
‘Si quisquam est qui sese studeat placere
Bonis quam plurimis & minime multos laedere,
In his poëta (et auctor) nomen subscribit suum.’
Lezer!
Eene der reedenen, waarom alcibiades min slaagde, was de te hooge gedagten, welke de Atheeners voedden van zijne bekwaamheid. Even eens staat 't met alle menschelijke zaaken. Ik had eens, toen partijschap mijn vaderland noch niet geheel verwandelt hadt in een Azijn-
Fabriek, een vriend; voorspoed en vrolijkheid mogen hem steeds bijblijven! Hemelhoog prees hij mij de werken van den Marquis de B..... Ik verwachtte een meester-stuk, en, ziet! 't was een meesterknegt-stuk.
Niets doodt de reputatie eens auteurs, en 't fortuin eens boeks zo gewis, dan beiden op te vijzelen boven hunne kragt. Ik verzoek u, Lezer, bij voorraad, nedrig te zijn in uwe taxatie deezer bladen; en mogt daarna de leezing ze u doen zetten op een hooger prijs! Dit zij genoeg voor 't publiek.
'Er zijn luiden; niet zodra bouwt iemand langs den grooten weg een hutje, van eene eenigzints vreemde bouworde, of zij smijten 't de glazen in. Niet zodra rijst 'er iemand op, die zegt:
Tentanda est via, quâ me quoque possim
Tollere humo, et novus rerum exsurgere auctor,
of 'er is onder hen een geweldige opstand. Niet
scherpziender is eene moeder, die ééne beeldschoone en schatrijke dochter heeft uittehuwelijken, op alle de beweegingen der talrijke vrijers om dit gulde vlies, dan is 't oog deezer brooze stervelingen in 't opdelven der menschelijke, nu onvolmaaktheden, nu grilligheden. Met een mikroskoop aan den neus verleezen zij een boek phrasis voor phrasis, enz. Gaarne zouden zij de zon, gebelgd over haare vlakken, in een doofpot willen steeken: zo groot is hun afkeer van alle vlakken! Deezen, zonder eenige in- of uitwendige qualificatie, zich in den kunstrechterstoel genagelt hebbende, behandelen de geleerden als zijne Heiligheid de R Katholijken, vorderende eene blinde onderwerping voor hunne, schoon ook willekeurige, uitspraaken. De zulken depecheer' ik met de nevensgaande onvergulde pillen, waarmede ik hun goede beterschap toewensche:
‘Now, in reality, the world have paid too great a compliment to critics, and have imagined them men of much greater profundity, than they realy are. From this complaisance, the critics have been em-
boldened to assume a dictatorial power, and have so far succeeded, that they are become now the masters, and have the assurance to give laws to those authors, from whose predecessors they originally received them.
The critick, rightly considered, is no more than the clerk, whose office it is to transcribe the rules and laws laid down by those great judges, whose vast strength of genius had placed them in the light of legislators, in the several sciences over which they presided. This office was all which the critics of old aspired to; nor did they even dare to advance a sentence, without supporting it by the authority of the judge, from whence it was borrowed.
But in process of time, and in ages of ignorance, the clerk began to invade the power, and to assume the dignity of his master. The laws of writing were no longer founded on the practice of the author, but on the dictates of the critic. The clerk became the legislator, and those very peremptory gave laws, whose business it was at first to transcribe them.
To these incroachements time and ignorance, the two great supporters of imposture, gave authority.’
fielding.
‘Tum si quis est, qui dictum in se inclementius,
Existimavit esse, sic existimet,
Responsum non dictum esse, quia laesit prius.’
terentius.