn, kunnen zij niet lang voorhouden. 't Is niet te gelooven, hoe wei-

[p. 297]origineel

nig zij 'er zich aan geleegen laaten leggen, ze te behouden. Wanneer zij afgetakeld worden, laat men 'er de zwaarte in, of zo men ze ligt, neemt men de middelste 'er uit, zo dat zij alle een sterken katterug krijgen, ofschoon men ze ook bij 't bouwen veel staapeling geeft. Men vindt 'er die van zeventien tot tweeëntwintig duim doorzakken.

De historie van 't kalfateren en bouten is even zo verwaarloost, en dat enkel door 't bedrog van de bedienden van de werf, die niet alleen 't dagloon van de breeuwers in hun zak steeken, maar ook 't ijzer van de bouten, in plaatze van welke zij 'er houte pennen in slaan.

Onmogelijk zou een Turksch Esquader een storm van acht dagen kunnen uithouden. Onlangs verlooren zij in de Zwarte-Zee een nieuw-nagel.

Zo men den staat der magazijnen mag

[p. 298]origineel

afmeeten naar 't overige, moet 't 'er ook schraaltjes meê geschaapen staan.

Ten besluite de onkunde, de desorders, 't steelen en 't verwaarloozen zijn in de Ottomansche Zee-macht tot zulk eene hoogte gesteegen, dat 'er geen één Turksch schip gevonden wordt in staat te slaan, noch veel min te verslaan, een eenig oorlogs vaartuig, hoe zwak 't ook zijn mag.

Staat der Ottomansche Zee-macht in 1785.

  Stukken  
II. Schepen van 74: waarvan een goed en 't ander noch op de helling.
XII. --64: 8 in goeden staaten 4 slecht.
X. --50: 8---1 -en een op de helling.
Totaal XXIV. Schepen van linie.  

[p. 299]origineel

II. Fregatten 44: in goeden staat.
III. - 40: twee goed, een slecht.
III. - 36: in goeden staat.
V. - 32: drie goed, twee slecht.
VI. - 30: goed.
Totaal XV. Fregatten.  

II. Barken - 36: op stapel.
XV. Chebecquen - 12: 7 goed en 8 op stapel.
VII. Galeijen in goeden staat.  
III. Bombardeer-Galjooten, een in goeden staat, 3 op stapel.  
I. Canonneer-sloep, op stapel.  
Totaal LXVIII. Schepen en vaartuigen.  

Ook staan 'er noch twee groote schepen, en eenige kleinere vaartuigen op stapel, maar de timmerlui werken 'er zo vlijtig aan, dat men met geen teleskoop 'er 't

[p. 300]origineel

einde van zien kan. Te Sinope, meer befaamd door de geboorte van diogenes dan door de constructie zijner schepen, zag ik in 1786 noch twee schepen van linie op stapel staan. Zo veel van de Turksche Zee-macht.

Even als voor de Franschen goude horlogie-kettings, berloques, gespen en duizenderlei galanteriën en snuisterijen een geliefkoosde opschik zijn, alzo zijn 't de wapenen voor de Turken. Men ziet 'er, die onder derzelver gewicht zwoegen en dreigen te bezwijken, gewapend met een musket, pistoolen, hanjaaren, attagans (eene zoort van zabels en lange snij-messen) in den gordel, met eedel gesteentens, goud of zilver ingelegd, in 't staal konstig uitgewerkt. 't Is niet dat dit volk als in een bestendigen staat van oorlog leeft, dat de straaten of openbaare wegen 'er zo onvei-

[p. 301]origineel

lig zijn; 't tegendeel is Waar, en men ziet ze op hun sopha, in hun eige huis, in de diepste rust de wapenen bij zich draagen. Deeze zijn hunne çieraaden. Ook voert de armste boer een meer of min fraaije snaphaan bij zich, laat de land-straat ook noch zo veilig zijn.

Deeze bijzonderheid toont zeker geen verwijfd, maar wel een moedig en krijgs-zuchtig volk aan. Dus kon de Heer Abt raynal wel recht hebben, wanneer hij zegt: dat hij, die de militaire discipline onder hen zou weeten intevoeren, een vijand der kristenheid zou zijn; ofschoon ook de militaire discipline den moed verkoelt.

't Is min de talrijkheid dan de discipline, die de legers geducht maakt. 't Zijn deeze, of, voor eene zee-mogendheid, welgestelde vlooten, die een Staat zijn aanzien geeven. Even als op de beurs van Amsterdam al-

[p. 302]origineel

leen de rijkste koopman 't meest is aangezien, alzo is 't onder de Staaten die geen, welke hierin de eerste is. Oordeel hoe 't den Turken vergaan zou, zo dan eens Vrankrijk, nu Pruissen met deeze arme zukkels geen medelijden hadt, en hun de hand niet een weinig boven 't hoofd hieldt.

Welk een jammer voor een volk zo rijk in ressources(85), als uit 't volgende zal blijken!

[p. 303]origineel

De Turksche landmacht laat zich in de volgende vier klassen verdeelen.

I. De ordinaire, reguliere in soldij staande militie.

II. De ordinaire militie, die in geen soldij staat.

III. De buitengewoone militie, geligt in tijd van oorlog, en die niet langer soldij trekt, dan als dezelve duurt.

IV. De vrijwilligers, die in de armee alleen gevoed worden, zonder soldij te trekken.

[p. 304]origineel

Eerste klasse.

Aan 't hoofd derzelven staan de Jeni-Cheri of de Janitzaaren.

Men verdeelt ze in Dimaths, Bolukis, Seijmengs, Adjengoglans, Kerlaners(86).

2o. De Dimaths zijn verdeeld in honderd regimenten, van welke 'er negen- en- tachtig op de frontieren gebruikt worden. De andere elf dienen te Constantinopolen. Vier van deeze elf zijn onder de order van de Solaks-Bachi, en maaken een gedeelte van de wacht van den Sultan uit.

2o. De Bolukis zijn in een- en- zestig re-

[p. 305]origineel

gimenten verdeeld; hiervan dienen alleen drie in de hoofdstad; de rest is voor de frontieren.

3o. De Seymenys tellen vierendertig regimenten, alle dienende op de grenzen.

4o. De Adjengoglans bestaan uit vierendertig regimenten altoos te Constantinopolen.

5o. De Kerlaners zijn verdeeld in vierendertig regimenten. Deeze zijn enkel werkluî ten dienste van 't corps Janitzaaren. De Ottars zijn van vijfentwintig à dertig koppen. De andere zijn van tusschen de 200 en 300 in tijd van oorlog. In vredenstijd is niets vast bestemd.

De Keizerlijke schat betaalt hondert en vijftig duizend Janitzaaren, (ieder Janitzaar bekomt 7 aspers 's daags, waarvan 120 een piaster, in mijn tijd 22 1/2 stuiver hollandsch maakten) namelijk hondert en tien duizend voor de frontieren, en veertig duizend voor Constantinopolen. Deeze laatsten

[p. 306]origineel

alleen worden gekleed. Men geeft aan ieder chambrée veertig okken (120 illustratie schaapenvleesch en twintig broeden 's daags. In tijd van oorlog is de kost overvloediger.

Men geeft hun NB geen wapenen, maar, wanneer zij campeeren, deelt men ze uit aan die geenen, welke ze missen.

De Ottomansche vorsten worden door deeze militie bewaakt. Wanneer hij sterft, zo moet de Kislar-Aga laaten zien 't lijk des overleedenen Sultans aan den Janitzaar-Aga, den Seimen-Bachi, en den Koul Kurassi van deeze bende.

Een gedeelte der regimenten heeft tot Collonels de Generaals van hun corps; andere hebben niet meer dan de Tchorbagis(87) onder welke de Odi-bachi, of Luitenant Collonels dienen.

[p. 307]origineel

Van de officieren hebben zommige vrijheid om te mogen trouwen, andere niet. Ook zijn 'er maar eenige, die zich de baarden durven laaten groeijen. Maar terwijl de kap niet meer den munnik, als de baard den officier maakt, zo wil ik met alle deeze gebaarde en ongebaarde heeren niemand verveelen.

Dit is nu het roompje des Turkschen legers! 't geen ik van de geweeren gezegd heb, heeft den militairen en zelfs niet militairen lezer alreeds doen voelen, dat 't noch

[p. 308]origineel

kwalijk afgetapte melk is. Achttien maanden hebbe ik mij in de Turksche Hoofdstad, zes maanden in een aantal Turksche provinciën in Asiën opgehouden, en te vergeefsch heb ik mij bijna blind gekeeken, om ergens een schaduw van militaire exercitie te zien(88).

[p. 309]origineel

De Spahis.

Deeze zijn Cavallerij. Hun vast getal is twaalf duizend, onder aanvoeren van hunnen bijzonderen generaal, de Spahis-Agassi.

De Seliktars.

Een ander corps Cavallerij, ook van twaalf duizend man, en insgelijks gecommandeert door den Seliktar-Agassi.

Noch vier compagnien Cavallerij, ieder van zes hondert koppen; van welke de eene helft den Spahis, de andere den Seliktars is toegevoegd. Zij zijn de wacht voor den Sangera-Cherif, dien zij in 't veld begeleiden. Maar zij zijn meest al noch op geen twee derden na compleet.

[p. 310]origineel

De Oiybediyr.

Dit is een corps Infanterie van vijf hondert koppen, even als dat der Janitzaaren, verdeelt in verscheiden regimenten, die den naam van Junaath en Boulucki voeren. De helft 'er van dient op de frontieren. Deszelfs generaal, Diebedsjys-bachi genaamd, heeft de zorge en de bewaaring der wapenen en krijgsbehoeftens.

De Topdiya.

Deeze zijn de Canoniers, ook verdeelt in Diemaath en Beulucki; zij leggen voor een gedeelte te Constantinopolen en voor een gedeelte op de grenzen. Hun getal bedraagt vijf duizend en hun generaal veldtuigmeester heet Topchi-Bachi.

Dit getal (laaten de artilleristen ook noch zo knap zijn) is gewis niet geëvenredigd aan de

[p. 311]origineel

grootte der legermagt, aan 't menigvuldig geschut, 't geen nu bij de legers in gebruik is. Het corps artilleristen in Rusland is dertig duizend man sterk.

De Topchis zijn de eenigen, die ik, zo als ik gezegd heb, zich heb zien oefenen in den wapenhandel. Mij dunkt dat ik eenige met eene genoegzaame naauwkeurigheid tien schooten in een minuut heb zien doen.

De Top-arabadchi.

Dit is een corps Infanterie, bestemd om de affuiten te bezorgen en te vervoeren, zo als ook tot 't transport van andere krijgsbehoeftens. Hun getal is mij onbekend. Hun generaal noemt zich Top-arabadchi-bachi.

De Tchadir Cuchlyteris.

Een corps van acht hondert infanteristen, wier post 't is de tenten en de bagagie

[p. 312]origineel

des Sultans, Groot-Vizirs enz. te bewaaken.

Voeg hier bij eene bende van twee hondert luiden, de veldmuzikanten des Sultans.

De Suzaldiys.

Zijn een nieuw corps artilleristen, twee duizend man sterk, eerst in 't jaar 1783 opgericht. Zij worden uit den partikulieren schat des Groot-Vizirs betaald.

Deeze onderscheiden corpsen formeeren den vasten état der Turksche legermagt. De Jertienferaths, of gewapende manschappen, op de grenzen, die dienen, om 't in compleet der vaste armee te vervullen, kunnen bezwaarlijk daar toe gebragt worden.

De chefs der zes eerstgenoemde corpsen assisteeren alleen bij den Muchareria of conseil de guerre.

Dus bedraagt de permanente état van de

[p. 313]origineel

Turksche krijgsmacht te land, S.E. 187,900 man.

Tweede klasse.

De Turksche Keizers zijn in de gewoonte, naarmaate zij veroveringen maaken, den krijgsluí hunne verdiensten te beloonen, met hun in de aangewonnen landen leengoederen te schenken. Deeze leengoederen geeven hun 't genot der tiendens en publieke belastingen, benevens de territoriaale, civile jurisdictie. Naarmaate der voordeelen zijn zij gehouden, in tijd van oorlog, onder de Beglerbeys of Pacha's van hunne gouvernementen, met zeker getal manschap te velde te trekken. Deeze leengoederen gaan over van vader op zoon. Zij worden verdeelt in Timariots en Zaïms. De eersten genieten een inkomen van vijf tot twintig duizend, min één, aspers. De Zaïms van

[p. 314]origineel

twintig tot hondertduizend, min één, aspers. De eersten zijn verplicht voor ieder drie duizend aspers een ruiter met zijn takelagie, de laatste voor ieder vijf duizend een dito daar te stellen.

In oude tijden gaf dit een provenu van 200,000, koppen. Marsigli begroot 't op 154,292, anderen op 123,570. Deeze manschappen moet men als eene gewapende landmacht aanmerken, of bij onze schutterijen vergelijken; edoch waren zij nimmer zo goed, d.i. niet zo wel geëxcerceerd.

Maar gelijk de klad komt ook in de beste instellingen, waaraan men, gelijk aan de oude-brug, bestendig de hand moet houden, wil men ze niet zien vervallen; alzo hebben deeze leenhouders de slimheid gehad deeze belasting beetje bij beetje zo in te palmen, dat ze geheel buiten effect geraakte. Abdul-hamed zaliger heeft in mijn tijd getracht deeze abuizen af te schaffen, en die zaak weder op den ouden

[p. 315]origineel

voet te brengen: maar de uitslag zijner poogingen is mij onbekend.

Tot deeze landmacht komt noch die van Vidin en Egijpte, bedraagende te zamen 6,000 man.

De Kiurden, dat is te zeggen, de burgers en steeliên van Kurdistaan, leveren 30,000 ruiters, uitneemend goed om den dienst van husaaren te verrichten.

Twaalf duizend Bulgaaren, den dienst van knechts doende, zullen de heksluiters der Turksche armee zijn.

Derde klasse.

Eene zo geduchte macht (zij kon 't zijn, was zij wel gedisciplineerd; zij is 't nu alleen door haar getal, beloopende, de manschap van de marine 'er bij gereekend, op 485,900 man) moest, zou men zeggen, volstaan om met succes te oorlogen. 't Te-

[p. 316]origineel

gendeel is waar; de Sultan is gehouden bovendien noch bij een ruptuur troepen te ligten, die alleen geduurende de vijandlijkheeden dienst doen; men noemt ze Miriarlens. Zij worden uit de bijzondere beurs des Sultans betaald. Naarmaate dezelve vet of schraal gespekt is, of naar gelang der omstandigheeden worden 'er veele of weinige aangenomen.

Vierde klasse.

Godsdienst, Vaderland en Vrijheid zijn drie hoog-klinkende woorden, van een scherp, schelklinkend, kruistoonig geluid, waarmede men oude vrouwen, kinderen en gekken, Jooden, Kristenen, Turken, altoos in 't harnas jaagt. Deeze stuipen brengen de Giomellis of Turksche vrijwilligers in de wapenen. Men telt 'er niet veel meer dan vijf duizend bij de armee. Zij kunnen op geene soldij, maar op de vrije kost aanspraak maaken.

(74)Dit is letterlijk waar. Wat zou 't anders zijn dan Rusland te dienen, dan met zijn dienst bij Zweeden, Pruissen, Oostenrijk te koop loopen, dan zich te verhuuren aan den eersten, die geld geeft, ten einde luiden, die ons nimmer leed deeden, den hals te breeken? Lees 't leeven, bij voorbeeld, van den Veld-Maarschalk L...... (in 't Algemeen Magazijn. 1790) op wien dit letterlijk past? - De hoofden des volks, die veel belang hebben bij 't aanfokken van dit ras, noemen 't groot en glorierijk; en de goede gemeente papegaait dit na. Publiek! Publiek! hoe kristelijk zijt gij in uwe benaamingen! wel te doen (zo prijzen anders weldoen is) de geenen die u haaten! - 't Eenig gezichtpunt, waaruit dit zelfs-verhuuren een gunstiger aanzien verkrijgt, is, wanneer een militair in vreemden dienst gaat, ten einde zich voor dien zijns vaderlands, bekwaam te maaken. -
(75)Alle de standen der menschelijke Maatschappije hebben iets, ieder hun eige bespotlijks. De militaire is 'er niet van uitgeslooten. 't Hunne is altoos op alle anderen met verachting van hunne hoogte neêr te zien, en hun de minste aanspraak af te spreeken op grootheid van ziel, die, zo als de krijgers waanen, zich alleen toonen kan door zelfs-opoffering, door 't in den mond loopen der gevaaren in 't veld des oorlogs.
(Ongelukkig menschdom, 't geen zich niet kan verheffen dan op de puinhoopen der verwoestinge, dan op stapels van lijken, in 't welk een ongewoone, overvliegende voortreflijkheid onzet natuur (want onder de militairen zijn ook de helden dun gezaaid, en 't zijn op verre na alle geen koks, die lange messen draagen) alleen te koop is ten koste der traanen en des bloeds van duizenden!)
Maar bij geluk voor de eer onzes geslachts is dit een ongegronde waan. Veele beroepen, verheeven boven de werktuiglijke handwerken (als bij voorbeeld 't steen-zaagen) veele gevallen des menschelijken leevens geeven alle geleegenheid in grootheid van karakter uit te munten; en de schuitevoerder, die in gevaar van zijn leeven, ter redding zijns evenmensch, in 't water springt, is in 't oog des wijsgeers zo eerwaardig, als de heldhaftigste Hoofdman over hondie aan de spits zijner bende zijn leeven waagen durft. -
Daar toch 't aanzien, welk deeze stand in de maatschappij geniet (een aanzien 't geen hij tot adoratie verdient, dan, en dan zeker alleen, wanneer hij ter verdeediging van een t'onrecht aangevallen vaderland zijn gezondheid en leeven in de waagschaal stelt, in dit geval alleen, zeg ik, en hemelsvast niet, wanneer hij de helper wordt eens veroverzieken woelals, wien - zo als b.v. voor etlijke maanden 'er een in Weenen aan de teering is gestorven - de vreede der aarde eene ergernis in de oogen is) voor een groot gedeelte aan zijn gedistingueerde kleeding, aan zijne fraaije, en op allerlei wijzen geschakeerde, met goud, en zilver, en franje bele de uniformen moet dankwijten, is 't mij onbegrijplijk voorgekomen, dat de list van de staatkunde der menschelijke ijdelheid dit lokaas niet eer heeft aangeboden: daar derzelver uitvinding zich niet hooger dateert dan de regeering van lodewijk XIV, die naar mijn best geheugen, zijne legers 't eerst in monteering gestoken heeft.
(76)Zo zegt de Heer Baron de tott, dat nimmer 't lot van een welgevestigd rijk door een enkelen veldslag is beslist geworden. Was die van Pultawa ook beslissende voor Zweeden? Zou die van Fontenoy, indien voor de Franschen verlooren, ook beslissende geweest zijn? Gaf dezelve ook eene beslissende wending aan de zaaken deezer republiek? En is de groote frederik niet meermaalen in 't geval geweest, dat 't verlies van eene bataille zijn lot beslist zou hebben?
(77)Discours préliminaire. p. LXXIII.
(78)Ook is 't deeze republiek. Wanneer men van eene der twee in evenwicht hangende schaalen, iets van 't gewicht afneemt, daalt deeze en rijst de ander; maar wanneer men 't geen men van de een afneemt, bij de andere voegt, wordt 't onderscheid veel grooter.
Dit is ons geval in 't politieke.
(79)Om den lezer te overtuigen, dat ik niet in den wind scherm, zou ik hier meer dan ééne bijzonderheid, die maar enkelen bekend zijn, kunnen aanvoeren: zo ik dezelven openbaar, zal 't eerst in 't volgend deel zijn, wanneer ik over de Krim zal handelen.
(80)Deeze voorzorg schijnt den Russen ook overbodig. Schoon de Dnieper van Cherson af, daar zij hunne admiraliteits-werf hebben, vol ondieptens en een lootsmans vaarwater is, hebben zij 't tot dus verre (1788) te druk gehad, om te denken aan 't afbaaken van die revier, 't onderrichten van lootsen. Zij laaten hunne schepen op Gods genâ maar afdrijven; en tot hier toe dient hun 't geluk.
(81)Zo mijn lezer een Nederlander is, zal 't hem vermaak doen te hooren, dat 't succes der Russische wapenen voor een groot gedeelte 't werk van twee zijner landsluî geweest is. Wijlen de Heer c. redelijkheid, Collonel der Russische Ingenieurs, bevondt zich in dien tijd te Kinburn, een klein fort, vlak tegen over Oczakow. Deeze arbeidzaame, bijna nimmer rustende man, hadt niet zo ras gemerkt de mogelijkheid,(*) om van de punt dier land-tong 't vaarwater te bestrijken, of hij rustte niet (alle nieuwigheeden ontmoeten bergen van tegenspraak) hij tamboerde 'er zo lang op, dat eindelijk de Generaal souworof hem vergunde op deeze punt een gemaskeerde batterij van zwaar geschut aan te leggen. De Turken hadden nu, met 't lumieren van den dag, niet zodra de zeilen los, of zich op 't onverwachtst uit dit zwaar geschut begroet voelende, vielen, om dit vuur te ontwijken, aan de andere zijde op de laager wal.
Hier zaten zij nu wel vast, maar hoe voor de Russen hier voordeel meê te doen? Voor hunne groote schepen, die 'er in 't gezicht van lagen, was 't, van wegens de bezwaarlijkheid des vaarwaters, niet te waagen 'er op af te komen, en voor de kleine een te heet hang-ijzer. Op dien tijd commandeerde mijn zeer bijzondere vriend, wijlen de Heer j.h.o. de winter(*), die nu, zo wij vertrouwen, reeds lang Hallelujah zingt (zingen was ook in deeze waereld zijn bijzonder vermaak) een dubbele sloep, een vaartuig niet veel grooter dan een Texelsche loots-schuit, voerende op de plecht twee horizontaale mortieren (licornes) hondert ponders, acht metaale vier-ponders, toegetuicht als een kotter, leggende zestien riemen, en bemand met 50 koppen. Die mijn vriend gekend hebben, weeten dat hij voor geen klein geruchtje vervaard was. Met dit en eenige andere dergelijke zee-monsters werden vier Turksche linie-schepen en een zwaar fregat aangevallen. De Heer de winter hadt 't geluk een der grootste schepen (wie zou 't gelooven?) te doen strijken. Zo als hij op zij' van 't schip leggende den Turkschen kapitein toeroept als krijgsgevangenen bij hem over te stappen, schieten de ongedisciplineerde Turken hem, uit de poorten met klein geweer, zijn bootsman en vijf van zijne luî aan zijne zij' neêr. Bij geluk hadt hij een dreg achter uit laaten vallen. Hierop in een oogenblik ingepalmd. Toen aan 't demolieeren (dit verstondt hij meesterlijk) aan 't schieten van brand kogels(*). Hij zelve niet, maar de Commandant van Kinburn, die dit bloedbad over de borstweering van 't fort aanzag, heeft mij verhaalt, hoe hij hem vier schepen heeft zien in den brand schieten, 't geen meer dan twee duizend Turken 't leeven kostte. Daags daarop hebbe ik de overblijfzels dier verschrikkelijke slachting gezien.
(*)'t Is met een uitsteekerd genoegen, dat ik den Heer de tott, dien ik meer dan eens heb wedersproken, hier de rechtvaardigheid laat wedervaaren, dat hij deeze mogelijkheid 't eerst heeft ingezien: schoon de Heer redelijkheid, die meer praktijk dan lectuur, boven al in 't fransch, hadt, dit zeker niet geleezen heeft. Z. De Gedenkschriften. I. Deel, bladz. 353.
(*)Deeze Heer hadt zich door zijne personeele verdiensten een goede reputatie verworven in onze marine, die hij verwisselde voor de posten van Generaal-veldtuig-meester, Haven-meester en 't Couverneurschap van Barataria op St. Eustatius, welke posten, waarvan bij de revenuen met twee leêge handen kon wegsmijten, hij alhier te Amsterdam twee jaaren bekleedde. Tot aan de keel toe vol van vergenoegen met zijn vaderland, begaf hij zich in 1787, na eerst een stukje roast-beef gegeeten te hebben, in Russischen dienst, in welken hij door de veelvermogende voorspraak van den Heer Ridder van kinsbergen terstond als Lt. Kollonel aangenomen, voorwaar zich de geleegenheid niet liet ontslippen, om zich en zijner natie eer aan te doen. Papieren tusschen den Prins van nassau en zijn Ed. zaliger gewisselt, geeven getuigenisse van 't aanzienelijk deel, welk de laatste in de overwinning des eersten voor Oczakow gehad heeft. En des niet te min hadt de Prins potemkin, gesteld aan 't hoofd der marine van de Zwarte Zee, de aartigheid deezen verdienstvollen man te verwaarloozen, hem dagen, weeken, maanden lang, solito more, op allerlei ongeleegen uuren, vruchteloos, ontoegesprooken achter zich te doen naloopen, en eindelijk zo goed als hulpeloos en niet weinig baloorig te St. Petersburg te laatenzitten; tot dat de Prins van nassau, die nu over de galeivloot in de Oost-Zee 't bevel voerde, hem van de Keizerin voor zijn commando badt. Hier bekwam hij 't bevel over eene der divisiën deezer armade, aanzienelijk genoeg, om elders aan een officier van veel hooger rang te betrouwen; want dezelve bestond niet minder dat uit twaalf zo Chebecquen als Galeijen, van 18 tot 28. stukken. Te Croonstad verliet ik zijn Ed. in de na-lente des jaars 1789, bevordert tot den rang van Kollonel, verçierd met 't ridderkruis van St. George, beschonken met een gouden degen, vol van moed en vertrouwen, dat de fortuin, tot noch toe zijne geslaagen vijandin, hem eindelijk eens zou toelachen. Dan dit varken, 't geen allerlei kneepen heeft, speelde hem kort daarna een part, die kapitaal was. De Russen, gewoon een pond laurieren te koopen, was 't ook ten koste van hondert pond menschen-bloeds, vonden hier harde nooten te kraaken, toen zij een aanval deeden op de Zweeden, die zich, min talrijk, muurvast achter klippen en verzenkingen verschanst hadden. De Russen zegepraalden, maar ten koste van een aantal gesneuvelden. Mijnen vriend, die altoos voor aan in 't heetste vuur was, vergruisde een kanons kogel de rechter hand, aan welke wond hij met rang van Brigadier overleedt! Ik heb aan het einde deezes bundels zijn schaduwbeeld geplaatst, van eene zo treffende gelijkenisse, dat alle zijne vrienden hem daaruit terstond zullen herkennen, die ik wel ernstig gebeeden wil hebben, de uitgestrektheid mijner vriendschap niet bij de schraalheid van dit gedenkstuk te willen afmeeten.
(*)De Russen, die op hunne manier ook kristenen zijn, bedienen zich van brandkogels, een wapen van sinjeur den satan, een wapen waartegen geen marine van den aardbodem bestand is, een wapen, dat de vernieling van beiden de strijdende partijen onvermijdelijk na zich sleept, zo beiden 'er zich van bedienen. Zie hier wat ik 'er van weet. Zij laaten gieten eene bombe met zes gaten. Deeze vullen zij met eene compositie van brandstoffen, daar zij een geheim van maaken. Vervolgens steeken zij dezelve in een linnen zak, doortrokken van de meest brandbaare stoffen. Alsdan zetten zij ze vast op een houten stoel. Wanneer zij hun mortier, die niet op een rolpaard, maar op een sleê, om 't recul met touwen-matten bekleed, legt, gelaaden hebben, snijden zij den hals van den zak, wrijven 'er een handvol sijn kruid in, steeken ze met dien open mond in de laading. De brandkogel uit de mortier gevloogen, vertoont nu eene groote klomp vuurs, zo lang die zak brandt, daarna spuuwt dezelve uit haare monden straalen vuurs, zo lang en zo dik als een arm. 't Is genoeg dat zo een enkele kogel in 't boord blijft steeken, om 't schip te verbranden. Te vergeefsch stopt men eenige der monden van die vuurbraakende hydra; met zo veel te meer vinnigheids spuuwt zij uit de andere een vuur, dat water noch uitblussen, noch verdooven kan. - Naar ik uit 't werk van den Heer de tott kan opmaaken, bedienden zij zich ook van dit eerlijk huismiddeltje, om de Turksche schepen te Thesmè te verbranden. Allerliefste schepzels!
(82)Hadgi-calfah, in zijn Werk over de Regeering des volks, beklaagt zich over 't gebrek zijner natie aan land- en zee-kaarten; dat zij ontbloot van deezen en ook van zee-boeken, in de Witte en Zwarte zeeën op goed geluk moeten voortdwaalen. Z. toderini. Tom. 3. p. 129.
(83)Ook zijn de Russen geen tovenaars. Voor eenige jaaren moesten Hollandsche lootzen, door wijlen den Russischen Heer Consul oldenkop ('k noem man en paard) daartoe op order der Russische Admiraliteit gehuurd, hen uit de Sond na Portsmouth (een gevaarlijk vaar-water!) lootzen.
(84)'Er is een fraaije plaat van den Zee-slag de la Hogue, van de voorgaande eeuw. Zo zien 'er de Turksche schepen omtrent uit. Ook hebben zij veel overeenkomst met een Zaandamsche fluit.

(85)'t Geld, waarvan ik in den text niet spreek, is ook een voornaame, eene hoofdressource. De gewoone inkomen des Turkschen rijks worden, naar mijn best geheugen, annis communibus, op 20,000,000 piasters begroot. De partikuliere schatkist des Sultans, hiervan afgezondert, is met zo veele gegrendelde deuren verzorgd, dat ik 'er nimmer heb kunnen inkijken. De rijkdommen aan zilver, goud, juweelen in 't Serrail te vinden, zijn onbereekenbaar. Men geeft 'er zeer breed van op. Mij dunkt, 'er staat mij zo iets schaduwachtigs van voor, dat de Turken onlangs eene geldleening bij ons beproefden; ik herinner mij niet op welke securiteit, maar zeker met weinig succes. Zo zij dat kruis noch hebben, waar Sultan saladin (Zie toderini, Tom III. p. 74) eens 200,000 ducaaten voor weigerde, is 't jammer, dat zij 'er geen koopman voor zoeken. Misschien zou de markt wat laager zijn!
(86)De manier van 't aanneemen der Janitzaaren laat zich smakelijker verhaalen dan ondervinden. De Bas-Chiaus, die als de Kapitein van de tweede oda is, krijgt den rekruut bij 't oor en geeft hem een muilpeer. Z. marsigli, Etat Militaire. p. 70.
(87)Een woord, dat mij meenigmaal uit mijn humeur gebragt heeft.-Hoe zo? Tchorba beteekent in 't Turksch soup; daar ik nu op mijn terugtocht na Trebisonde meenigmaal mijn eige soup (wilde ik ze niet aangebrand eeten; en daar hou ik niet van) moest kooken, en mij de Turken meest Tchorbagi noemden dagt ik in mijne kreupele etymologie, daar zij mij een compliment maakten, dat zij mij voor kok uitscholden.
100000 excuusen voor zo eene povere digressie!
(88)Marsigli die een werk in fol. over 't krijgsweezen der Turken heeft geschreeven, heeft geen één Hoofdstuk over de exercitiën. De Russen hebben hen nogtans, in den vorigen oorlog, zo gevoelig overreed (verhaalde ik hier de trekken der behendigheid hunner kanonniers, men hieldt dat verhaal zeker voor verdacht) van de kragt van 't geschut, dat zij zich eindelijk hebben laaten overhaalen, van Fransche Artilleristen, hun door den Koning van Vrankrijk met opzet gezonden, eenige lesjes te neemen; zo als ik de Muzulmans daar dan heb meê zien exerceeren. Maar wat helpen misschien vijftig, hondert matige kanonniers tegen eene Mogendheid, die een corps van 30,000 Artilleristen heeft?

terug  begin  verder