terug  begin  verder
[p. 387]origineel

Zesde bundel.

Over de Grieken. Verbastering der moderne Grieken, en waarom? Hun karakter, zeden, manieren, levenswijs.

De Turken, ik beken 't, zijn de hoofdbeweegreden geweest van mijn marsch herwaarts. De Grieken echter zijn altoos, was 't ook eene zijdelingsche, aandacht overwaardig. Een onkundig lezer mogt uit

[p. 388]origineel

mijn stilzwijgen opmaaken, of dat zij hier niet thuis hooren, of dat ik vergeeten had, hoe deeze natie, zij die 's menschen geest eertijds de hoogste eer aandeeden, zij die thans 't kan zijn de helft der bevolkinge van Turkijen noch uitmaaken, door hunne vorige bezittinge van dit land, een zeker, schoon oud en tot hiertoe verjaard, recht 'er op hebben.

De geest is 't geen ons boven een beeld of schilderij 't edelst verheft, en de naneeven van hen, die ons de oogen openden, onze denkvermogens en uitbreidden en voedzel gaven, verdienen, uit erkentenisse voor hunne voorouders, onze vereeringe.

De Grieken zijn daarenboven met de Turken, en de overige bewooners deezer landen zo vermengd, zij speelen 'er eene zo luidrustige rol onder, dat 't moeijelijk zou zijn ze niet gade te slaan; en des te meer, daar zij bij de deftige Muzulmans

[p. 389]origineel

afsteeken als 't wit bij 't zwart, 't licht bij de duisternisse.

Dit Contrast geeft de doodsteek - anderen hebben 't voor mij ook bemerkt: maar dit doet 'er niet toe - aan 't stelzel van zeker schrijver, meer kenbaar door genie dan door methodiekheid van voordragt, die 't gewaagd heeft, 't onderscheid tusschen de menschen alleen afteleiden uit 't verschil der luchtstreeken; een stelzel, 't geen zeker min fortuin gemaakt, even zo als des schrijvers reputatie min geschitterd zou hebben, bijaldien hij geschreeven hadt voor eene natie, min verliefd op gewaagde stellingen, op meesterachtige uitspraaken; aan welke laatste omstandigheid 't ook te wijten is, dat een ander bij en van dit zelve volk, ook kort na dien tijd, allen onderscheid tusschen de menschen, enkel en alleen aan de opvoeding heeft durven dank wijten: de handtastelijkste, de armzaaligste wonder-

[p. 390]origineel

spreuk, die immer op den oceaan der menschelijke opiniën boven dreef, doch nu, zo als wij hoopen en vertrouwen, reeds in de eeuwigheid der vergeetelheid begraaven legt.(101).

[p. 391]origineel

De Grieken hebben eene zo kenbaare phijsiognomie, zij zijn zo meenigmaal bekeeken, dan mijne voorgangers, of scheel, of bijziende, of blind moesten geweest zijn, om te maaken, dat 't geen ik van hen gaa aanteekenen splinter nieuw is. Ik voor mijn aandeel, zal dubbel vergenoegd zijn, (en den Kristelijken leezer recommandeer ik 't ook te zijn) bijaldien mij bij toeval, een toeval daar ik niet eens voor instaa, hier of daar een enkel, klein, nieuw bemerkingje mogt afloopen: iets waarop zeer geringe kijk was, zo ik, gelijk men zegt, met dit volkje geen zak zout gegeeten hebbende, geene andere ressources had, als mijne Collega's predecesseurs uitteschrijven.

Behalven 't geen 'er van, door mijne eige oogen en ooren tot mijnen geest is opgeklommen, zal ik mij met vergenoegen hegten aan den Heer guys; niet dat ik 't H. Nachtmaal zou gebruiken op zijne on-

[p. 392]origineel

feilbaarheid, in 't beweeren der overeenkomst tusschen de oude en moderne Grieken, maar alleen, om de bevalligheid, de aartigheid zijner voordragt wille.

Iets voorzeker, waarin de moderne Grieken geheel niet overeenkomen met hunne voorvaderen, is de opgeklaardheid van verstand. Zwakheid van geest, onkunde en dweepachtig bijgeloof is hun erfdeel, hun nagelaaten door eene domme, superstitieuse en heerschzuchtige geestelijkheid, de zuivere oorzaak deezer eclips(102). 't Is noch

[p. 393]origineel

ligter, - schoon in zich zelfs moeijelijk, - na te gaan, den trapswijzen voortgang van onzen geest in de geleerde loopbaan, en den langzaamen aanwas onzer denkbeelden; dan 't is te begrijpen, hoe eene natie welke de opklaaring des verstands tot een

[p. 394]origineel

zo hoogen trap gebragt hadt, wederom tot zulke laagte, tot zulke beneevelinge kan wegzinken. Deeze onteerende revolutie is ongelooflijk kort ('t komt hier op geen paar minuuten aan) op de verbreidinge eener nieuwe leer in de waereld gekomen. Deeze leer is (alle K. Leeraars zeggen 't, en veelen zouden 'er een eed op doen) van een Goddelijken oorsprong. Wie, vraagen zij, zou heiligschendig 'er aan durven twijfelen!

Maar haare tolken, die ze kwalijk begreepen, ze verbasterd, ze verdorven hebben(103) door allerlei onkruid, zijn de onbetwistbaare werktuigen van deeze geestelijke versterving (gangraena) onzer vermo-

[p. 395]origineel

gens, door zo veele eeuwen, tot aan de hervorminge, en denkelijk ook voor een gedeelte des vals van twee zeer groote rijken geweest.(104) En hoe kan 't anders

[p. 396]origineel

zijn? zodra de menschen, door hoop en

[p. 397]origineel

vreeze verleid, toelaaten, dat die klasse on-

[p. 398]origineel

der hen, welke listigheids genoeg hadden

[p. 399]origineel

hen met deeze beide driften te bezielen,

[p. 400]origineel

zo veel gezags(105) over hen neemen,

[p. 401]origineel

om hun 't gebruik hunner reden aftestaan, en zich als blinden te laaten bestieren, zo

[p. 402]origineel

kon 't niet missen, of deeze aanvoerders moesten zich op allerlei aart tegen 't schit-

[p. 403]origineel

teren en 't verbreiden des reden-lichts verzetten, en ons tot de klasse van min dan spreekende aapen degradeeren.

Zeker is 't wel, dat een reiziger landen ontmoet, wier bewooners, schoon de re-

[p. 404]origineel

formatie 'er noch niet is doorgedrongen, schoon de onder hen heerschende leer noch dezelve is, als zij was, voor een half dozijn eeuwen, uitgenomen dat haar leeraaren nu geene zo afgodendienstige aanbiddinge meer genieten) wier bewooners nogtans niet meer in dezelve duisternisse omzweeven, 't is waar, maar 't is 't ook tevens, dat deeze begonnen ontbolstering 't gewrocht is der zijdelingsche lichtstraalen, welke die zelve reformatie, geholpen door de boek-drukkunst, van hunne nabuuren af- tot hen geschooten heeft.

Van dit voordeel zijn verstoken de Grieken, van welke wij begonnen te spreeken, voor welke niets dan eenige groote staats-omwenteling 'er eene zijn kan in hun manier van denken, in den staat der weetenschappen onder hen.

Alle, die deeze natie van nabij hebben leeren kennen, zullen met mij instemmen,

[p. 405]origineel

dat dezelve naar gis, zes hondert zonnejaaren achteruit is.

Die in 't water legt, grijpt ter reddinge overal na. Dit geeft een min ongunstig aanzien aan hunne onkunde, die hen de zo evengezegde omwentelinge doet of deedt verhoopen van den kant van Rusland,(106) uit welken hoek hun hunne vermeende verlossers moesten aanwaaijen. Maar zedert zij, in den voorlaatsten oorlog, toen de Russen een esquader in den Archipel hadden, derzelver honigachtigheid van nabij hebben leeren kennen, zouden zij op mijn eer sta-

[p. 406]origineel

pelzot moeten zijn, zo zij niet begreepen, dat zij met die vrijmakinge van den wal in de sloot zouden raaken.

Zo de oude Grieken leevendig, woelig, luidruftig zelfs tot 't tierachtige toe, vrolijk, doorsleepen geestig, een weinig ligtzinnig, een weinig zonder karakter geweest zijn, zo hebben hunne na-neeven den ouden mensch niet uitgetrokken. Maar te leeven, en zo lang geleefd te hebben, als een veroverd volk, onder de plak der meesters, heeft 't karakter deezer natie eene aparte wending gegeeven. Vrees heeft 't zelve tot laagheid doen daalen. ‘De Grieken behouden enkel de droevige herinnering van 't geen zij geweest zijn, en trekken waaraan zij altoos kenbaar zijn. In de eilanden van den Archipel is 't een slecht gepeupel, der ellende, onkunde en slavernij overgegeeven, in de steden zijn 't rijke en trotsche slaaven. Te

[p. 407]origineel

Athenen prêekt een domme paap voor dat volk, 't welk een Demosthenes ten reedenaar hadt: tristes relliquiae Danaûm.’ guys tom. 1. p. 18. Bestendig onderdrukt, worden de Grieken op hun beurt, bij geleegenheid, onderdrukkers. 't Is alzo verre van algemeen waar te zijn, 't geen de Heer de guys van hen zegt: ‘De slavinnen worden behandeld, zo als oudtijds bij de Grieken, dat is, met veel goedaartigheid en menschlijkheid, en na een zekeren tijd zorgt men haar in vrijheid te stellen. Tom. 1. p. 51.’ Ik voor mij ben honderdmaal oorgetuigen geweest, hoe fatzoenelijke luiden deezer natie, de archontes en archontissa's, hunne bedienden begraauwden als honden. Dit loopt des te sterker in 't oog, naarmaate 't zelve zich gewent aan de stilte, ordentlijkheid, zagtheid, heerschende tusschen meester en knegt, in de Turksche huishoudens, in de welke

[p. 408]origineel

men nimmer, d.i. oneindig zelden, hoort, 'k zal niet zeggen de bediendens of Tchoadars bekijven, meesterachtig gecommandeert, maar zelfs niet overluid toegesprooken worden. Hoe menigmaal ben ik niet bij Effendi's geweest, waar mij pijp of koffij geboden wierdt, zonder dat ik eens gemerkt had, dat de heer iets bevolen hadt: daar zij toch zonder zijn bevel dit nimmer zouden gedaan hebben! Ik herhaal 't, de Turksche gezelschappen kenmerken zich zo zeer door stilte en ordentlijkheid, als die van zekere andere schreeuwachtige natie door de gelijkenis met een dolhuis.

't Zoude zeer belangrijk zijn 't Turksch en Grieksch bloed scheikundig te analyseeren. 't Laatste moet geheel andere bestanddeelen hebben, waar van daan zij dat vuur, die levendigheid ontleenen. Luister toe, en hoor hoe zij zich uitdrukken, wanneer eenige sterke drift hunne aandoeningen doet op-

[p. 409]origineel

bruischen. Maar verbeeld 'er u tevens bij, dat de Jooden in variatie van stemme, in heftigheid van gebaarden 'er geen handwater bij hebben.

‘Moeder! ('t is eene jonge dochter, die spreekt) kijk na de zee... Zie dat onweêr. Men zegt dat de groote Kaïk van Zaphiri verongelukt is. Hij zonk; mij dunkt, ik zag 't, uit onze Kiosk. Ja, die schuit met dat groot zeil, ik zweer 't bij mijn' oogen, is gezonken, en de arme Paranama(107) was 'er met haar beide kinderen in, die zij van Chalki te rug bragt. Als zij de zee zich zag openen, om haar te verslinden, zal zij haare kinderen in de armen genomen heb-

[p. 410]origineel

ben: arme schaapjes! wij vergaan; en ik, ongelukkige! ben 't, die u doet omkomen, die u op zee heeft durven waagen, die dit afschuwelijk onweêr niet vooruitgezien heeft. Ongelukkige moeder! waaghals van een Zaphiri, die gevaaren noch vreest, noch kent. Slechte kaerel, gij zijt 'er de oorzaak van, maar gij zult ook met ons omkomen.’

Kind, wat nieuws? (Zij komt te rug....) ‘Moeder, moeder! Paranama,... kom schielijk, kom Paranama kijken, daar komt zij; 't zee-water loopt van haar kleêren, zij heeft 'er van in gekreegen, zij meende te sterven: wat vreugde! ik ben half mal; ik heb den Hemel gebeeden, en uit zo een goed hart, dat zij gered is.’ guys, tom. 1. p. 95 &c.

Deeze stormachtige aart wordt door een strootje aan 't kooken gebragt. 't Gesprek eens toornigen Grieks is een ketting van

[p. 411]origineel

vloeken en verwenschingen. 't Hoogste, waartoe een gramstoorige Muzulman zich laat vervoeren, is iemand voor een ongeloovigen, een zwijn uittemaaken. Geen ander volk is zo stip ter waarneming van 't gebod: gij zult den naam des Heere niet ijdelijk misbruiken.

Om eene haverklap vloeken de Grieken bij de Παυαγίαυ, d.i. bij de H. Maagd. Zij zweeren bij hun oogen, bij hun en eens anders hoofd, bij hunne kinderen; niets hoort men dagelijkser dan de μα τω θεω, μα, τῇ ψνχὴ μου, bij God, bij mijn Ziel. Ook hebben zij eene zoete collectie van verwenschingen. Indien de leergierige lezer zich daarin wil volmaaken, hij raadpleege guys. Tom. I. p. 371. &c.

Maar per saldo is 't met hen, als met luiden, die alles met eede bevestigen; 't is dat zij weinig gelooft worden. Graecia mendax.

[p. 412]origineel

Een zo leevendig, zo vrolijk volkje is een liefhebber van festijnen. Daar zijn zij in hun kragt; principaal als 'er braaf te likken valt, daar zij veel van houden, en daar 't doorgaans ook niet aan hapert.

't Tooneel-spel onzes leevens, (de lezer merke wel op, dat ik 't noch treur- noch blijspel noem) laat zich goed in drie hoofd-bedrijven verdeelen, de geboorte, 't huwelijk en de begraafnis. De Grieken toonen regt, dat zij deeze waarheid voelen, want zij vieren ze dat 't een aart heeft.

De doop, kort op de geboorte volgende, geeft hun 't eerst geleegenheid deeze hunne neiging aan den dag te leggen. Ik heb dezelve meer dan eens bijgewoond. Maar 't was mij altoos aanstootelijk te zien, hoe de menschen, pas in de waereld gekomen arme schepzels! door een zomtijds half dronken Papas, gekneepen, geknoeid en gemorreld wierden.

[p. 413]origineel

'k Mag met dat gemors niet te doen hebben.

De bruiloft zal meer mijn zaak zijn. Daar ik in mijne verhaalen 'er wel eens wat van St. Anne laat onder loopen, zou ik, om de voorzigtigheid, hier wel den 16 brief van guys vertaald inlasschen: maar deeze eerlijke man heeft 't voor mij wat te veel op met de ouden. Echter zal ik de Grieksche bruiloft zo beschrijven, dat de lezer, mits hij een Dollondsche bril opzet, kan merken dat ik guys geleezen heb, iemand, die zeker, met 't plan om te auteuren na de Levant gereisd, stipter geweest is in 't aanteekenen van veele bijzonderheeden, die mij, eer een vrolijken dan een ernstigen klant, ontslipt zijn; daar dit mijn plan niet was.

De woestste volkeren der aarde vieren hun trouwdag als den schoonsten van hun leeven. Oordeel of dezelve bij de Grieken

[p. 414]origineel

ook plechtig moet zijn! Oudtijds hadt men over 't huwelijk een zwaar hoofd; men pleegde raad met philosophen en orakels, tegenswoordig loopt men 'er losser overheen, trouwt en vermenigvuldigt zich bij deeze natie, die haare star voor de rest laat zorgen, en bij welke men weinig ongehuuwde luiden ontmoet. Zij trouwen omtrent wanneer 't hun in 't hoofd komt, zonder gelijk hunne voorouders, zich te binden aan vaste maanden(108). Maar zij bedienen zich van een dierlijk soldeerzel, d.i. van de goede officiën van vrouwen, die 't gemeen koppelaarsters noemt, noodzakelijk geworden door 't afgetrokken leeven der meisjes.

't Huwelijk is voorafgegaan van geschen-

[p. 415]origineel

ken; men spreidt ze, niet zonder ijdele waan, ten toon, meest in de kamer, alwaar nabestaanden der bruid bezoeken ontvangen. Trouwens ik geloof, dat dit gebruik vrij algemeen is; en men behoeft geen logica gestudeerd te hebben, om te kunnen argumenteeren over de kragt der presenten.

't Zelve is ook waar van de maaltijden en festijnen, die voor en na de bruiloft gegeeven worden, waarop de Grieken zich braaf te goed doen. Dit gebruik is ook vrij algemeen, denkelijk wijl sine Cerere & Baccho friget Venus.

's Daags voor de bruiloft brengt men als in zegepraal de bruid na 't bad. Dit vind ik zeer goed, principaal in warme landen, ook zou ik 't niet afkeuren, al ging zij 'er ook 's daags daarop in; ja zelfs al deedt zij 't de veertien eerst navolgende dagen van haar trouwen. Misschien mag 't den vijftienden niet meer zo nodig zijn.

[p. 416]origineel

Alles tot deeze plechtigheid betreklijk geschiedt met eene groote publiciteit en luidruftigheid, met musikanten, met danzers, met voorzangers van 't bruiloftslied. Dan komt de bruid, half onder de armen gedraagen door haare naabestaanden, gevolgd van een meenigmaal noch langer stoet, als die der begraafnisse van een Amsterdamschen herder, welke eerste misschien noch langzaamer voortgaat. Een van 't gevolg draagt eene brandende fakkel; ging dezelve uit, men hieldt 't voor een ongelukkig voorteeken.

Wanneer zij in de kerk gekomen zijn, neemt de priester hun de kroonen van 't hoofd, en wisselt ze: zo als men 't elders de ringen doet, en weidt die kroonen daarna.

Den nieuw getrouwden biedt men ten teeken van aanneeminge in de familie, een

[p. t.o. 416]origineel



illustratie
P v W..... l inv. P. Wagenaar Jr Fec.
F. Sansom. Sculp.t Rotterdam.
Begraafnis en Bruiloft.


[p. 417]origineel

drink-schaal. De bruid, en daarna de bloedverwanten, benevens alle de gasten proeven 'er eens uit.

‘Zodra als de nieuwgetrouwde van deeze plechtigheid te rug keert, zo strekt men een tapijt over een zeef uit, en men laat 'er haar over gaan, zo als zij tot haar man .illustratie Zo de zeef, waarop zij de voorzichtigheid heeft steevig toe te treeden, onder haare voeten niet barstte, zou men tegen haar een vermoeden opvatten, 't welk haar man zou ontrusten; maar hij is gerust en wel te vreeden na de beproeving van de zeef.’ Zie guys. tom. I. p. 240.

Daarna gaat men eeten, drinken, zingen, danzen.(109) De vrienden bedanken elk-

[p. 418]origineel

ander voor de eer van 't aangenaam gezelschap; brûigom en bruid gaan na bed, &c. &c. &c.

[p. 419]origineel

en na verloop van een maand, zit de jonge man zich met beide de handen in 't haair....

[p. 420]origineel

Zo als 'er tusschen 't trouw- en 't sterfbed meest eenige mei-maandjes verloopen,

[p. 421]origineel

zo zal ik des lezers vreugd nu niet stooren.

Ik wil eerst zo lang van dit volk schrijven, tot dat 't mij zelfs verveelt; geene andere consideratie zal mij doen ophouden.

[p. 422]origineel

De begraafnis zal van deezen bundel het hek sluiten.

Vooreerst verzoek ik u op bruidstraanen, want de Grieksche vrolijkheid en trakteerziekte gaat zo gaauw niet over. Nu volgen festijnen op festijnen. Men zet zich nu niet wel als oudtijds aan zilvere tafels (die tach en passant gezegd, zeer klein moeten geweest zijn, of de menschen waren toen schrikkelijk rijk!) zommige eeten op zijn Oostersch; maar de fatzoenelijke klasse volgt onze manieren. Drie dingen maaken van deeze festijnen de hoofdingrediënten uit; eeten, drinken, muziek: trouwens die een goede maag en een weinig aanleg tot vrolijkheid meêbrengt, mag 'er zich overal mêe vergenoegen.

Wanneer men nu den buik vol heeft, gaat 't op een danzen. Zij hebben 'er verscheide van; maar bij mijn tijd was de Romeika 't meest in de mode. 't Danzen dee-

[p. 423]origineel

zer natie vordert geen leertijd, en ik, die zeker nimmer dans-meester had, en 'er ook geen neemen zal, wierd ik ook noch ouder als methusalem, herinner mij te Sevastopelen op een gezelschap met Grieksche koopvaardij-schippers te hebben mêe omgesprongen, en dat niet zonder een buitengemeen succes! En zo verre 't danzen niet meer is dan een vrolijk gehuppel, (misschien een instinct ter bevordering van de spijsverteering?) is mij alle dans onverschillig; dat zij danzen van nu tot morgen! Doch wanneer de konst 'er zich gaat meê bemoeijen, en de Grieksche fatzoenelijke vrouwen danzen, of sleepen in een aart van afgemeeten passen, zo val ik in slaap. -

Nu begint 't jonge vrouwtje wel eens wat misselijk te worden; haare ongemaklijkheid is een bewijs, dat de man niet altoos geslaapen heeft. Zo komen de vruchten des huwelijks in de waereld. De Grieksche

[p. 424]origineel

vrouwen mogen haare kinderen wat gek praaten, maar ik herinner mij niet, dat zij, onder den naam van baakeren, ze half verstikken: een duidelijk bewijs, dat 't eene dwaaling der onzen is, die waanen, dat men zonder de baakerij ze niet kan behandelen. Behalven in mijn verstandig vaderland heb ik nergens de luiermand met al haar kantjes, bantjes, musjes, flepjes en wissewasjes ontmoet. Waarlijk onze vrouwtjes maaken 'er een omslag mêe, dat een nadenkend man wel schrikken zou 'er iets meer aan te .....

Met de opvoeding loopt 't bij den grooten hoop zo wat in 't wild; en misschien waren de kinderen 'er niet veel slechter om aan, was 't niet dat 't bijgeloof oogen, die zich pas openen voor 't licht, verdraait en scheel doet zien.

De zeevaart en al haar nasleep heeft voor de Grieken eene bijzondere aantreklijkheid. Alle de matroozen, alle de deks-

[p. 425]origineel

officieren over 't meerder getal der Keizerlijke zee macht zijn Grieken. Zij zijn 't die de koopvaarders over zee brengen, zo als 't hunne handen zijn, die de schepen, groot en klein, in elkander werken. Die met de koopvaardij niet aan de kost kan komen, wordt een visscher.

Behalven eeten, drinken en spinnen, leeren de gemeene meisjes niet veel, want babbelen en zo wat kwaadspreeken leeren zij van zelfs.

En zo zij 't spinnen al niet oeffenden als eene kostwinning, zij zouden 't denkelijk doen uit liefhebberij. De Grieksche juffrouwtjes ziet men bestendig met de klosjes zij spinnen. Wanneer zij weeken of maanden daar meê vermorst hebben, laaten zij 'er zich een hembd van weeven. Daar van dit hembd de mouwen uithangen, zo behoeft men bij geene Grieksche vrouw geslaapen te hebben, om te weeten dat 't

[p. 426]origineel

hembd niet van witte zijde gaas is. Daar deeze hembden nu zeer duur zijn, hebben weinige 'er genoeg verschot van voor een warm, zweetrijk land. Om der zindelijkheid wille zouden zij veel beter doen, ze voor 't min kostbaar linnen of katoen te verwisselen: maar dit zal een dooven geprêekt zijn.

Met de opvoeding van de voornaame gaat 't iets beter, en 't is zeker, dat de groote, grondige kennis van 't oude Grieksch hier moet gezogt worden, en gevonden wordt. De taal, die de moderne Grieken spreeken - een abominabel, mij ergelijk bargoens - zal ongeveer van 't litterale Grieksch verscheelen, als die taal, welke men in de wandeling te Hamburg spreekt, 't plat-duitsch (Bas-saxon) verscheelt van 't Nederduitsch. Anderzints heeft men mij gruwelijk voorgeloogen, toen men mij verzekerde bij herhaalinge, dat een maatig gëor-

[p. 427]origineel

ganiseerd modern Grieksch hoofd, de taal zijner voorvaderen in drie maanden beet heeft. Dat hij 'er nu tien jaaren in wroete, en oordeel of zijne kunde doorkneed moet zijn!

(ô Gij glorierijke Boristhenes! Gelukkige stroom, die de rietrijke oevers bewatert van 't nieuw Cherson, bewaarplaats eens schats, eens wonders van Grieksche geleerdheid, eens Bisschops, genoeg een Griek, om den Aeneas en in zijne taal, en in vaersen over te brengen, en dat..... 'k zal niet zeggen hoe!)

Iemand mag dit werk, ondernomen op order van H.R.K.M. belachlijk vinden, dit doet niet hier ter zaak. Dat 'er op onze of andere hooge- schoolen geen professoren gevonden worden, bekwaam om iets goeds in heure taal voor te brengen, is niet wat ik beweer: maar hoe zou deeze partus laboriosus zijn, vergeleeken met dien eens geleerden van Lavidia, voortijds Athe-

[p. 428]origineel

nen? Ik blijf 'er zo op aandringen, omdat ik mijn vriend den H.H.C. gescheenen heb hier van de wijs te zijn, zo a]s eenige anderen denken zullen. In weêrwil hier van zoude ik geneegen zijn te gelooven, dat men aan 't Phanal hier en daar een wel opgevoed juffrouwtje vindt, bij wie meer dan één oud professor in deeze taal een lesje zou kunnen neemen.

Of der Grieken opvoeding met 't geen men talenten noemt, instrumentaal-vocaal-muzijk, teekenen, schilderen, danzen, zich veel bemoeit, is iets, waaraan ik bijkans niet twijfel, daar ik 'er nimmer eenig spoor van zag. -

Een ander in 't oogloopend zwak deezer natie doet haar de pracht en 't maaken eener grootsche vertooning zeer beminnen; Een Griek, die niet een weinig figuur maakt, moet wel arm wezen. Hunne huizen mogen elders maar van één verdieping zijn, schoon

[p. 429]origineel

ik ze ook buiten Constantinopolen twee verdiepingen hoog gezien heb; zeker is 't, dat zij in de hoofdstad zo hoog zijn als die der Turken. Derzelver meubileering, die der Turken gelijk, is zeer eenvoudig. Cyprische matten, of zo Smyrnsche als Salonieksche tapijten op de vloer, sopha's rondom den wand, bij zommige een klein, laag secretairtje, een K. aan 't kruis, met een lamp 'er voor, maaken 'er 't voornaamste weezen van uit.

Eenige weinige kamers hunner huizen hebben, in weerwil van den Heer guys(110), kleine schoorsteenen, hebbende, doorgaans de sneê van een halve tent. 't Is waar men bedient 'er zich zelden van; en ik herinner mij geen zes maal in 't koudste van den

[p. 430]origineel

winter 'er in te hebben zien stooken. In deeze landen is 't wêer meest zagt genoeg, om zich met een groot vuur-consoor (Mangal) te kunnen verwarmen. Maar in onze glazen-kassige paleizen is 't 's winters doorgaans wat koeler. Die wil, maake den lof des turf-vuurs. Men klappertandt elders, schoon ook wat nader aan de pool, min hard. De stoofjes verdienen eene onherroepelijke excommunicatie. Daarom moest de Tendour 't meubel onzer landslui zijn. Ik wil 'er mijne lezers, en noch meer mijne lezeressen mêe bekend maaken.

De Tendour(111) is eene vierkante ta-

[p. 431]origineel

fel, op vier voeten rustende, waarvan de zijden ieder zelden meer dan vijf voeten hebben, die een bodem heeft, twee à drie duimen hooger dan de grond, dewelke met blik beslaagen is. Op deezen plaatst men een ijzeren vuurtest, met een blikken kap, doorboord met gaten. Over deeze tafel hangt men een wolle deeken, die tot op en over den grond sleept, overdekt met een even lange, katoene, gestikte bed-deeken. Boven op die tafel legt een vierkant kleed, aan wiens fraaiheid men veel wendt. Wanneer men nu onder dit afhangend kleed tot over de middel gezeeten is, deelt zich die warmte zo wel meede, dat men aan geen vuur denkt. Zijnde handen verkleumd, een oogenblik 'er onder gehouden, zijn ze ontdooit. Zit men 's winters op die tafel

[p. 432]origineel

te schrijven; de warmte van 't blad, laauw geworden door 't vuur, wiens hitte zich in de Tendour, als in een vuur-mand besluit, houdt de handen leenig. - Een paar ingereekende turf-koolen zouden genoeg zijn, om een dozijn menschen een halven dag te verwarmen. Dus is dit een zeer economisch meubel. Ik hoop, dat onze Dames 'er zich van zullen bedienen. Ik ben zo verzekerd van deszelfs voordeeligen invloed op haare waarde gezondheid, dat ik noch geen zes weeken nadat dit boekje 't leevenslicht aanschouwd zal hebben, een plechtige deputatie van 't Amsterdamsch Collegium Medicum (wiens eindlooze en weergaêlooze waakzaamheid voor de gezondheid zijner stad-genooten, wiens voorbeeldelooze en onnavolgbaare zorgen, ter weeringe van alle medicinaale strooperijen, alle hoogstschadelijke kwakzalverijen, alle verderflijke inkruipzels, wiens scherpziende oog ter in-

[p. 433]origineel

standhouding der privilegiën hunner medebroeders, waereldkundig zijn) verwacht, ten einde mij voor de communicatie van zo goed nieuws te bedanken.

Deeze vuurtest kan noch een anderen dienst doen. Men wil ook des winters zijne vrienden een goed onthaal geeven. Maar onze vertrekken, schoon men 'er ook een snotterig vuur in stookt, zijn als dan bijna zo frisch als ijs-kelders. De oude Heeren, gezeeten bij den schoorsteen, braaden zich den rug; de rest van 't gezelschap mag op de vingers fluiten. 't Is genoeg dat men onder 't tafel-kleed, een ander kleed tot op den grond neêrhangt, waaronder men aan den disch gezeeten warm blijft, zodra men onder de tafel, liefst rond, een dergelijke vuurtest zet: wel te verstaan met vuur 'er in. Dit is gebruikelijk bij de Provençaalen, bij wie de brand zeer duur is; en zij bevinden 'er zich recht wel bij. -

[p. 434]origineel

Keeren wij te rug tot de Grieksche pracht, meest ten toon gespreid in de vrouwelijke kleeding. Verscheiden mijner vriendinnen vroegen mij, bij mijne weder opstanding in 't vaderland, of ik ook in mijne talrijke collectie van natuurlijke zeldzaamheeden, een garnituur deezer kleeding had mede gebragt. Om een aart van amende honorable te doen voor deeze mijne schandelijke vergeetelheid, gaa ik 'er hier eene beschrijving van geeven. Ik heb niet waargenomen, dat de goude kettingen 'er een ingredient van uitmaaken. Ik heb wel eens rijke Armenische koop mans vrouwen zien draagen allerlei nieuwe of schoongeschuurde goude munten, door middel van gaatjes aan elkander geschakeld, bij wijze van een sjerp over den schouder, wanneer zij op haar zondags uitgedost waren. En dit is 't al.

't Hembd, 't geen wel van witte sijde, doch niet van gaas is, hangt haar tot op de

[p. 435]origineel

hielen. De gordel dient om 't op te schorten. De mouwen van dit hembd zijn wijd, zonder plooijen, zonder boord. Voortijds droegen de dames algemeen een lange wijde, nu zijden dan katoenen broek, aan de enkel toegehaald. Bij mijn komst in Smyrna zag ik ze noch draagen; zij hing beneden de rokken uit. Ze misstondt niet. Maar ik heb naderhand aan 't Phanal en te Pera bespeurd, dat ze uit de mode is. 't Is mij voorgekomen, dat de Grieksche vrouwen, voetje voor voetje, de kleeding der Franken naderen. Zo draagen zij nu een rok, die voortijds een vierkant stuk was, 't geen zij omsloegen en in den gordel vaststaken, doch nu een rok is, als die onzer vrouwen. De anteri, die om de middel sluit, en de borst ondersteunt - eene voorzorge door 't warm klimaat en de baden noodwendig gemaakt - krijgt door den zo gemelden rok een ander aanzien, dan zij

[p. 436]origineel

oudtijds moet gehad hebben. De caftan wordt alleen des zomers gebeezigd, en nagelaaten des winters, wanneer men een pels draagt, die van vooren wijd open hangt, en om den rand en op de naaden met goude en zilvere galonnen, meenigmaal al vrij smakeloos, belegd is; waarvan zo aanstonds meer. 't Heeft mij niet min gestooten als Milady craven, dat de dames, bezorgd zeker dat men de rijkheid haarer pelterijen niet mogt opmerken, van buiten de pels de geheele rug met een stuk 'er van bedekten. Deeze lap heeft veel overeenkomst met 't stuk gevuld zeil-doek, dat de visch-boeren op den rug draagen, om 't drukken van de kaar of visch-ben te voorkomen. 't Zelve gaf haar een misselijk aanzien, en verdorf haar gansche leest. Ook hebben de dames van Constantinopolen, die in 't stuk van modes de wet geeven, zo als de koop-

[p. 437]origineel

luî van Smyrna de wissel reguleeren, deeze bonte lap geremoveerd.

De bovengemelde galons zijn doorgaans lomp en van een slechte keur. Dit metaal en 't zilvere moet van eene onweêrstaanbaare aantreklijkheid zijn in de oogen van dit volk. Naarmaate der vrouwen aart meer van den opschik werk maakt, bevlijtigen zij zich 't te doen schitteren, zouden zij 't ook aanbrengen noch belachlijker als koeke-bakken in een treurspel. De meisjes, die van zich een kostwinning maaken, zijn 'er, zo zij 'er maar geleegenheid toe hebben, niet de nalaatigste in.

Vous pensez bien, M. que les Courtisannes avoient un luxe particulier, et un maniere d'ajustement, qui sont encore affectés aux femmes de cet état, mais que d'autres n'imitent que trop souvent.

Je n'entrerai point sur cet article dans des détails & des comparaisons qui

[p. 438]origineel

pourroient blesser les moeurs & l'honnêteté. La curiosité doit avoir ses bornes, & respecter celles que prescrit la décence.’ guys, Tom. I. p. 70.

Arrigite aures, curiosissimi lectores! operae pretium est attendere, & quae pudico nostro auctori fuerit mens, paucis accipite:

Meretriculas ex Graecis quae libidini publicae serviunt, parum contentas, quam ipsis largita est natura, pulcritudine & formâ, Byzantinis quibusdam in fabulâ est, novarum illecebrarum gratiâ, eas quas non licet nominare prae verecundiâ partes, quasque mares alibi sine ornamentis, sint modo mundae, inodorae!(112) & sanae amant, filis fim-

[p. 439]origineel

briisque aureis ornare solere. - Et nunc lectorem rogatum vellem, antiquis quare magis quam recentioribus, Graecis Latinisve magis quam Gallis aut Belgis licet esse obscoenis?

ô Opinio regina mundi!

Juffrouwtjes zijt niet nieuwsgierig; want gij zult 't niet weeten! Dit alleen zal ik u

[p. 440]origineel

zeggen, dat de Grieksche meisjes gewoon zijn, niet zelden klaater goud tusschen de blaâren der liefste bloemen in te voegen, om ze daarmêe op te schikken: een walglijk gezicht, 't geen mij, haar ziende dergelijke ruikers op de borst draagen, altoos aanstootelijk geweest is: - eene bizarrerie die de andere, noch vreemder, gelooflijk maakt.

De gordel is een voornaam stuk haarer kleeding. De eenvoudigste is enkel een breede band van voren toegegespt, met een pinsbekke uitgewerkte gesp. Vermogenden draagen dien met bloemen, goud en zilver gestikt, met een groote ronde gesp van zilver, goud, met allerlei edele gesteentens ingelegd. Een kostbaare chaal, van de fabriek van Cachemir, gewerkt van een zo fijne wol, dat men ze volstrekt voor sijde zou houden, (men vindt 'er die 1000 piasters 't stuk kosten) los om den middel

[p. 441]origineel

geslaagen, vervult 'er de plaats van. Anderen bedienen zich alleen van een sijden doek.

Maar 't zamengesteldste stuk van 't Grieksche, en ook 't Turksche optooizel is haar kapzel. Als deeze dames en négligé zijn, draagen zij alleen een wolle opstaande calotje, waarom zij een stuk neteldoek slaan. Dit noemen zij Doudondournou. Maar wanneer zij opgeschikt zijn, hebben zij de ongepoeijerde hairen, in een aantal van tressen gevlochten, die zij nu langs den rug los laaten hangen, nu opslaan en aan 't kapzel vastmaaken. 't Zelve bestaat uit twee à drie calotjes, los op elkander staande, bijna in de figuur van een grenadiersmuts, veeltijds is de buitenste van zwart fluweel. Hier slaan zij nu neteldoek, nu gekleurde sijde-gaas om. Wanneer zij recht opgeschikt zijn, besteeken zij deeze muts met pluimen en bloemen, behangen dezelve

[p. 442]origineel

met allerlei huisraad van ringen, orliëtten, kraalen, clinquant, alles, wat maar blinkt, zo dat een dergelijk hoofd veel naa een uitdragers winkel gelijkt, waar aan niets feelt dan smaak.

Over dit kapzel slaan zij een chaal, die 't zelve, 't hoofd en de zijden van 't aangezicht bedekt, zo meenigmaal zij uitgaan, gevolgd van een of meer dienstmaagden: want de tijden zijn zeer verandert, zedert den Heer guys, die zegt (tom. I. p. 28) dat de vrouwen bestendig thuis zitten te koekeloeren; iets waar in zij, zo min als de jonge juffrouwtjes, weinig plaisir vinden. Hoe vooringenomen ik ook voor deezen aangenaamen schrijver ben, dunkt mij dat zijn voorgenomen plan, om overeenkomsten te vinden tusschen de oude en de hedendaagsche Grieken, hem wel eens en meer dan eens van 't pad gebragt heeft. Hier aan is ook te wijten, dat hij gewaagt heeft el-

[p. 443]origineel

ders (tom. I. p. 115) te zeggen, ‘dat dit volk (de Grieken) zo ligtzinnig als 't ook is, zo groot voorstander van nieuwigheid men 't zich ook voorstelt, nimmer afgehangen heest, zo als wij, van de grillen en onstandvastigheid der mode, die ons beheerscht.’ Ieder nadenkend lezer, bekend met 't karakter der vrouwen, moet a priori dit wonderspreukig toeschijnen; en ik kan hem a posteriori verzekeren, dat dezelve thans zo standvastig niet meer zijn, daar ik in mijn tijd haare kleeding heb zien veranderen. Ook is 't te onrecht, dat men van haar kleeding in 't algemeen spreekt; daar de sterk onder elkander verschillende costumen van veele derzelven vorderen, dat men bestemme van welke men spreekt. Ik voor mij hield mij alleen beezig met die der hoofdstad en van Smyrna.

Wanneer de gemelde schrijver van de Turken spreekt, is zijn zeggen niet zo voor-

[p. 444]origineel

ingenomen, en van meer gezag. Zo vind ik zijne beschrijvinge eener Turksche begraafnisse, eene plechtigheid, zo als veele andere, welke de Muzulmans niet gaerne door ongeloovige oogen ontheiligd zien, en die dus maar ter sluip kan waargenomen worden, zo naauwkeurig, dat ik niet oirbaar vinde 'er iets aan te veranderen:

‘Ik zag vooreerst, 's morgens om tien uuren, den doodgraver arbeiden; de slaaven en vrouwen van 't huis, waren op 't kerk-hof gezeeten, en alle begonnen toen te weenen. Na dit praeludium, omhelsden zij alle, de eene na de andere, een dier kolommen,(113) welke men

[p. 445]origineel

op de graven zet, zeggende: ogloum, ogloum, sana Mussaphir gueldi. ‘Mijn zoon, mijn zoon, zie hier een vreemdeling of gast, die u komt bezoeken.’ Hierop beginnen zij wederom te weenen en te snikken, maar dit onwêer duurde niet. Alle gingen zij zitten te praaten.

‘'s Middags hoorde ik een gebrom en een treurig geschreeuw; 't was de lijkstaatie, die aankwam. Dezelve was voorafgegaan door een Turk, draagende op zijn hoofd een klein kistje; vier andere Turken, droegen de doodkist(114) op hunne schouders. Vervolgens kwamen de vader, de bloedverwanten en vrienden

[p. 446]origineel

van den overleedenen, in eene vrij talrijke meenigte. 't Huilen hieldt op, zo als zij op 't kerkhof kwamen. Maar hier werdt men handgemeen, en zie hier waarom. De man, welke 't kistje droeg, opende 't zelve, en vol zijnde met boeken van den koran, zo kreeg een aantal Turken, jong en oud, die zich op deeze boeken wierpen, hier twist over. Zij, die 'er eenigen van beschaaren konden, voegden zich rondom den Turkschen dominé of Imam, en alle begonnen zij tevens hun koran optezeggen, zo als de kinderen hunne lessen op 't school. Aan ieder der lezers gaf men een 1/4 piaster, de waare twist-appel.

‘De kist stondt voor 't graf, waar aan men bestendig voortwerkte, en digt daarbij brandde men welriekende dingen. Na 't leezen van den koran, hefte de Imam Arabische gebeden aan, en zijn

[p. 447]origineel

choraal-muziek zou u zo als mij zeer belachlijk gescheenen hebben. Alle de Turken stonden overeind; zij hielden de handen open voor 't graf en antwoordden Amin op alle de gebeden, die de Imam voor den overleedenen tot God verhief.

‘Dit gedaan zijnde, zo bragt men eene groote kist, zes voeten lang, drie breed, waar van de planken zeer dik waren. Dezelve zijn doorgaans van cypressen. hout. Dit bewaardheidt 't geen horatius van zijn tijd zegt: dat de korte bezitting van de goederen deezer waereld op droevige cijpressen uitloopt.(115).

‘Bijna alle de Turksche kerkhoven zijn beplant met deeze boomen, voor welke

[p. 448]origineel

zij een godsdienstig zwak hebben. Deeze kist, met zwaluw-staarten in een gewerkt, in 't graf afgelaaten zijnde, zo zette men 'er de dood-kist in, en lag planken en andere stukken hout 'er boven op. Vervolgens namen alle de Turken schuppen, en vulden 't graf met aarde.

‘Dit is een laatste plicht, waar van alle die geene, welke eene begraafnisse bijwoonen, zich ieder op zijn beurt kwijten.

‘Maar voordat men 't lijk beaardigt, wordt 't naar de Moskée gebragt. Aldaar, na een gebed Fatka voorgeleezen te hebben, vraagt de Imam aan de omstanders, welk getuigenis zij te geeven hebben van 't leeven en de zeden des overleedenen: ieder neemt dan op zijn beurt 't woord, en verhaalt de goede daaden van den overleedenen, die ter zijner kennisse ge-

[p. 449]origineel

komen zijn. Dan wordt 't lijk gewasschen, en ingepakt als een mumie, zo dat men 't niet ziet. In de doodkist legt men naast 't lijk eenige welriekende drogerijen; men beurt 't op, en brengt 't na de begraafplaats. Voor dat 't neêrgelaaten wordt, beveelt de Imam de weenende omstanders te zwijgen, hun zeggende: ‘“schort voor een oogenblik uw geklag op, en laat mij deezen Muzulman leeren wat hij doen moet, bij zijn komst in de andere waereld.”’ Als dan zich naar 't oor van den dooden bukkende, leert hij hem, wat hij den boozen geest, die niet missen zal hem te ondervraagen over zijn godsdienst, moet antwoorden, enz. (zo bedient zich een bedriegachtige geestelijkheid van de menschelijke ligtgeloovigheid ten haaren meesten profijt!) Dit onderwijs geëindigd zijnde, herhaalt hij met alle de omstanders 't Fatka, en men laat

[p. 450]origineel

't lijk zakken. Nadat ieder driemaal 'er aarde op geworpen heeft, zo als de Romeinen dit deeden, gaat ieder weg. De Imam alleen blijft, bukt zich, en luistert toe om te hooren, of de overleedene spartelt, als de engel des doods hem komt haalen; hij zegt hem 't laatst vaarwel; en om wél betaald te worden, vergeet hij niet de familie 't beste nieuws van den overleedenen te brengen. -

‘'t Geen ik geduurende deeze treurige plechtigheid waarnam, was de houding van den vader, dien men ligt herkende. 't Was een eerwaardige grijzaart, wiens weezen 't indruksel eener manlijke droefheid droeg, zonder eenig toestel of vertooninge, die gewoonlijk aan de omstanders de gewoone stof tot troost in den mond leggen. Voor 't overige zijn de Turken, op dit artikel, de redelijkste menschen van de waereld. Dit ziet men

[p. 451]origineel

voornaamelijk in de openbaare rampspoeden. Bij deeze geleegenheid barst de Griek uit, en doet zijn geschreeuw en geklag hooren; de Jood schreit en is troosteloos; de Turk alleen slaat zijn oog hemelwaarts, bukt 't hoofd, als om zich te onderwerpen aan den soevereinen willekeur van den Meester der gebeurtenissen; in dit stuk meer een Kristen, zo ik 't zo zeggen durv', als de meesten van ons.’ G. tom. I. p. 340. -

Uit 't oog, uit 't hart, zegt 't spreekwoord; en wanneer de boedel eens tot liquiditeit gebragt is, wordt de overleedene haast vergeeten. Groote hoedaanigheeden, ik beken 't zijn 't alleen die ons recht geeven ons bestaan te verlengen tot voorbij 't graf; maar 't kleedt een sentimenteel karakter recht wel, de gevoeligheid, de vriendschap, de erkentenisse niet te doen uitsterven met de begraafnis. Zo begrijpen 't

[p. 452]origineel

de Grieken, die van tijd tot tijd de graven hunner bloedverwanten, hunner vrienden gaan bezoeken, om zich te herinneren aan hunne deugden, hunne weldaaden, en door eene verleevendiging hunner perzoonen, hen, als 't ware, voor een oogenblik uit 't graf terug te roepen.

 
‘Supersunt multa quae possim loqui,
 
Et copiosa abundat rerum varietas;
 
Sed temperatae suaves sunt argutiae,
 
Immodicae offendunt. Ergo

Einde van dit Deel.

(101)Horatius, die voorwaar langer dan de man dien ik hier onder 't vilmes heb, zijne gedagten bekookte, voordat hij ze gemeen maakte, heeft leevendiger en meer naar waarheid gevoelt 't voordeel, beide van gelukkig gebooren, en gelukkig opgevoed te zijn:
- Quid mens rite, quid indoles,
Nutrita faustis sub penetralibus,
Posset; -
Fortes creantur fortibus & bonis:
Est in juvencis, est in equis patrum
Virtus: nec imbellem feroces
Progenerant aquilae columbam.
Doctrina sed vim promovet insitam
Rectique cultus pectora roborant.
Lib. IV. Od. IV.
(102)Was deeze verandering, vraagt wel iemand, ook 't gewrocht eener staats-omwenteling, zo geschikt, om een volk, door 't verlies zijner vrijheid, te degradeeren, allen lust tot de beoefening zijner verstandelijke vermogens te ontneemen? Dan dit is 't geval niet met de Grieken. Nadat hun land een Romeinsch wingewest geworden was, bleeven zij noch immer 't verlichtste volk van Europa, leverden zij de school op, waarin hunne veroveraars hunne opvoedinge gingen volmaaken. ‘Griekenland, hoe wel beroofd van haar wereldlijk gebied, behieldt de bovenhand in schoone Kunsten en Wetenschappen, en ontving, ten dien opzigte, eere van zijne overwinnaars, want de beroemdste Romeinen begaven zich derwaarts, om onderweezen te worden in de uitmuntendste takken der Letterkunde. - En de Grieksche Geleerdheid werdt, volgens 't getuigenis van plutarchus, voor zo noodzakelijk een tak der opvoeding gehouden, onder dat oordeelkundig volk, dat een Romein, die de Grieksche taal niet verstondt, nooit tot een hoogen trap van achting kon geraaken.’ Z. Geschiedenis van Oud-Griekenland, door william robertson, Boek IV. H, II. bladz. 95.
(103)Ik hoop, dat de lezer eenige toegeevendheid zal gebruiken, en mij ten goede houden, dat ik hem hier een oogenblik verdrietig valle, met te herhaalen, iets 't geen men misschien in honderd zeer rechtzinnige godgeleerde werken vinden kan.
(104)Men moet toch bekennen, zei onlangs de Eerwaarde L.... met een crescendo, dat de K. godsdienst op de waereld een invloed gehad heeft, die illustratie
Stel de bevolking van onzen aardbodem op elf hondert millioenen menschen, die van Europa op hondert vijftig, geef aan de drie andere waereld-deelen noch vijftig millioenen Kristenen, zo zijn 'er noch van de vijf menschen niet één, die van J.C. immer hoorde spreeken; en noch hoe?
Zonder van 't heilrijke, van de zaligmaakende kragt deezer leer, een stip te willen afdoen, zal ik bij mijnen K. leezer toch in geene ongenade vervallen, zo ik als historie-schrijver der menschelijke meeningen, zonder aanneeming van land of stand, zonder kiezen van partij, of 't doen van uitspraak (iets waartoe wij, was 'took bevoegd, ons ongehouden reekenen: want ‘qui requirunt, quid quaque de re ipsi sentiamus, id curiosius faciunt quam necesse est.’ CIC.) daadzaaken historice verhaale, mij veroorloov' op te merken, dat gelijktijdig met de verkondiging der leere van J.C. of beter die verbastert door zijne suppoosten, eene ons te vooren onbekende (den Jooden misschien uitgezondert) menschen-haat, om godsdienstige meeningen zich, zo niet over den aardbodem, ten minste over 't aanzienelijkste deel van denzelven, heeft beginnen te verspreiden;-dat 't toen een eer geworden is in de schandelijkste domheid, in 't slijk van bijgeloof weg te zinken;-dat 't verloochenen zijner natuur, eene van haare eerste bestemmingen te niet te doen, gehouden is geworden deezer zelve natuur eene nieuwe waardigheid bij te zetten.
Schoon voor de opkomst van deeze nieuwe leer, de opiniën der onder 't veel-godendom leevende Heidenen, zo meenigvuldig mogten zijn, als de menschen, men vindt nogthans geene of zeer geringe spooren, dat dit verschil van denkwijze de zaaden van menschenliefde, van meededoogen en goedwilligheid, die de Schepper in ons hart gelegd hadt, verstikte. ‘De verschillende godsdiensten, aangenomen in de Romeinsche waereld, werden aangemerkt door 't volk, als alle gelijkelijk echt (hoe is dit mogelijk?)-door de philosoophen, als alle gelijkelijk valsch (dit begrijp ik)-en door de overheeden, als alle gelijkelijk nuttig. Alzo bragt de verdraagzaamheid niet alleen onderlinge toegeevendheid, maar zelfs godsdienstige eendragt voort.
‘'t Bijgeloof des volks werdt niet verbitterd door eenig inmengzel van theologischen wrok; noch was 't gebonden aan de ketens van eenig speculatief stelzel. De vroome Veel-godendienaar, schoon van harte verknogt aan zijne nationaale godsdienst-plechtigheeden, duldde met een ingewikkeld geloof alle de onderscheiden godsdiensten der aarde.’ gibbon.
Deeze gulde eeuw van broederliefde, verdraagzaamheid en eendragt, heeft met de preediking der K. Openbaaringe (zeker door de averechtsheid haarer uitleggers) opgehouden onder de menschen, onder welke 't nu allengs eene mode werdt, elkander, uit hoofde van verschil in godsdienstige begrippen, te kwellen, te vervolgen en te vernielen, (eene mode, die 33,095,890 zielen, zoo groot als klein, aan ons geslacht gekost heeft) item den een den ander beurtelings de deur des Hemels, voor den neus toe te sluiten.
De volgende plaats uit tertullianus getuigt van de kristelijke fluweelachtigheid: ‘At enim supersunt allia spectacula, ille ultimus & perpetuus judicii dies, ille nationibus insperatus, ille derisus, cum tanta seculi vetustas, & tot ejus nativitates uno igne haurientur; Quae tunc spectaculi latitudo? quid admirer? quid rideam? ubi gaudeam, ubi exultem spectans tot & tantos Reges, qui in coelum recepti nuntiabuntur, cum ipso Jove & ipsis suis testibus in imis tenebris congemiscentes? item Praesides, persecuto res Domini nominis, saevioribus quam ipsi flammis saevierunt, insultantibus contra Christianis, liquescentes? quos praeterea sapientes, illos philosophos, coram discipulis suis una conflagrantibus, erubescentes. Tunc magis tragoedi audiendi, magis scilicet vocales in sua propria calamitate.’ De spectaculis libr. III.
Opheldering, uitbreiding, beschaaving des verstands begon toen met afschuuwen betracht te worden. Het leezen werdt door de Kerkvaders niet dan met de uiterste omzichtigheid gedoogd. De geest-gesteldheid der Kristenen, kenbaar in de historia litteraria van zo zo veele eeuwen, getuigt van den gelukkigen uitslag, waarmede deeze leer verkondigt werdt.
Schoon onze eige bewustheid ons leert, dat de zintuigen en de zinnelijke vermaaken ons tot ons behoud gegeeven zijn, niettemin beschouwden die zelve Kerkvaders 't als eene doodzonde den minsten, den schuldeloosten lust in te willigen. De ijver deezer helden heeft 't bijzonder gelaaden tegen valsch hair, alias paruiken, muziek, goud- of zilver-werk, klederen van eenige, uitgenomen de witte, kleur, gemaklijke bedden. Den Barbiers verklaart tertullianus een openbaaren oorlog, noemende 't scheeren een leugen tegen ons eige aangezicht, eene goddelooze poging om de werken des Scheppers te verbeeteren.
De geestdrijverij of ijlhoofdigheid der eerste Kristenen ging zo verre, dat, in spijt van 't onvervreemdbaar instinct tot eige behoud, 't geen de natuur aan alles wat leeft, zo vast smeedde, als de zwaarte aan 't goud, zij wedijverden in de eerste eeuwen, om hun leeven noodeloos op te offeren, en zich een gewaande martelaars-kroon op 't hoofd te zetten.
En wat al misselijke denkbeelden vormden zij zich niet van 't huwelijk, zonder 't welk onze aardbodem een kerkhof wordt? Zo zij 't toelieten, schijnt 't alleen geweest te zijn, als een onvermijdelijk kwaad. De ongehuuwde staat werdt zeer vereerd. ‘'t Begunstigde gevoelen der kerkvaders was, dat zo Adam zijn Schepper gehoorzaam gebleeven was, hij voor altoos geleefd zou hebben in een staat van maagdelijke reinheid, en dat deeze of geene schuldelooze manier van voortplantinge 't Paradijs bevolkt zou hebben, met een geslacht van schuldelooze en onsterflijke weezens’. Origenes, wiens voorbeeld klemt, omdat 't aantoont de verregaandheid van de bedwelminge der Kristenen, bragt zich in denzelven staat, als de Kislar-Aga of opzichter der vrouwen des Sultans d.i. in de onmogelijkheid om 't kroost van origenes voort te planten; ofschoon ik in 't zekere meen onderrecht te zijn, hoe 't hem daarna genoeg speet toen de mees gevlogen was. En deeze amputatie genoot de eer der menschelijke bewondering. Zo groot eene eer is 't van hen bewondert te worden!
Ik zwijg van verscheide gruwelen, alleen dienstig om de maatschappij met schelmen te bevolken, hoedaanig zijn de absoluties voor noch te begaane euveldaaden, aflaten, overtollige goede werken en derzelver fabriek, mitsgaders eene legio van geestelijke kwakzalvery en bedrog, dewelke de verbastering der K. leer (en van deeze spreek ik alleen; niet van de K. leer zelve; die laat ik daar) onder de menschen gebragt heeft, en noch brengt, daar, waar 't gezeegend licht der Hervorminge noch niet schijnt. Op dit stuk zyn de II. XV. en XVI Chapt. van gibbon overleezenswaardig, wiens gedagten ik ook hier en elders overneem.
(105)Om zich een gepast denkbeeld te maaken van den invloed, dien de geestelijken zich over de gemoederen der gemeente verworven hadden, heeft men zich alleen te herinneren, dat zij, kort en lang na J.C., zich de gaave der wonderwerken aanmatigden, d.i. 't voorrecht om de wetten der natuur, ter staavinge zijner leer, voor een oogenblik te doen stil staan, d.i. van hooger hand in commissie gesteld te zijn; d.i. bijna zelfs Goddelijk te zijn. Deeze kragt door J.C. aan zijne Apostelen medegedeeld, van deezen uitgegaan in de Kerkvaders, Bisschoppen, Pauzen, Priesters, enz. ook Leeken, beweert, of beweerde men, volgens 't getuigen der kerkelijke historie-schrijvers, den dienaaren des H. Woords bygebleeven te zijn door verscheide eeuwen heen, tot dat zij (deeze kragt) als eene piramide in een onzichtbaar punt, 'k wil zeggen, in een bundel sprookjes van 't rood kousje uitloopt. 't Zij nu de geestelyken dadelijk 't voorrecht hadden om wonderen te doen, 't zij de eenvouwdigen dit geloofden, 't komt op 't zelve uit; en die wonderen, of 't geloof in die wonderen moest den priester een onbegrensd gezag op den geest van 't algemeen geeven.
Deeze wonderwerken bestonden doorgaans in 't uitdrijven der duivelen, 't geneezen der hoopelooste ziektens, de gaaf van gezichten-zien, van propheteeren, van taalen te leeren zonder meester, grammatica of lexicon, 't opwekken der dooden. Dit laatste, 't geen een baas van een wonderwerk is, was iets niets zeldzaams ten tijde van irenaeus, die echter bijna 200 jaaren na J.C. bloeide: schoon de Bisschop theophilus, omstreeks dien tijd uitgevordert om dit ter bekeering eens ongeloovigen vuilik te verrichten, 'er voor optornde. Z. Gibbon. Vol. I. p. 476. Ed. in 4to.
(106)‘De Grieken vleijen zich, dat de Groot-Hertog van Muskovien hen noch eens uit hunne ellende verlossen, en 't Turksch Keizerrijk vernielen zal: maar behalven dat 'er geen kijk is op deeze staatsomwenteling, zouden zij, al veranderden zij ook van meester, 'er niet knapper om worden’. Z. Tournefort, Voyage du Levant. tom. I. p. 38.
(107)De naam, dien de Grieken aan haare minne geeven, voor welke zij eene elders ongekende liefde en verknogtheid hebben, die maakt, dat deeze Paranama's meenigmaal in de familiën ingelijfd worden.
(108)De Grieken trouwden eertijds enkel meest in de maand Januarij, daarom bijgenaamd Gamelion. Z. Guys tom. I. p. 236, en doorgaans Lettr. XVI.
(109)De Grieken hebben ook hunne spelen, hun bijzonder eigen. 't Algemeenste daar van is de Mangala, een spel, 't geen twee luiden met hoorntjes of schelpjes speelen, in een langwerpig bord, waarin een dozijn, naar mijn geheugen, holtens in gewerkt zijn. De intrigue 'er van is, in eenige daar van een zeker getal te brengen.
Ook hebben zij 't schaak spel. Schoon ik meer mat maak, dan gemaakt word, (NB. in 't schaaken) en dus iets van dit spel verstaa, zijn de figuuren der stukken, en haare beweegingen zo vreemd, dat ik 'er niet wijs uit heb kunnen worden, schoon ik 'er wel eens bij stond te gaapen.
Ik kwam eens op een morgen bij een paar Effendi's, die zelfsverveeling deedt geeuwen. Wat meent gij dat ze uitvonden, om zich den tijd te korten? Zij lieten een paar Tchoädars of kamer-lakeijen komen, om voor zich op 't tapijt een partijtje te schaaken, te lûi zijnde om 't zelve te doen. Oordeel of men onder diergelijke natie veele jaagers vindt!
De Grieken, die zo leevendig als de Turken doodsch zijn, en nog meer de Griekinnen, houden veel van vertellingen, De lezer vergenoege zich met dit staaltje, behelzende niet enkel eene vertelling, maar ook eene waare geschiedenisse: ‘De Groot-vizir Ibrahim Pacha, gezeeten aan een der vengsters van zijn paleis, zag iemand voorbij gaan, dien hij meende te herkennen. Deeze Turk tot de uiterste armoede gebragt, zelfs dien dag geen brood, gehad hebbende, om aan zijne kinderen te geeven, geperst door hun geschrei, ging na de markt, om de eenige pels, die hem overbleef, te verkoopen. Ibrahim Pacha deedt hem voor zich komen; maar wanneer hij hem wel betracht hadt, herkende hij zijne vergissing. Hij ondervroeg hem nogtans, en om hem gerust te stellen met goedaartigheid. Wat is uw beroep, zegt hij hem, en waar ging gij na toe? Heer, antwoordde de Muzulman, gij verwaardigt u de oogen te laaten vallen op een ongelukkigen, die niet altoos in de behoeftigheid was, en die heden gedwongen is zijne klederen te verkoopen, om brood te hebben. Hij schilderde hem zijne omstandigheeden af, en de menschlievende Vizir werdt 'er van aangedaan: want weldoen was zijne uitspanning van de pijnelijke zorg der publieke zaaken. Ik koop, zegt hij hem, uwe pels, en geef ze u te rug. Hij deedt hem een goede stuiver toetellen, en zondt hem in de rijl te rug, op dat de vreugde des te schielijker in zijn huis wederkeerde. Hij vervoegde zich vervolgens bij de Sultane, zijne echtgenoote, en verhaalde haar wat hij gedaan hadt. Ik kan niet anders dan u prijzen, zegt zij hem, over 't goed, dat gij dien man gedaan hebt: nu is 't mijne zaak zorge te draagen, voor zijne vrouw. Zij beveelt dat men haar doe verschijnen. Zij komt met haar zuster. Men zendt ze na 't bad, en kleedt ze netjes; de Princes beval, dat alle de meisjes van 't Harem, meer dan twee hondert in getal, ieder haar een kleed gaven. Zij voegde 'er een beurs vol sequinen bij, en zij zegt haar, toen zij haar te rug zondt: uwe zuster is ongetrouwd, geef haar een man naar haar zin, en laat mij voor 't huwlijks-goed zorgen. Deeze Princes wilde haar echtgenoot overtreffen in edelmoedigheid, en de boosheid der menschen heeft twee zo weldaadige weezens niet op aarde willen laaten!’(*)
(*)‘Zij was de dochter van Sultan-Achmed, die haar ten huwelijk gaf aan Ibrahim Pacha, den prachtigsten, den milddadigsten, den minzaamsten Vizir, dien men immer zag. In de staats-omwentelingen van 1730 werdt hij gewurgd.’
(110)Il n'y point de cheminées dans les chambres des maisons Grecques.’ tom. I. 34.
(111)Cette table est couverte d'un tapis, qui de tout côté tombe jusqu'à terre, et d'un autre en soie plus ou moins riche, qui pare le Tendour, autour duquel on s'assied sur le sopha ou sur des carreaux. On peut mettre à la fois les pieds et les mains sous la couverture, qui, enveloppant le brasier de toute part, entretient une chaleur douce & agréable.’ guys, tom. I. p. 35.
(112)Hier niet aan (de munditia) te denken gaf tallooze maalen aanleiding tot verkoeling, onverschilligheid, afkeer, walging, haat, echtbreuk. ‘Solon statuit ut puella, priusquam induceretur in thalamum, malum cydonium arroderet, ne quid offenderet oris halitus. Haec cura poterat videri indigna legislatore, nisi frequenter res nihili dirimeret mortalium amicitias.’ Erasmus de matrimonio Christiano. d.i. solon heeft eene wet gemaakt, dat eene jonge dochter, voor dat zij haaren man te bed gebragt werdt, in een kweepeer bijten moest, op dat haare adem niet onaangenaam zou zijn. Deeze voorzorg zou men veelligt eens wetgeevers onwaardig kunnen reekenen, was 't niet, dat de grootste kleinigheeden dikwerf der stervelingen vriendschap vernielden.’ - Hadt solon wetten gemaakt voor de burgeresten van de 52o N.B. (de lengte laat ik haar Ed. raaden) misschien hadt de savonette de kweepeer wei gezelschap gehouden.
(113)Bij ieder dier graven staan twee kolommen. Die aan 't hoofdeneind van 't graf staat, draagt een tulband, wiens snêe den stand des overleedenen aanwijst. 't Geen 'er onder staat, drukt zijn geboorte en bedrijf uit. Die der vrouwen hebben uit gehouwen bloemen. Doorgaans staat 'er niets op.
(114)Onder hen is dit draagen eene godsdienstige daad. Zodra een Turk, ook te paard gezeeten een lijkstaatzie ontmoet, stijgt hij af, en neemt een der armen van de baar, tot dat een ander hem aflost.
(115)
Neque harum, quas colis, arborum,
Te, praetar invisas cupressos,
Ulla brevem dominam sequetur.
Lib. II. od. XIV.
terug  begin  verder