't Geval, dat is een onnavolgbaar zamenweefzel van omstandigheeden, plantte een boom in Constantinopolen. Deeze boom hadt noch min diepe wortelen geschoten, dan hij begon rijke vruchten te draagen. Hij verplantte zich en kwijnde.
Voltaire ergens opmerkende, hoe beuzelingen zwanger kunnen gaan van gewichti-
ge gebeurtenissen, vertelt hoe 't vallen van een handschoen, de kroon van Spanje bragt in 't huis van Bourbon. Maar ook groote oorzaaken baaren wel eens kleine gewrochten. Zo stondt 't met mij geschaapen.
De Lezer herinnert zich zeker, dat de Charter van de Engelsche Oost-Indische Compagnie voor ettelijke jaaren ten einde liep. Hadt nu 't toenmaalige ministerie kunnen goedvinden dezelve niet te vernieuwen, zat ik noch met beide mijne knevels, en misschien een langen baard 'er bij in Constantinopolen.
Hoe hangt dit aan een?
Zijne Majesteit, de Groote Mogol had zedert lang op die Compagnie eene pretensie eener kleinigheid van ettelijke millioenen ponden sterlings. Om deeze schuld te innen, zondt hij na Engeland den Heer Majoor M..... die nu zedert eenigen tijd uit den dienst der Engelsche Compagnie in dien van deezen Indiaanschen vorst was
overgegaan. Hij voorzag hem van de ruimste bewijzen voor zijne schuldvorderinge, en bekleedde hem met 't karakter van zijn Ambassadeur. Dat nu de Engelsche natie gewoon is de allernauwgezetste rechtvaerdigheid te betrachten, wanneer zij met eenige andere natie over hoop legt om 't hebben en houden, is waereldkundig; en de onze behoeft haare boeken niet op te slaan, of haare cassa na te zien, om zich te herinneren met de levendigste dankbaarheid aan de edelmoedigheid, in welke zij onlangs jegens ons zo mild was. Getrouw aan dit karakter, nam 't ministerie, bij 't hernieuwen van de Charter, der Compagnie een klein stuivertje af; en den Heer M..... niet erkend, veel min getreeden hebbende in 't onderzoek dier pretensie, ontsloeg 't haar van de bezwaarlijkheid dier schuldvergoeding. Dan deeze, weinig gesteld op dergelijke visites en ambassades, schreef aan alle haare bezittingen, den Heer Majoor
M....., indien hij daar ergens verscheen, direkt weêr in 't eerst vertrekkende schip in te pakken, en na Europa te rug te zenden.
Dit stelde dien heer in de noodwendigheid, of gaf hem ten minste aanleiding, om over land na de Staaten zijner Mogolsche Majesteit (waarvan zo een ieder weet Delhi de Hoofdstad is) te steevenen, ten welken einde hij zich in Constantinopolen bevondt; waardoor ik getroond wierd de vette potten van Pera te verlaaten, om... om gelegenheid te hebben, dit te schrijven.
't Was nu in den zesden jaare der verdrukkinge van de Hoornsche-wortels en der Goudsbloemen, duidelijker in 't negende jaar vóór de volkomen invoering van 't Kristendom in Zweedsch Lapland, of noch duidelijker in de maand Rebiel-eval 1199 van de Hegira, dat ik mij opmaakte, om...
Maar hola! men gaat niet over land na de Oost-Indiën als met de trekschuit na Haar-
lem. Eer ik mij opmaakte, was 'er noch wat te koop; dit moet de Lezer ook weeten!
Vooraf moet ik mijn Lezer eens de pols voelen, om zijne complexie te kennen, wat hij denkt beter te zijn, alleen of met een compagnon te reizen. Zeg mij eens, zoo gij meerderjaarig zijt, dunkt 't u wel appetijtelijk steêkind gemaakt te worden, aan de leiband te loopen? Is 'er wel een ding in de waereld, dat meer plaisier doet, dan zijn eigen zin te doen?(*) principaal aan iemand,
die zo eigenzinnig is, als een kat! Zeker wanneer ik van hier (Amsterdam) na Haarlem trek, zit ik liefst niet alleen in de schuit, en mits mijn gezelschap niet stom is, zal ik 'er altoos eenige leering of tijdkorting uitvisschen.(*) Maar een tocht na de Oost Indiën, 't is als een huwelijk, en hoe veele gelukkigen geeft 't?(†) Maar altoos alleen te zijn! - Zet vier menschen vier weeken nacht en dag bij een, 't is hondert tegen één, dat zij zich afschuwelijk verveelen, en zich erger dan alleen zullen reekenen. Ik houd 't met de
Italiaanen: è meglio andar solo, che mal accompagnato. 'k Zeg mijn gevoelen, en laat ieder zijn meug: maar zo iemand mijner Lezers in 't geval komt, over land na de Oost-Indiën te stuuren, en hij een Hollander is, raad ik hem sterk af een paar Engelschen tot zijn reisgezellen te neemen. In dergelijke coalitie gegijzeld, zou hij even onafhanglijk worden, als, in 't vrije Engeland, de oppositie 't is van de kroon.
Veele Schrijvers, waarvan de eerste gelogen en de rest de een den ander moeten hebben uitgeschreeven, verheffen hemelhoog de Muzulmansche gastvrijheid. Volgends deeze zijn de Turksche gewesten een ander luilekkerland. Met dit geloof mogt men verhongeren; 'k wil niet zeggen versmagten: want men komt noch al overal fonteinen tegen. Maar zijt toch indachtig aan 't fransche spreekwoord: qu'il ne faut pas s'embarquer sans biscuit; en verkiest men 't firmament niet tot den hemel van zijn ledikant te hebben, zo
doet men voorzichtig zich van eene tent te voorzien: want 't reegent in Natoliën geene caravenserais; ook is eene matige tent beter dan een ordinair dergelijk hôtel.
Op eene tocht, als ik nu aanvang te beschrijven, moet ik mijne lezers, vooreerst onder 't oog of 't oor brengen (want ik moet 't hun alles ten duidelijkste doen verstaan, en dat in de beste order: daar houd' ik bijzonder van) dat hier niet te denken is aan schuiten of beurtschepen; neen, is men eens 't kanaal van Constantinopolen, den Tijger en den Euphraat over, zo loopt men weinig gevaar zich de kouzen te bespatten. Derhalven blijven 'er een reizenden noch vier andere equipagiën over.
I. Die, waarvan men nergens in de waereld plaisier-geld betaalt, en die de natuur, zo als zij ons uit de hand laat slippen, ons present gaf, zeker ten gebruike; schoon aan sommige oorden, geen honderd mijlen
van hier, 't bijna eene schande wordt, 'er zich van te bedienen, een paar beenen met voeten aan 't einde.
II. Maar deeze equipagie heeft ook haare bezwaarlijkheid; en hoe ligt zij in den beginne voortloopt, maakt de holderdebolderigheid van den weg en de hitte van 't klimaat haar binnen weinige uuren zo zwaar als lood. Ook spoedt zij maar slapjes. Om deeze reeden geeven ettelijke Pelgrims de voorkeur aan een tachtaravan (die ik, zodra de mist en mijn humeur wat opgeklaard zal zijn, eens zal afteekenen.) Ik voor mij, noch mijne compagnons (en hier in waren wij 't eens) hielden niet veel, ons de airs van kraamvrouwen te geeven.
III. Voor iemand, die groote haast heeft, is een Montgolfier een zeer goed voertuig. Voor ons zou dit wat volle omslagtig geweest zijn; zelfs zo passaatwinden 'er 't gebruik van toegelaaten hadden.
IV. De gebruikelijkste en de bruikbaarste (koetzen, wagens, karren of postchaizen moet men om de bergachtigheid der wegen vergeeten) is een paard, en verdient verre den voorrang boven de kameelen, wier stoterige tred iemand een gevoel geeft, als hij lijdt(*) dien een kies getrokken wordt.
Luiden van 't land hebben hunnen eige paarden, waarop zij groote wegen afleggen; maar voor een vreemdeling verdienen huurpaarden de voorkeus, volgens: Cavallo di vettura fa prosito &c.
Men vindt in Constantinopolen bestendig voerluiden, die de reizenden rechts en links na allerlei oorden van de uitgestrekte Turksche heerschappije brengen.
Mijne beide reisgezellen en de auteur van dit monument (an aere an nive perennius?) drie luiden van diepe ervaring en niet kleiner voorzichtigheid, doorkneed van menschenkennis, keeken met bedaardheid uit, lavater over de Gelaatkunde, galenus over de Temperamenten in de hand, na een
meest belovenden Catterchi-bachi, alias voerman. De witte baard van Hadgi-bachi won hem schielijk ons toetrouwen, 't geen 't te sluitene traktaat spoedig applaneerde, bij welk 't getal, de qualiteit der paarden - de plaats waarheen - de dagen waarin - de prijs waarvoor - de dag van 't vertrek waarop - 't drinkgeld daarbij in de allerklaarste bewoordingen, in tegenwoordigheid van den dragoman en kancelier signor pisani, gestipuleerd werden. En schoon deeze stipulatie ettelijke rampspoeden leedt, veele Kristen Mogendheeden zouden zich schaamen, zo zij wisten, hoe stipt onze Muzulman ze nakwam.
De zorg nu voor onze paarden den vroome hadgi-bachi hebbende overgelaaten, namen wij op ons die voor de tent, reis- huisraad, keukengereedschap(*) (die voor den kel-
der lag ik, om zekere reedenen, mij alleen op de schouders: en in dit artikel raad ik de
belanghebbenden niet te vergeeten eene goede voorraad van limonade-sijroop, Cijprische wijn en rum of arack) voorzagen ons van snaphaanen(*), pistoolen, kruit, ijzer, lood,
zabels, attagans, hansjaaren, van gebedenboeken, van cervantes, horatius, seneca, van oud-linnen, zalven, plukzel, compassen en thermometers, en staken ons 's daags voor ons afreizen in onze Turksche reis-kleeding. De Muzulmans, die alleen den Tulbant dragen, bedienen zich meest op de reize van eene Tartaarsche kalpak, dat is, een lakenze muts met een dunne, bonte rand. Nu is deeze dragt ook den Franken geöorloofd. Alzo kan men een Muzulman van geen onmuzulman onderkennen, en meenig een gaf mij zijn Salem-Aleikum(†)
(waarop men andwoordt aleikum-salèm) eene paerl, die zij aan een ongelovigen nimmer weetens zouden wegsmijten. Welk een voorrecht!
Men kan langs twee wegen van hier te Rotterdam komen. 'Er zijn 'er meer dan twee, langs welke men over land van Constantinopolen de Oost-Indiën inreist.
De eerste is die, welken wij namen, en dien ik zo aanstonds van Konak tot Konak, als ook dit woord gaa beschrijven.
Een andere gaat van Aleppo regelrecht door de groote woestijne na Bassora, dat is, na 't einde van de Persische golf.
Een derde gaat van Aleppo door de kleine woestenije op Bagdad, van waar men, den Euphraat afzakkende, in Bassora komt.
De vierde gaat van Alexandriën op Suez, alwaar men zich op de Roode Zee inscheept.
Een vijfde brengt u van Constantinopolen in een kaïk, waarmede men roeijen en zei-
len kan, op de Zwarte Zee langs de kusten van Natoliën. Men stapt in Trebizonde van de wal, en gaat zo Zuid-Zuid-Oost op.
Vergelijkt men deeze onderscheide wegen, zal in 't stuk van gemak, onkostbaarheid, genoegen, veiligheid, de laatste, waarvan ik niet weet, dat tot hiertoe eenig reiziger gebruik maakte, verre den voorrang verdienen. Is men bang voor de zee, men houdt 't kort onder de wal; is de wind tegen, men roeit onder een staand zeiltje; is 't weêr slecht, men blijft aan de wal; de meenigvuldige dorpen geeven bestendige afwisseling van gezichten, en geleegenheid tot dagelijkschen aankoop van allerlei verversching; de zee verkoelt de hitte van 't klimaat; de slaap is ieder nacht gerust aan de wal, ruïnen, enz. kunnen den liefhebber van oudheeden meenigwerf den tijd verkorten; men vermoeit zich niet in een vaartuig, men kan 'er in schrijven, leezen, en veelerlei dingen
in verrichten, die 't een bijzondere behendigheid zou vorderen te paerd te doen, ten ware dat men opgevoed was onder de Parthen.(*)
De reis van Constantinopolen kan volbragt worden in een of twee weeken tot in Trebizonde.(†) Van hier zijn 'er drie à vier dagreizens tot Erzerum, van daar zes tot Diarbekir, waaruit men in vier dagen te Mosul, en in vier andere te Bagdad komt. Stel de reis den
Euphraat af tot Bassora op tien dagen. Alle deeze dagen, gevoegd bij de dertig, gevordert om van hier in de residentie des Sultans te komen, zo kan men in tweeënzeventig dagen over land in de Oost-Indiën komen.
De meest gebruikelijke route was langen tijd de Roode Zee. Keizer abdul-hamid heeft deeze vaare verboden. Zijn Hattif-Cherif is allermerkwaardigst. Ik heb 't zelve hooren leezen. 't Spijt mij, 't niet uitgeschreeven te hebben. Zo ik 't ergens vind, zal ik 't mijne lezers mededeelen. De Keizer spreekt in 't zelve mannen-taal.
Ongezouten zegt hij den Kristen Europeaanen de waarheid. Hij wrijft hun zonder complimenten hunne woeligheid onder de neus; hoe zij eerst, onder voorwendzel van hunnen handel voorttezetten, zich in afgeleegen gewesten indringen, vervolgens de zwakheid 'er van bespieden, de ingezeetenen, om 't land te zwakken, tegen hun vorst, en on-
der elkander opstooken, voortgaan met ze te veroveren, en eindigen met de landzaaten 'er uit te jaagen, ze in slavernij te brengen, of van verdriet te doen sterven. Hij staaft zijne gezegdens met voorbeelden. Zulke luiden, eindigt hij, (en hier mede beöogt hij de Engelschen, geene andere vreemde natie deeze zee bevarende) zou, zonder te willen haar geleegenheid te geeven, om in onze heerschappij huis te houden, gelijk zij in Indostan gedaan hebben, 't onveilig zijn de Roode Zee langer bestendig op en neêr te laaten vaaren, connexiën te formeeren met onze afgeleegene en zwakke bezittingen, en de heilige stad (Mekka) te naderen.
Dit is wat mij 't geheugen 'er van voor de pen brengt: maar 't geen weinige weeten is, dat de Engelsche Ambassadeur om dit verbod, op voordragt der Engelsche Oost-Indische Compagnie(*) aangehouden heeft;
ten einde te beletten het afdruipen der in haaren, dienst rijk geworden bedienden, met hunne schatten, langs deezen weg.
(Langen tijd na dit afgeschreeven was, viel mij 't werk van den Heer capper in de hand. Met vergenoegen zag ik bij dien schrijver, daar hij spreekt van dit verbod des Sultans, dat mijn geheugen, beter behoudende 't geen 't zelve voor ettelijke jaaren zich inprentte, dan 't geen 't zelve zoekt te bewaaren, in mijnen tegenwoordigen leeftijd, noch niet geheel verlooren is.
De Heer capper noemt dit verbod een firman.(*) Hierin, dat is, in een beuzeling, bedriegt hij zich; een firman is een paspoort, een brief van vrij-gelei, een saufconduit, een reizenden Frank in deeze gewesten onontbeerlijk. 't Was des Sultans Hattif-Cherif of eigenhandig onderteekent verbod Maar 't geen niet eene beuzeling is, daar 't strijdt tegen gezond verstand en goede manieren, is de naam, welken die schrijver 'er aan geeft, dien namelijk van een fieltachtig stukje.(†)
Even zeer beleedigende zijn deezes schrijvers gedagten over den burgerlijken staat der Turken, wier leeven en eigendom volgens zijne uitspraak, van de grillen des Sultans
afhangen. Hier omtrent zoude hij zich beter hebben kunnen onderrechten bij den Heer porter, van wien, als meer dan tien jaaren Engelschen afgezant in Constantinopolen geweest zijnde, de woorden zwaarer weegen.(*)
Dat deeze natie in Turkijën veele huizen van negotie heeft, is een ieder bekend. 't Is echter vreemd dezelve factorijën te noemen; een woord, waardoor mijn bedunkens, meer of min versterkte kantooren verstaan worden(†): 't geen hier 't geval niet is.
Nadat deeze heer betoogt heeft de noodwendigheid en 't belang van de vaart langs de Roode-Zee, voor 't Engelsch gouvernement, bouwt hij op dat belang 't recht, toekomende aan deeze natie op die vaart, en wil den Sultan of Scherif van Mekka de macht ontzeggen, om 't zelve te beletten. Deeze natie en de
Muskovieten zijn buiten-ordinaris verwend. Zij zijn gewoon den baas te speelen. Tot eene van beide deeze natiën moet men behooren, om eene Mogendheid 't recht te willen betwisten om, naar welgevallen huizelijke schikkingen te maaken.(*) Ondertusschen heeft de Porte, weinig zich stooorende aan dergelijke vonnissen, met de Franschen onlangs een verbond aangegaan, bij 't welk hun deeze vaart uitsluitende wordt toegestaan.
Spreekende van de ontworpene verdeeling van 't Ottomansche Rijk, zegt hij, dat die verdeeling enkel afhangt van 't deel, 't geen 't aan Engeland mogt behaagen daarin te neemen. Indien dit zeggen, waarvan ik de ongerijmdheid, was 't anderzints hier de plaats, tastbaar zou kunnen maaken voor de vooringenomenheid zelve, gekomen is ter ooren van haare Rus-Keizerlijke
Majesteit, of die haarer ministers, zal men zich den buik hebben vastgehouden van lagchen over deeze(*) snorkerije.)
En hiermede den heer capper continuatie van gezondheid gewenscht hebbende, keeren wij weder tot ons onderwerp, om op te merken, hoe 't overtollig voortaan is, iemand, behalven een Franschman afteraaden, zijn leeven te stellen in de handen der onbedreeven Turksche zeeluî.
Ik zal dit begonnen vergelijk der onderscheiden routes na de Oost Indien hiermede besluiten: die over de Roode Zee is de gevaarlijkste, die door de groote woestenij de vermoeijendste, oogschijnelijk de kostbaarste(†), de onze de verveelendste, de laatste de vermakelijkste.
Al 't gezegde tot dus verre, indien 't van eenige toepassinge, van eenig gebruik is, kan
dienen alleen voor de reizenden, tusschen de Oost-Indiën en Europa. 't Is geheel anders geleegen met tijdingen, bij wier spoedige overbrenginge eenige mogendheid of maatschappij van koophandel belang heeft. Vrankrijk, Engeland en de Vereenigde Nederlanden bedienen zich ten deezen einde van Couriers. Deezen neemen of namen den weg der landengte van Suez en de Roode-Zee, of trekken van Aleppo door de groote woestijne na Bassora. Ik verzoek om verschooning, ik smeek den Lezer mij niet ijlings van vermeetelheid te beschuldigen, wanneer ik stellig neêrschrijv', dat beide die wegen
niet de rechte of beste wegen zijn. Welk eene verwaandheid eene zaak beter te willen weeten, dan zo veele wijze luiden, zo veel belangs hebbende bij een goed overleg!
Niets is onvoorzichtiger, wanneer 't 'er op aankomt tijdingen zo wel spoedig als zeker na afgeleegene oorden te zenden, dan zich in de handen van Neptunus en AEolus gevangen te geeven, en zich aan de wisselvalligheeden van de baaren bloot te stellen. - 't Is gebeurt, dat een schip in tien dagen van St. Petersburg in Texel kwam: dan 't hof van Rusland, eene tijding in den Haag spoedig moetende hebben, zendt zijne Couriers over land, ofschoon zij de reize in niet min dan zeventien dagen kunnen doen. Deeze regel schijnt niet waargenomen te worden, in het tegenswoordig geval. Engeland zendt een Courier over Vrankrijk na Livorno - van hier scheept hij zich in op Alexandriën, trekt de lendengte over van
Suez - en scheept zich aldaar weder in, om de Roode Zee afzakkende in de Indische te komen - of hij scheept zich te Livorno in op Latichea, Scanderoon, reist van daar over land na Aleppo, en trekt vervolgens de groote woestijne door, om in Bassora en Persische golf aan te komen.(*)
't Een en ander is onzeker en langwijlig. Dat 't onzeker is, zal niemand van ondervinding, geen Zee-man ooit tegenspreeken. Tegen-wind en slecht weêr kunnen een schip uit Texel na Havre-de-Grace bestemd, in Noorweegen en misschien eerst na zes maanden op de bestemde plaatze brengen. Zo in de Middelandsche Zee reguliere winden 'er een trapje zeekerheids meer aan geeven, die zekerheid verdwijnt wederom voor de meenigvuldige aldaar heerschende stilte.
De Heer capper vertrok in 't begin van September 1778 uit Engeland en kwam eerst den 30 December van 't zelve jaar in Bassora aan. Een Courier van Vrankrijk omstreeks dien zelven tijd afgezonden, ontmoette hem gelijktijdig bij Bassora.
Onze Oost-Indische Compagnie, die, gelijk ik wel heb hooren zeggen, geen geld heeft weg te smijten, zendt 's jaars vier pakketbooten. Behalven de ongewisheid van alle zee-tocht, is dit middel kostbaar. Men mag ieder pakketboot, bij den eersten aanbouw, gerust taxeeren op ƒ18,000. De equipagie, die meest bestaat uit dertig koppen, zal, kost- en maandgelden voor Officieren en gemeenen door een geslaagen, der Compagnie ƒ1,500 's maands kosten.
Wannneer men de reizen van alle de pakketbooten door een slaat, moet men ieder reize op vijf maanden stellen; geevende dus voor ieder tijding heen en weêrom ƒ15,000.
Voeg nu hier bij de interest van een kapitaal van ƒ18,000, item 't geen dit vaartuig jaarlijks verliest, en kost aan onderhoud van casco, tuigagie en zeilen, 't geen men zeer zeker te zamen op ƒ1500 mag begrooten, zo kost ieder tijding heen en weêrom der Compagnie ƒ16,500.
De eenvoudigste, natuurlijkste, zekerste, spoedigste en verre weg de minst kostbaare manier om uit Europa tijdingen te hebben in Indiën is deeze: Twee maalen in de maand vertrekken brieven over Weenen na Constantinopolen. Die brieven zijn van hier tot in de Turksche residentie één maand oud. De minister te Constantinopolen verzoekt of neemt een Tartaar, of rennenden postboode, die, bestendig versche paerden neemende, in drie weeken de brieven bezorgt na Bassora.(*)
Men kan een dergelijken Tartaar doorgaans, naar mijn geheugen, voor honderd ducaaten aanneemen.(*) De legging van Bassora is zeker geleegener tot 't verder brengen der tijdingen voor de Engelsche, dan voor onze bezittingen. Met dit al geev' ik des kundigen in overweeging, 1o of niet de vaart uit de Persische Golf met kleiner,
ligter bemande vaartuigen, dus op eene min kostbaare wijze dan die der pakketbooten, kan volbragt worden, 2o. of, vijftig reizen door een geslaagen, dezelve niet in veertien dagen na Ceijlon, en in dertig dagen na Batavia zal kunnen worden volbragt. Zodat langs deezen weg men in onze Oost Indiën in ongevaer drie maanden tijding kan bekomen. -
Lezer, ik onderstel, dat men u eene eenige maal met de trekschuit van Leijden op den Haag gevaaren zijnde, vroeg naar de bijzonderheeden, die de zinnen treffen van een opmerkzaam waarneemer, bedaard bij ieder meer of min belangrijk voorwerp op deezen weg neêrgezeten. Misschien zou deeze vraag u doen lagchen. Zeker zoudt gij 'er op kunnen antwoorden; ‘de beweeging van dit tafereel is te schielijk, om 'er alle de deelen van te kunnen waarneemen; dubbel wel moet 't u zijn, indien ik u mijne op-
merkingen omtrent de meest in het ooglopende bijzonderheeden mededeele.’(*) -
Men presenteert bij de Parijsche Restaurateurs lijsten van 't geen de kok schaft. 't Is een goed gebruik; staat u de pot niet aan, gij zoekt uw fortuin elders.
Ik zal dit voorbeeld der Parijsche Restaurateurs volgen Imo negative, en u, mijne vrienden, zeggen, wat ik niet op schotel heb'. Mijne collega's reisbeschrijvers zijn in de gewoonte hunne schriften aan te vullen met een zoô van bijzonderheeden, van hoogdraavende kleinigheeden, ook van beuzelingen,(†) daar zij zich vleijen, dat de lezer
evenveel belang zal neemen, in 't verhaal, als zij namen in de ondervinding. Hier van ben ik afkeerig, en in deeze mijne onthouding, want ik zal 'er maar enkel van spreeken, moet men een goed deel zelfsverloochning erkennen. Maakt ook geen staat op veele kramerije van physica, historia naturalis jurisprudentia, theologia, enz. gij zoudt u bedroogen vinden. En toch staat 'er van 't een en ander wat in. 't Geen ik op schotel heb, IIdo. zweemt veel naa een Oleo-podrigo,(*)
in welk gerecht een kenner, alle de ordinaire en extraordinaire keuken-ingredienten kan proeven; en gelijk door de vermenging deeze Oleo een geheel nieuwen smaak verkrijgt, mogt alzo dit boekje, door de vreemdheid der samenstelling behaaglijker worden! item, als ik mijn zeggen, door aanhaalingen, nu eens zoek te staaven, dan eens op te schikken, mogt men mij daar niet verdenken van eenige geleerde poeheemaakerije! -
't Is ongemanierd een huis, waar men wel onthaald is, te verlaaten zonder afscheid te neemen. Nimmer verliet ik eene plaats met zo veel hartzeer, als ik gevoelde, toen ik,
met mijne reis-compagnons in de kaïk stapte, die ons na Scutari voerende, mij, zo als ik dagt, voor altoos van Constantinopolen zou gaan scheiden.
Nu raaken wij, zo als wij hier zeggen, onder de lijn. Onze karavane bestondt uit veertien paerden en van tien tot veertien perzoonen, waarvan 'er zeven te paerd gesteegen waren. Na veel pakkens en herpakkens, na vroeg gezadelt te hebben, reeden wij laat af, en kwamen in eene groote karavenserai ons leger neêrslaan. Wel te recht zeggen de Latijnen principium difficile (schoon 't finis niet jucundus was) want onze eerste rustplaats te Ghebize was onder eene opene gallerij, aan welke paerden en allerlei vee gebonden was.
Oudtijds, zegt men, droeg Ghebize den naam van Lybissa. Men verhaalt, dat annibal hier ter plaatze begraaven ligt. 't Is mogelijk. Men kan zich bezwaarlijk een denkbeeld vormen
van 't afmattende eener oostersche pelgrimagie. Meenigmaal vindt men zich te luî, om deeze of geene merkwaardigheid na te loopen. Indien 'er noch eenige overblijfzels dier graftombe in weezen zijn, kan ik mijne lezers 'er geen bescheid van geeven.
Mag ik mijne lezers hier herhaalen ('t geen met waarheid door verscheide mijner voorgangers is opgemerkt) niemand, welke zich op deeze reize begeeft, moet zich voorstellen daarop te zullen ontmoeten, dat genot, 't geen men bijna overal elders op reize, zelfs voor een gedeelte in Rusland, tegenkomt; genietingen waaraan een fatzoenelijk man zo gewoon plagt te zijn, dat hij niet anders weet of 't hoort zo. Tenzij hij lang ongelukkig wilde zijn, moet hij alle deeze geneugtens vergeeten. Mijne beide reis-gezellen hadden zich tot hun geluk leevendig van dit voorgevoel doordrongen. Zij waren hier wijzer in, dan hun reisgezel. -
Alle natiën der aarde, ten minste alle natiën die ik ken, hebben dit gemeen, dat zij alle ieder zeer goede opinie van zich zelven hebben. Is 'er eene, die boven de andere in verdienste uitsteekt, zeker steekt zij tiendubbel uit in pretensiën: want wat sterveling zal de Britten betichten al te geringe gedagten van zich zelven te hebben! Wij Nederlanders, die voorwaar geene reeden hebben, om den neus zo hoog in den wind op te steeken, wij hinken ook dapper aan dit euvel. De Turken, die wij niet wel voor Moffen kunnen uitmaaken, beschouwen wij nedrig als barbaaren. Nu deeze barbaaren hebben in een oord, waar aan de natuur noch steengroeven noch keijen schonk, in een oneffen bodem, een steenweg ter lengte van vier- en vijftig uuren aangelegd: want deeze straatweg strekt zich uit van Insmid of Nicomedia tot in Boli. Dit stuk arbieds(*) werdt
begonnen en voltooid onder de regeering van mahomed (hier is een klad op mijn papier gevallen; en de posten op Natoliën gaan te irregulier, om 'er informatiën van te bekomen) den IIIden. of IIden. 't Is misschien mijnen leezer meer onverschillig, wien van beiden 'er de eer van toekomt, dan te ondervinden aan rijtuig, ribben, hals en beenen, hoe in dit klein, vermogend en volkrijk landje de publieke wegen voorbeeldeloos slecht zijn. 't Is niet anders; en noch kruist een arme passagier door oorden, waar, schoon de wegen vol gaten zijn, men hem ieder haverklap tollen afperst, even al ging hij over Turksche tapijten of Spaansche matten. -
Den tweeden avond na ons afreizen, kwamen
wij in Nicomedia, de hoofdstad van Bythiniën. De Turken leeven met onze taal, als wij met de hunne, hebbende den naam van Nicomedia verhaspelt in dien van Ismid, Insmid of Isnikmid. Deeze stad vindt men op bijna alle kaarten aan 't einde der golf van deezen naam. Edoch vergissen zich hierin de aardrijkskundigen: want daar dezelve maar achttien uuren van Scutari aflegt, en deeze golf zich veel verder land-inwaarts uitstrekt, legt dezelve noch een geheel stuk wegs van 't einde.
Volgens berichten, op de plaats genomen, dus echt (schoon wij ze onze leezers geenzints voor Evangelie willen opdringen, hem de ruimste vrijheid latende aan de echtheid van dit en de volgende berichten te twijfelen, als niet in staat geweest zijnde daarvan voor notaris en getuigen eene beëedigde verklaaring te neemen) strekt zich 't grondgebied van dit pachalik of gouvernement uit over
Kodgia-Hi, Ekindar, Ak-hissar, Absafi Akjazir, Sarisciair, Pazaar-Kioi, Sapangie, Ghnevé, Keuslejunis, Kara-Muskul, Carafou, Samanli, Kaudiri, Sule, Pazaarsni: waaruit men kan opmaaken, hoe druk de Gouverneur of Pacha 't hebben moet, ten minste zo hij zijne zaaken wil nagaan.
Niet meer overeenkomst hebben de Hollandsche steden onder elkander, dan de Turksche in Klein-Asiën. De huizen gelijken veel na de tent van een janklaaze-spel. De open neergeslagen luiken maaken dezelve van voren open, welke opening door jalouzien, sassinetten noch glazen vengsters geslooten worden. Aan den binnenkant hebben zij een breeden toonbank, waarop koopwaaren worden uitgestalt, en waarop een Muzulman half wakker, half slaapende, zijn pijp rookt, of waarop hij, 'k moet zeggen, eer zit te knusselen, dan te werken.
De straaten zijn 'er veel-al eng en 't tegen-
overgestelde van snoer-recht, doch bijna altoos gepaveild, met een voetpad of padje aan den kant der huizen. Voor zo verre de aart van den bodem 't mede brengt, bouwt me de steden, even als Nicomedia, op 't hangen van een berg of heuvel, waardoor men geleegenheid heeft voor waterleidingen en fonteinen. Hierop zijn de Turken niet min, (maar met meer reeden) gesteld, dan de Amsterdammers op frontispicen aan de gevels van alle meer dan gemeene gestichten, en welke frontispicen de α & ω van hunne bouwkundige vindingskragt schijnen te zijn.
De menschen sterven hier als elders en worden begraaven zo als ik elders gezegd heb. En de treurige cijpres herinnert u hier bij den ingang der steden, reeds van verre, aan de kerkhoven.
Even als in Stamboul, bejegent men alhier bij de inkomst van de stad, en ieder wijk, van dezelve een legio van honden.
Zo deezer getier den vermoeiden reiziger niet een weinig baloorig maakt, moet hij van een geduldige complexie zijn.
Ik heb niet kunnen waarneemen, dat hier zwaare koophandel gedreeven wordt. Hout en planken worden echter uit deeze plaats na de hoofdstad gezonden, in barken, die men alhier bouwt.
Men kan noch gaan zien de ruïnen van een paleis en kiosk, door amurath den VI, die een groot liefhebber was van jaagen (op welk zoort van wild en van welke jagt, heb ik niet kunnen uitvorschen) gebouwd: dan verkiest men zich die moeite niet te geeven, men verliest 'er ook niet veel bij.
Niet grooter is de gelijkheid der steden onder een, als de ongelijkheid van den landstreek is, vertoonende nu een paradijs, vol groen, vol geboomte, zo sierlijke als schaduwrijke plataanen (en om eenen een
weinig geemelijken reiziger te tandtergen of te tantaliseeren, eene zoort van wilgen, wier bloeizem een reuk heeft als room met aardbeiën) van verkwikkelijke beeken, genietingen, die men des te leevendiger leert smaaken door de beroovinge, welke men 'er tot een paar maalen daags van kan ondervinden.
Men meent nimmer genoeg gezegd te hebben tot lof van 't bergachtige van een land. Zeker niets is eentooniger, verveelender dan een vlak land; echter ligt men 't aangenaame van gebergtens voor 't gezicht in de eene schaal om ze te weegen tegen de bezwaarlijkheid voor 't gevoel, die zij ten gevolge hebben, kon 't wel zijn, dat 't al geen goud is, wat 'er blinkt. -
Naarmaate men zich van de hoofdstad verwijdert, worden de Khans (herbergen voor reizenden) en Karavenserais dunner gezaaid. Maar met eene goede tent beklaagt
men zich 'er niet over; is 't ook, dat de Kiervan-Bachi alias Elkian-Bachi, alias 't hoofd der karavane, u(*) wakker maakt, door u de tent over 't hoofd te doen vallen. Wanneer men den voorgenomen weg heeft afgelegd, zoekt de Kiervan-Bachi een bekwaame plek gronds, om zijn Ko-
nak te houden. Hiermede gaat 't aldus toe. In 't vierkant steekt hij vier lange ijzere bouten, aan wier einden oogen zijn, in den grond. Door deeze oogen haalt hij een touw, waar aan hij de paarden, die nu afgepakt zijn, vast maakt. Dan wordt de tent opgeslaagen, de goederen worden geborgen - de pot gaat te vuur - men verkwikt zich - gaat eeten en legt zich te slaapen, zonder nodig te hebben de veêren op te schudden.
Van tijd tot tijd houdt men voor zich en paarden twee, drie rustdagen. Dit noemt men daar te land Otourak.
Aldus uitgerust sleepten wij, slakken door kunst, (ofschoon wij onze tent juist niet op den rug droegen) ons over Sabangia, Kandek, Dusje, om te komen tot in Boli. Deeze stad, die door een Muselim geregeerd wordt, zou, was 't niet dat zij op onzen weg lei en bestemd was tot een Otourak,
niet verdienen, dat een eenigzints gemaklijk reiziger van 't paard afsteeg, of van de sopha opstondt, om haar te bezien; ten zij hij een oudheidkundige en begeerig was, of dit Boli ook Hadrianapolis mogt geweest zijn, eene verleegenheid, waaruit wij geene mogelijkheid zien hem te redden.
Dit open plaatsje legt in eene valei op 't hellen van een heuvel, verfraaid door eene rijke verscheidenheid van geboomte; eiken, olmen, plataanen, abeelen, larixen, beuken, enz.
Zo iemand, met een Rhinoceros, en een Orang-Outang 'er boven op, 's middags om twaalf uuren, door de Kalverstraat kwam dwaalen, zou hij niet wel meer bekijks hebben kunnen, dan wij hier hadden. De Khan, waarin wij gehuisvest waren, schoon de beste van de plaats, was zo doorluchtig, dat wij onzen neus niet konden snuiten, of
iets anders min geruchtmakends verrichten, zonder waargenomen te worden.
Buiten Boli kan men gaan zien, gesteld dat men niet te lui is een uur te loopen om eene beuzeling te zien, twee heete baden, wier wateren rijk in ijzer zijn, waarvan de Bolieters in alle sausen gebruik maaken.
Van Boli gaat hier de gewoone landstraat na de Oost-Indiën over
| Gherede, Bainder, Cerches, Emurli, |
klippen, bergen, steile afgronden, smalle wegen langs dezelven, uitgebrande vuurbergen met lava's, brandende hitte, elende en verdriet. |
En gij ô Tosia! schoon niet de geringste der broederen, was 't niet, dat onder blinden één-oog koning was, verdiende gij wel eene bijzondere melding, zo niet uwe ingezetenen eens afgematten reizigers dankbaarheid wonnen, met hem voor een beuzeling zuure melk(*) en ververschingen aan te bieden!
Ook eeten de luiden hier zeer overvloedig, en zonder eenige schade voor 't gezicht, de rijst; men kan de allerbeste voor noch geen stuiver 't pond koopen.(*)
Langs wegen, die niet veel beter zijn, en met even onaangenaame aandoeningen, sukkelt men over Hadgi-Hamza, Osmansijk, (de vermeende geboorte-plaats van den eersten vorst der regeerende familie) oudtijds Pimolis, Hadgikoi en Amasia.
Deeze stad, was 't ook alleen, dat zij de geboorteplaats van strabo was, verdient een ogenblik onze opmerking, ook om haar eige waardij: Want Amasia is groot, handeldrijvende, volkrijk in Turken, Grieken en Armeniërs. Ik herinner mij niet 'er Jooden in gezien te hebben. Des kundigen weeten de moeite, die 'er aan vast is, te bepaalen de bevolking van eene plaatze, in landen, waarin men geboorte- en sterflijsten houdt. De
Turken laaten de menschen op, en van 't toneel komen, zonder 'er notitie van te neemen. Hoe nu mijne medebroeders, reizigers en reisbeschrijvers op 't echte spoor gekomen zijn der bevolkinge van alle deeze plaatzen, is mij een raadzel. Zij begrooten de inwoners van Amasia op 15,000 zielen. Op 't uiterlijk aanzien, zou 't mij niet vreemd doen, zo dat getal dubbel was.
Voor luiden van een ongeduldig gestel is geene kastijding zo scherp, als eene herhaalde teloorstelling. De reis wordt gemeenlijk zo afgestooken, dat men tegen den avond aan zijn Konak of Otourak komt. Hoe gemaklijk de beweeging van 't paerd is, men wordt op 't laatst moê. Men snakt na 't ogenblik der afsteiginge. Nu is Amasia omgeeven van hooge bergen, van welke men deeze stad, op een grooten afstand, ontdekt. Deeze bergen liggen zo tot elkander, dat in 't afklimmen men ieder ogenblik meent te
zullen daar zijn. Intusschen heeft men wederom een anderen berg voor zich te beklimmen. Vermoeidheid en honger na rust maakten, dat de heer M..., meenende nu digt aan de stad te zijn, den voerman met onze bagagie, en onzen tolk(*) vooruitzondt, om ons eene bekwaame herberg of Khan uit te zoeken, met afspraak, om ons vervolgens te gemoet te komen. Nu is deeze stad zo regulier, zo breed, zo recht van
straaten als de Ancienne Cité van Parijs of de buurt van de Zeedijk te Amsterdam. Dit veroorzaakte, dat wij eenige uuren omdwaalden, zonder onzen tolk te kunnen vinden, in eene vreemde stad, bij donkeren avond, in een land, waar niemand ons, wij niemand ten minste niet dan zeer gebrekkig verstonden. Geene geringe verleegenheid! De herinnering kan mij doen zweeten.
Die Constantinopolen gezien heeft, en van eene stad, gebouwd op heuvelen, in zijne verbeelding 'er eene kan maaken in 't diepste eener vallei, kan zich een denkbeeld van Amasia maaken. Zo als in de eerste, loopt men hier tegens Moskeën met Minarets, Khans, Besestans, Pazaars, Turkés of Graftomben van grooten, Serails, Medressés. De vloed Iris, waar over vijf bruggen leggen, doorsnijdt haar.
Behalven met de gewoone levensbehoeftens, houden de Amasianen zich druk beezig met de zijde-teelt, van welke 't produkt in
meenigte na de hoofdstad en na Brusa (waar veele en bloeijende zijden-stoffen fabrieken zijn) gezonden wordt.
't Eerste dorp, waaraan men achter Amasia komt, heet Turkal, niet de fraaiste, zeer zeker de zonderlingste plaats, die ik immer zag. Ik durv' niet hoopen mijne lezers 'er eene flaauwe schets van voor den geest te brengen! De huizen, of liever hokken, van Turkal zijn gebouwd van leem of stroo, de daken van dezelve stoffagie, gemaakt als terrassen, de straaten niet gepaveid, maar bedekt met even dezelve leem, als de huizen en terrassen. De bodem oneffen, zodat de terrassen van 't zelve huis aan de eene zijde van 't huis boven, aan 't andere einde met de straat gelijk zijn. De straaten zelve zijn zo regulier als die van Molkweerum. Dit geheel maakt van Turkal ('t geen ik de aardrijkskundigen voortaan verzoek den bijnaam te geeven van 't zonderlinge) 't vol-
leedigste doolhof, dat ooit menschen-handen maakten; en ik, leefde ik ook de jaaren van nestor, zal nimmer vergeeten, hoe ik van straat op dak, van dak op straat, langs, door en over zijne paleizen (meenigmaal niet weetende of ik in de straat dan boven op een huis was) tot doodzweetens toe hebbe omgedwaalt. Want bij alle de andere miseriën, kwam noch de ondragelijke hitte, teekenende nu wel voortaan de schaal van fahrenheit 117 graaden. Vaar eeuwig wel! Wat geeft de mensch zich al nodelooze moeite!-Waarom? om zich te doen opmerken! - van wie?
Men beweert, dat voor een anders welgesteld mensch, niets de maag meer versterkt, dan 't koude water: dan mijns bedunkens is 't onvoldoende, om op te weegen 't vermogen der hitte, om de maag te bederven.
't Was niet mijne eetlust alleen, die zich verloor.
Naarmaate wij dieper landwaarts introkken, en wij meer vorderden in den zomer,
beterde 't niet met de hitte. Hadt augustus geleeft in deeze gewesten, voorzeker zou hij meer dan drie teugen over den maaltijd gedaan hebben(*). Bij mijn aankomst in Tokat was ik meer afgemat, dan iemand, die drie nachten achtereen gewaakt heeft. Men beklaagt zich over de onherbergzaamheid der Tokatters; dan voor ons stonden alle Khans open. Deeze stad overtreft Amasia in grootte, even als Leijden Haarlem. Haare regeering, met eene volksregeering niets gemeen hebbende, bestaat of bestondt uit een Musselim, Janissaar-Aga en een Mollah. Deeze zorgen met veel succes voor de vreedzaame zamenwoninge haarer inwoners. En toch verschillen hunne opiniën, in 't stuk van 't godsdienstige vrij wat meer dan die der Voetiaanen en Coccejaanen: want dezelven bestaan uit Jooden, Christenen en Muzulman-
nen, welke laatste als zijnde van de predominante kerk of Moskee, voor hunnen openbaaren godsdienst (en werdt deeze niet wel onderhouden, zou 't niet te wijten zijn aan gebrek aan kerken: hebbende de Armeniaanen alleen 'er zeven) de fraaiste gebouwen hebben, waaraan zij zo wat per fas en nefas gekomen zijn. Dit ziet men op meer plaatzen, en noch wel wat anders.
Eene der smagterigste steedjes in Europa is Elzeneur, alhoewel geleegen in de vaart van ... tot acht duizend schepen. Tokat heeft in 't geheel geene scheepvaart, maar veele karavaanen. Dan schoon ze niet haalen in getal, bij dat zo evengenoemd, laat 't niet na veel handeldrijvender en bloeijender te zijn dan Elzeneur. Smirna, Constantinopolen, Angora, Diarbekir, Mosul, Erzerum, Trebizonne zenden karavaanen herwaarts. Dus of niet dus heeft men hier overvloed van ruuwe materiaalen, die ook hier verwerkt wor-
den. Ook legt eene rijke zijden-teelt den Tokatters geene wind-eijeren.
Deeze Otourak hieldt ons drie dagen op, in welke mij twee meer vreemde avontuuren bejeegenden, dan meenig een in geene twintig jaaren voor de boeg kwamen. Ik mogt ze wel vertellen: maar... maar de Lezer zou 'er misschien wat op te zeggen hebben.
Op den weg van Tokat na Sivas zagen wij eene meenigte Kiurden of Kiurdestanners, met of bij hun vee, geleegerd onder tenten, van een halfklootsche gedaante, zoo laag dat een ordinair mensch 'er bezwaarlijk in zitten kan, bedekt met een donkerbruine stoffagie. Schoon 't klimaat in deeze gewesten meer zondigt door hitte dan koude, is 't fraaije weêr 'er echter niet zo bestendig, dat zo rampzalige tenten niet somtijds eene slechte woning geeven moeten: en nochtans kan 't niet anders zijn, of de verkoudheid moet onder de helft deezer menschen zeer ongemaklijk zijn:
want de vrouwen draagen een ronde, zilvere, al vrij zwaare, ring door den neus.
Niet veiliger kan men langs de Heeren- en Keizersgragten op helderen dag gaan, dan wij voorbij de tenten deezer passagiers trokken. Des niet te min, 't zij laster, 't zij waarheid, hebben deeze vrienden den naam van 't meum en tuum wel eens te verwarren.
De Groote Heer is met deeze gasten meer of min, zo als wij 't hier noemen, opgescheept. Zij zijn niet verder zijne onderdaanen, dan 't hun of hun opperhoofd behaagt. Want ook zij hebben 'er een bij ieder volkerschap (peuplade). Hoe verre deszelfs gezag zich uitstrekke, of hij erflijk dan verkieslijk regeere, of hun adeldom, (want ook zij hebben hunne prinsen) met den bezitter uitsterve, dan of zij de krankzinnigheid hebben dien erflijk te maaken, zijn alle stukken, mij geheel onbekend.
Men zal mij gelooven, zo ik verhaale, dat deeze luiden zeer gehard zijn van gestel. Zij hebben zeer goede paerden, waar mede zij zeer gezwind en behendig weeten om te gaan. Hunne wapenen bestaan, zo ik niet mis heb, in houwers en lancen. Moet ik 'er pijl en boog bij doen?
't Is beter met deeze klanten te eeten dan te vechten. Den Grooten Heer abdul-hamid (zijne ziel ruste in vrede!) bekroop voor weinige jaaren de lust, hen onder te brengen. Ten dien einde beval hij den Pacha van Orfa tegen hen met een macht van twaalf-duizend man optetrekken. Zijne (des Pacha's) meerderheid deedt hem, in eene bijna hollandsche slaaperigheid, verwaarloozen, voorposten en wachters uittezetten. Zal men mij gelooven (ik geloof 't: want ik heb 't uit den mond van een heilig man) zo ik verhaal dat de Prins teimur, zijnde hij de man, waar op 't gemunt was, zich aan 't hoofd
van eene uitgeleezene troep van vijftig ruiters gezet hebbende, daar mede in eene donkeren nacht zijnen vijand op 't onverwachtst zo gevoelig op de ribben kwam, en hem, en zijne poppen, even als don quichot die van Mr. pieter, door een sloeg, zodat ieder met achterlaatinge van wapenen, tenten, en bagagie, de een met een gat in de kop, de ander met een uitgeslagen oog, om een goed heenkomen zogt.
Men heeft ze zedert maar laaten dwaalen.
't Zij vrees, die, als men weet, de dingen door een vergrootglas ziet, 't zij wezenlijk gevaar, bij onze komst in Sivas, sprak men in alle Khans, Koffijhuijzen en Kommenijen, zo sterk van de onveiligheid des wegs, dat wij 't oirbaar vonden hier voor eerst halte te maaken. Alzo hadden wij meer dan tijd deeze stad van binnen en van buiten te bekijken.
Ik lees hier en daar veel kwaads van Si-
vas, maar gelooft mij, lieve Lezers! 't is laster. De huizen van deeze stad, op eenen kleinen heuvel, omringd van eene aardige vallei, zijn gebouwd van leem, echter zijn zij netjes, hun bouwtrant is al vrij behaaglijk, de straaten van geene verveelende ongeregeldheid, veel tierig opgroeijend geboomte verfraait deeze stad niet min dan 't de Hollandsche steden pleegt te doen. Men zou hier te vergeefsch zoeken een St. Pieters Kerk of Louvre, maar ook geene bedelaars-hutten; en een Nederlander vindt zeer veel behaagen in de algemeene welvaarendheid van den burgerstand, begroot wordende, in gedrukte boeken, op vijftien duizend zielen.
De omleggende landstreek van dit steedje is alleraangenaamst. Overal bewijzen u de bouwlanden, draagende allerlei graan, behalven rijst, de arbeidzaamheid der bewooners.
Te vergeefsch zou een reiziger den Sivasser zoeken uit te hooren, of niet hier of hier
omtrent, 't slagveld geweest is, waarop pompejus den armen mithridates zo bitter in den baart zat. Te vergeefsch zou hij zich moeite geeven. Hun stilzwijgen is evenwel niet een uitwerkzel van achterhoudendheid: even als in meenigen pruikenbol, de deftigheid 't is, of 't masker van de niets-beduidendheid.
't Is niet - moet ik zeggen geoorloofd? zeer zeker niet veilig, de straaten des Grooten Heers te doorwandelen, zonder voorzien te zijn van een firman, of een Keizerlijk paspoort. Beroofd van deezen talisman, zou iemand een schrikkelijk gevaar loopen, te boeten voor zijne onvoorzichtigheid; en de heer G... die, hiervan verstoken, aangemerkt wierdt als spion, hadt, 'er haperde maar weinig aan, bijna door een hennippen vengster een uitzicht in de eeuwigheid gekreegen. 't Zijn de vreemde Ministers, die den reizenden ie-
der van zijne natie deezen firman van de Porte bezorgen. Bij geluk had ik met meer dan eenen Beij en Effendi kennisse, zodat ik des noods tien firmans voor één zou hebben kunnen bekomen.
Wij hadden buiten dit noch 't voordeel van een brief van voorschijvinge des Groot-Vizirs aan alle Pacha's, Aga's, Muselims, Mollahs en Kadis, op onzen weg, ten einde ons te beschermen en behulpzaam te zijn.
Na mij te Sivas vier dagen verveelt te hebben, bekwamen wij een geleide van ettelijke Ghebegi's of gewapende mannen.
Ik heb geene genoegzaame kunde van 't militaire, om ze te beöordeelen, als soldaaten, maar als menschen mag ik zeggen, dat zij welgemaakt, sterk en zeer gehard waren tegen de vermoeijing. Zij vergezelden ons te voet, en scheenen des avonds niet meer afgemat, dan wij, die te paard gezeeten waren. De hitte was toch zeer druk-
kende. Zij gedroegen zich met meer redelijkheid en bescheidenheid, dan men onder de Kristen-Militairen somtijds opmerken kan.
Deeze dekten tevens eene geld-expeditie van 100,000 piasters, die de Groote Heer naar Orfa zondt. NB. om deeze somme te vervoeren, waren twintig paerden nodig, kunnende ieder paard niet meer dan 5000 piasters op zijn pakzadel laaden. Deeze trek doet zien den inwendigen staat des handels, wissel-affaire, en circulatie van speciën in Turkijën.
Ons gezelschap vermeerderde hier noch met een Tartaar-Agasi of Courier van den Grooten Heer, en zijn knegt.
Gerust nu als in Abrahams-schoot, begaven wij ons, welgemoed, op den weg naar de hoofdstad van Mesopotamiën over Delikti-Tas, Alagia-Han, Hadzan-Tchelebi, Hekim-
Han, Guerin, Soliman Ana, Disjinle, Maden, Karput, Arguni. -
'Er zijn luiden, zij raapen een hoorntje van 't strand, tuuren 'er een half uur op, en roepen uit: ziet eens hoe merkwaardig!
Deeze klasse van menschen (Duitschland is 'er het vruchtbaarste in) was in staat een geheel boekdeel te schrijven over dit stukje van mijn tocht; en dit boekdeel mogt noch wel zo belangrijk uitvallen, als de Reis van Professor pallas door eenige buurten van Rusland, of de Verhandeling van den Heer .... (waarom zich meer vijanden gemaakt?) over de Oorwurmen.
De merkwaardigheeden voor mijn bijziende gezicht waren: 1o Hadzan-Tchelebi, meer een voorwerp voor de teken- dan voor de schrijfpen. 'k Wil evenwel beproeven, wat ik met de laatste mag uitdrukken. Conamur tenues grandia. horat. De Hadzan-Tchelebiäaners zijn een herdersvolk, leevende van de
vee-teelt. Zij schijnen uit verscheide natien, doch meest uit Kiurden te bestaan. Een gedeelte daarvan bezit een dorp, eigenlijk van dien naam, geleegen op den top van een berg. Veelen zijner huizen hebben zo wat van de Turkallische bouwörde. Zodra de weiden met gras bedekt zijn, daalen zij met hun vee in de valei. Hier slaan zij een cirkel van armhartige tenten in 't rond, waardoor hun des avonds thuiskomend vee, bestaande in schaapen, geiten, ezels, koeijen, kameelen, enz. als ingeslooten wordt. Dit krioelt den nacht in deezen cirkel door een, maakende een der discordantste concerten, die 't mogelijk is zich op aarde voor te stellen. Over 't algemeen zijn de Hadzan-Tchelebiaaners een apart mismas van volk. De vrouwen, waarvan 'er veele zilvere ringen door de neus dragen, zijn eer fraai dan lelijk. Zij schijnen 't te voelen. Haare eerbaarheid is een stelletje kleiner dan die der
Dames van Constantinopolen. 'Er kwam een spannetje van drieën achter onze tent hunkeren. Maar...
Schoon een volk, rijk in vee, schijnen zij, uit hoofde van armoede, slecht te leeven. Wij lieten een schaap slachten. Eene deezer drie Dames verzocht ons een stuk van de vacht, waar aan een weinig vet was te mogen afsnijden. 't Was voor haar een lekker beetje.
2o. Aan deze zijde van den Euphraat legt Maden. Terwijl wij hier pleisterden, kwam ons iemand bezoeken, in 't gewaad eens Dervis of Bedelmonniks. Deeze man hadt de wispeltuurigheid des fortuins, bijna evenveel ondervonden als de medelijdenswaardige lodewijk XVI. Van prinselijke afkomst, want hij was in Bengaalen een Nabab geweest, opgevoed in den overvloed eens Asiatischen wellustelings, bij erfnis meester geworden van een overgrooten schat, dien
hij door een gelukkig gevoerden oorlog aanzienelijk hadt vermeerderd, was hij - eens jong, gezond, bezitter van ongeveer twintig millioenen ponden sterlings, geëerbiedigd, onbepaald heerschende over den wil zijner onderdaanen, ontzien van zijne nabuuren - nu een afgeleefde, arme, onaangeziene bedelmonnik.(*)
Misschien zegt iemand is deeze merkwaardigheid niet uitsluitend aan Maden eigen. - 't Was 'er niet erger om.
De Euphraat, wiens water alhier troebel is, als dat van de Maas bij Rotterdam, heeft 'er niet wel de breedte van. Ter deezer plaatze is een regulier veer, tot overbrenginge van passagiers en goederen. Men giert door den stroom den Euphraat over.
Naauwlijks is men aan de andere zijde, of hier doet zich een der akelijkste tooneelen voor, welke ik ergens zag, de bergwerken van Maden. Niets dan enge, steile, kromme paden, over een dorren steengrond, overal afgronden, dorre bergen. De ondervinding alleen kan iemand een denkbeeld geeven, hoe een reiziger van blijdschap 't hart, door al dit treurige toegegrendeld, open gaat, wanneer hem, neêrgeslaagen, als of zijn beste vriend hem afgestorven was, ettelijke uuren voortgesukkelt, eindelijk een enkele boom zich voordoet.
Deeze bergwerken geeven veel koper, en ook wat zilver. De ertz wordt in korven op den rug naar een grooten watermolen gedraagen, en aldaar gezuivert. 't Koper is alhier zeer overvloedig, en een vierde min waard dan elders.
3o. Bij deeze akeligheeden steekt des te treffender af Karput of Karput-Ovasi, gelee-
gen twaalf uuren van Maden, in eene der heerlijkste valleijen van den aardbodem. Zeker Sultan, 'k zal niet zeggen welken, vondt deeze situaatie zo heerlijk, dat hij hier den zetel van zijn rijk wilde vestigen. Wij roemen op eene stad, van wiens wallen men vijftig dorpen telt. 't Getal van die, welke deeze vallei rijk in vee, in wei-, bouw- en bebouwd land en fraaije bosschen omringen, loopt verre over de hondert. Niets zou mij doenlijker zijn dan de naamen der meesten dier dorpen hier neêr te zetten. Deeze arbeid zou een weinig verveelende zijn. Wie zou mij leezen? Laaten wij van iets anders praaten.
Na dan vijftig dagen over dat gedeelte der aarde door dik en dun, over berg en dal gekriskrast, en twee hondert zeventig uuren te hebben afgelegd, deeden wij niet zonder hartelijke blijdschap, en bij een taamelijken omloop van kijkers, ('er was veel volks op
de been, wordende 'er juist quasi-justitie gedaan) ons van voren en van achteren opneemende, onze intreê in de hoofdstad van Mesopotamiën, Diarbekir.
Reeds op een afstand van meer dan twee uuren van deeze stad, houdt de vreemdheid eener onverwachte vertooninge den reizenden in opgetoogenheid; niet weetende wat te maaken van de lava, waarmede de weg en 't veld rondsom bedekt is. Stelde hij zich voor, aan een vuurbrakenden berg te komen, hij zou zich bedriegen. Elders hebben haare uitbarstingen, steden en gehugten ingezwolgen, maar deeze volkaan, waarvan, zo veel bekend is, geene spooren meer over zijn, heeft aan Diarbekir, wiens poorten, wallen, torens, huizen en straaten, alle van lava zijn, de geboorte gegeeven. De uitgestrektheid van deeze stad, hebbende in haar omtrek twee uuren, geslooten door rijf poorten, 't massieve van haare gebouwen, want
men heeft hier veele huizen van drie verdiepingen, gevoegd bij de onmeetbaare hoeveelheid van lava noch voorhanden, kunnen een denkbeeld geeven van welke grootte die volkaan moet geweest zijn.
Diarbekir, geheel onderscheiden van alle andere Turksche steden, kon fraai zijn, bijaldien zijne straaten rechter en wat breeder waren. De gevels der huizen zijn niet aanzienelijk. Hunne deuren zijn 'er zo laag, dat men bijna bukken moet om 'er in te komen. De oproeren schijnen die voorzorg te vorderen. Wij logeerden in een Khan, die men zonder snoeverij een groot hôtel mogt noemen; in 't midden van 't welk eene groote plaats, waarop eene fontein, rondom welke twee hooge gallerijen, met ijzere ballustraden, de bewoners naar hunne vertrekken leiden.
't Is op de geloofwaardigheid mijner voorgangers, dat ik al wederom de inwoners
deezer aanzienelijke stad op 50,000 zielen begroot. Noch in 1756, zo spraken de mannen van Diarbekir, beliep dezelve over de 400,000 menschen. Een heirleger van sprinkhaanen verwoestte hunne velden. Hunne verwoesting sleepte hongersnood, deeze eene allerverschrikkelijkste ziekte, en deeze eene buitengewoone sterfte na zich. Relata refero Ik verzoeke mijne lezers 't niet te gelooven; 'k geloof 't zelve niet.
Men ontmoet alhier eene groote verscheidenheid van natiën en gezindheden. Turken, Turkomannen, Armeniërs, Jacobiters, Sorianers, Grieken en Chaldeuwers. De Turken laaten hen alle ongestoord onder hen leeven: maar veele Kristenen zijn hier ter stede zo groote vrienden onder elkander, als katten en honden.
Aan 't hoofd der regeering van Diarbekir staat een Pacha van twee paarden-staarten, die zijne residentie houdt in de citadel, welke tegen de stad aanstoot. Ik hebbe 'er niet
om gedagt mijne opwachtingen bij zijn Excell. te maaken; dus kan ik niets dan van hooren zeggen (en van hooren zeggen, enz.) spreeken over zijn inborst, levensmanier, familie, afkomst, inkomsten, fortuin, enz. In Turkijën vallen de visites bij groote heeren wat kostbaar; met ongevulde handen is men niet zeer welkom.
De huizen zo als ik gezegd heb, zijn alle gebouwd van lava, van eene zwartachtige verwe. De Heer S...... beweert, dat dit de hitte vermeerdert. Hier in heeft zijn eerwaarde abuis. Deeze kleur zwelgt eer de lichtstraalen in, dan dat zij ze afstoot. En dat steenen huizen koeler zijn dan houten is een feit, ofschoon de mannen van Diarbekir en die van Paramaribo, dwars tegen de reeden en ondervinding in, 'er aan blieven te twijfelen.
Zoo als in de hoofdstad gaan hier de vrouwen ook langs de straat, met dit onder-
scheid, dat zij gebakerd zijn in een stuk blaauw gestreept linnen, (die der Kristen-vrouwen is wit,) bij wijze van een falie, en over haar sluijer een zwarten lap van paardehair dragen. In 't algemeen worden de Turksche vrouwen mansschuwer, naarmaate men zich van Constantinopolen meer verwijdert. Meenigmaal zijn ons op de groote wegen vrouwen bejegend. Zij hadden de onbeleefdheid, zo als wij haar naderden, zich om te draaijen, om zich van achteren te laaten zien. De Pacha van Diarbekir moet een bij uitstek gestreng waarneemer van den Koran zijn. Een arme drommel van een Armeniër, in wien de ingetogenheid niet de hoofddeugd was, vergat zich, en ging zich verslingeren op eene Turksche gerieflijke juffrouw, meenende 't hem geöorlooft te zijn, om van deeze porto franco gebruik te maaken. Hij reekende zonder den waerd. De Pacha wilde 't niet hebben. Mahomed is voor
deeze ongelukkigen, gemeenlijk een toevlucht. Mijn Armeniër boodt zich aan Muzulman te worden. 't Mogt niet helpen; hangen moest hij. Men trekt 't lijk, alvoorens 't te beäardigen, ('t geen niet geschiedt, ten zij 't drie dagen heeft gehangen,) den overrok of beniesch af, en bedekt die op de gerechtplaats met aarde, zodat de zoom 'er een paar duim van uitsteekt. Ik telde vijf van deeze benieschen.
Ik leez' ergens, dat de Diarbekirrieters verdeelt zijn in twee partijen, die van den Pacha, en die van de luiden van de wet Uhlema's. Dergelijke zotternijen mag ik niet na vertellen. Opdat een volk partijschappen hebbe, moet 't veel knapper, veel verstandiger zijn. Veele fabrieken, uit zijde en wolle, veele verwerijen, veele katoendrukkerijen helpen de Diarbekirrieters aan de kost. Ook is hier de stapel van den galnooten-handel.
Indien rousseau hier geleeft hadt, zou hij misschien te rug gekomen zijn van zijne vooringenomenheid tegen de geneeskunde: want nergens, behalven te Bachsizerai, hoorde ik zo veele menschen, als men zegt, door de neus praaten.
Ik vond hier eene missie van de Propaganda, bestaande uit twee Franciskaaner monnikken. Hun daarzijn was ons nut en aangenaam: maar dit collegie te Rome moet wel beneveld zijn, zo 't meende, dat deeze heeren in de mogelijkheid zijn te voldoen aan 't oogmerk hunner zendinge, de uitbreidinge hier op aarde van 't Koningrijk van den Heere J.C. Dat ooit eenig missionaris zou hebben durven denken aan 't bekeeren eens Mazulmans, schijnt mij ongelooflijk. Dit bestaan zou hem en zijnen proseliet 't leeven kosten.
Moetende alzo de zielen der ongeloovigen overlaaten aan 't ongeluk van haar
noodlot, zoeken zij zich te verhaalen op hunne lighaamen.(*) Zij houden in hun klooster zo wat potjes na, waaruit zij de gaande en komende bedienen. 's Avonds in de uilenvlucht sluipt 't schoone geslacht bij deeze vroome vaders in, om van hen getroost te worden. Een deezer heeren scheen mij van een sterk gestel te zijn.
Zo hier op aarde geleeden te hebben, een
recommandatie-brief is op den hemel, kan 't hun eerwaarden niet wel kwaad gaan: want 't geen die arme menschen lijden moeten, met de wolle peij, in een klimatje als dat van Diarbekir, is onbeschrijflijk. Een van hen wees mij, in een der gaanderijen, ijzeren staaven, welke de zon nimmer kon beschijnen, en die, zo hij verzekerde, in de hondsdagen zo heet waren, dat men ze met de hand niet kon aanvatten. 't Is wat sterk. Die man hadt voorwaar zeer teêre(*) handen!
Digt bij Diarbekir ontspringt met zeer geringe beginzels de rivier de Tijger. 't Is maar bij miraculeus reegenächtig weêr, dat dezelve bevaar-
baar is. Voor een reiziger door 't klimaat en beweeging afgemat, valt 't pijnelijk, zijn paard of kameel niet eer te kunnen verwisselen tegen een vaartuig, voor dat hij gekomen is in de oude stad Ninive, die nu Mosul heet. Zelfs noch hier is deeze rivier zeer ondiep. Dit gebrek aan water zoekt de kunst te verhelpen, door eene scheepvaart, die eenig in haar zoort is. De Tijger wordt bevaaren met houte vlotten, die drijven op leedere zakken, welke zo net gemaakt zijn, dat men ze kan opblaazen; eene operatie, die men doorgaans 's avonds herhaalt. Deeze vaartuigen noemt men Kieleik. Men heeft 'er van onderscheidene grootte. -
Niet meer is een arme zeeman, na drie maanden reizens, 't spek met groene erwten moê, dan ik nu was 't paerdrijden. Ik stel mijne reisgezellen voor, ons te Mosul op zulk een vaartuig in te scheepen, om
daar mede dien stroom na Bagdad aftezakken, en onze paarden, schoon tot deeze stad aangenomen, te laaten drijven. Ook hierin konden wij 't niet eens worden. De heer M..... en ik begonnen toch al vrakjes te worden; en schoon hij tien jaaren in Bengalen en Indostan geleeft hadt, maakte de groote hitte hem doorgaans onpasselijk en zomtijds ziek.(*) Met dit vertreuzelen van onzen tijd, waren wij oudertusschen aan den zelfkant der hondsdagen genadert, en de reis voorhanden was verre van de aangenaamsten. Tusschen Diarbekir en Mosul legt de zandwoestijne Gezira, in vergelijking van welke de Mooker-heij een paradijs is: want daar kan men noch water en genever vinden. Hier moet men beiden, 't eerste
in ledere zakken, de andere in vlessen of vaten mededraagen.
Geen ongeluk komt alleen; daarom waaijen hier bij horten en stooten, in deezen jaartijd, zekere pestilentieele winden, bekend bij den naam van Sam, Smum, Samiel of Sameli. Hij waait, doch zelden, tot onder de rook van Diarbekir. Deeze wind heeft de eigenschap, in twee minuuten iemand al 't hair van 't lijf te schroeijen; in vijf minuuten doodt hij, bedekkende 't lijk met een zwarte korst. Bij geluk wordt dezelve door een zwavelachtige lucht aangekondigd.(*) Om 'er zich voor te behoeden,
wendt men zich en vee, met hoofd en kop, 'er van af, legt zich met neus en mond op de aarde. De Sameli waaijen in smalle banden en ondiepe laagen, en komen, zegt men, altoos uit de groote zandwoestijne. De couriers van den Grooten Heer, genoodzaakt ten allen tijde de woestijne doorte trekken, meenen een voorbehoedmiddel tegen hunne verdervende kragt te vinden in een deeg, gemaakt uit stremzel van zuure melk en knoflook. Ik zag 't hen bereiden.
Zo veel lekkers zou ook den hardnekkigsten reiziger tot nadenken brengen. Maar...
Niets heeft mij, bij 't leezen der Essais van montaigne, min behaagt dan de hebbelijkheid, waarvan deeze ridder zich niet kon geneezen, om te spreeken van zich zelven. Thans daar ik, die geen ridder ben, maar 't had kunnen zijn, en noch iets meer, zit en schrijv', komt mij dit zwak ver-
schonelijker voor. 'k Voel hoe verleidelijk 't is. Lezer! mag ik 'er noch eens over struikelen?
Van alle menschelijke figuuren, die over den aardbodem omdwaalen, is 'er niemand, die zich zo ligt verveelt dan ik, in alles. Neem ik eene portie eeten op 't bord, bijna nooit (duizendmaalen ben ik 'er beschaamd over geweest) zal ik 't orberen; al was 't ook schelvisch met aardappelen. Pas heb ik één arm in een nieuwen rok, of 't verveelt mij 'er den anderen te moeten insteeken.(*) Had ik ooit gewaagd mij voor immer aan den band des huwelijks te leggen, die band zou mij geen immerduurende
band geweest zijn. (Ik herinner mij nochtans voor ruim twintig jaaren drie volslaagen achtereenvolgende weeken mijne opwachtinge aan één en dezelve perzoon gemaakt te hebben. Dan hoe was ik dit moê! drie straaten zou ik omgeloopen hebben, om 't huis niet meer te zien.) Ben ik te Parijs, zo wil ik te Londen, ben ik in Europa, zo wil ik in een ander waerelddeel weezen, enz.(*)
Een ogenblik. - Misschien komt mij iemand, met eene geheele scheepslading wijsheids vraagen: waarom zich van eene
zo kwaade hebbelijkheid niet geneezen? - Mijn vriend! is u ooit een graat of splinter tusschen de tanden blijven zitten? en was 't, in spijt van alle de Logica's van de aarde, u wel mogelijk met de tong 'er af te blijven? - Even als 'er volgens vader seneca geen kwaad is zonder vergoedinge, alzo heeft deeze ligtzinnigheid, dit bestendig verhuizen ook zijn nut. Men kan meloenen en watermeloenen eene gedaante naar believen geeven, als men ze noch klein in eene vorm inklemt. Alzo wordt onze ziel geïncarcereerd binnen de vormen en modificatiën, die haar bestendig drukken. De verstandigste zelve worden, zonder 't te weeten, als geïncrusteerd met de vooroordeelen, opiniën, manieren van denken van hen, met wien zij verkeeren. De bestendige omgang met dezelve menschen is als te leeven in een parfuim-winkel. Gaat 'er in verkeeren,
en gij zult, ook onwillens, in uwe klederen reuk meêdraagen.
Nimmer integendeel hegt zich de mot aan 't bont, 't geen bestendig gedraagen wordt. Even zo moeijelijk kleeft 't kinderachtige van willekeurig aangenomen gevoelens, de stuipen van 't enthusiasmus, de gal, de beneeveling van partijschap, 't gif der religie-haat aan hem, die bestendig verplant wordt.
Nu dan, voor een zo lief gestelletje is twee maanden verveelends eene eeuwigheid. Ik was nu mijne Oostindische Pelgrimagie zo beu(*), dat ik liever met don quichot in 't hol van Monte Sinos nedergedaalt zou hebben, dan dezelve te vervorderen.
Hier bij kwam de hitte, afmatting, be-
zwaarlijkheid van de reize voorhanden, lusteloosheid, enz. enz. enz.
't Een en ander bragt mij op den inval, 't roer een weinig om te gooijen, en in de verandering van koers een remedie te zoeken voor mijn kwaal.
Mijne beide reisgezellen verlieten mij. Och Lezer! vraag mij niet of de scheiding mij traanen kostte. 'k Wilde niet gaerne onbeleefd zijn, en ook niet gaerne liegen.
'k Bleef nu moeder- of vaderziel alleen. De tolk en bedienden waren voor en door ons drieën aangenomen, om ons te brengen na Bagdad. 'k Moest nu tot mijn verdriet, schaâ (schande? God lof neen!) ondervinden, wat 't is te drijven op eigene wieken: want 't weinige Turksch, 't geen applicatie en nood mij in de harsens gebragt hadden, gaf helaas! maar kleine stoppeltjes, waarmeê
ik pas langs den grond met vallen en opstaan huppelen kon.
Ik verliet nu mijn Khan, en nam mijn intrek bij zijne Heiligheid, Monsignor giuseppo IV. Patriarch der Chaldeeuwen, wien de Hemel 't goede aan mij beweezen, wil vergelden! Ik kan 't niet doen. De man is denkelijk dood. Deeze Heer is of was een perzoon van geleerdheid, zeer kundig in de Oostersche taalen, van een gezond oordeel, eenige bereisdheid, hebbende verscheide jaaren gestudeert te Rome bij de Propaganda. Monsignor verkoos met mij in 't Latijn te converseeren. Dit gaf onze gesprekken eene ongelooflijke gemaklijkheid en leevendigheid. Zijne ziel dorstte na eene omwentelinge, die hem verlossen mogt van onder 't Muzulmansche juk. Zijn gebed was immer voor den voorspoed van Rusland. Uit deezen hoek verwachtte hij zijn verlosser. Men
kan hier uit opmaaken, hoe zeer hij Rusland kende!
Hier zat ik in ongevaar een veertien dagen te koekeloeren. Eindelijk vond ik een voerman, die mij na Arz-rum, of Erzerum, hoofdstad van Armeniën, zou brengen. Zijne heiligheid beval mij den cattergi of voerman aan, als zijn eigen zoon: maar voerluî zijn 't overal. 't Was op den raad van den patriarch, die meende, dat wij dagelijks dorpen en gehuchten zouden doortrekken, dat ik verzuimde, mij van voorraad te voorzien.
Dit verzuim bragt mij op eene veertiendagige reize, meer dan eens in verleegenheid. 't Was niet, dat 't ontbrak aan de geleegenheid om voorraad te koopen: maar de voerman verkoos niet 'er gebruik van te maaken. In steê van te volgen den grooten weg, lopenden door veele dorpen en gehugten, hieldt hij zich veeltijds een paar mijlen 'er af. Schraalhans was dus keukenmeester. 'k Weet
niet door welk toeval ik onder andere kleinigheeden ook eenige Neurenbergsche brillen vond. Voor deeze deed ik verscheide maaltijden.
Hoe de dorpen en steden hier 'er uitzien, kan ik niet zeggen bij autopsie. 't Land is doorgaans fraai, wel bebouwd, vol berg en dal. Meer dan eens is 't gebeurt, dat men ons voor struikrovers kwam waarschuuwen. Zo trokken wij inderijl met pak en zak na eene andere boerenkermis.
Een reizende wordt ook noch op eene andere manier uitgekleed. Men weet zeker, of misschien weet men 't niet zeker, dat alle Raja's, dat is, onderdaanen, gebooren in de staaten van den Grooten Heer, en niet behoorende tot de publieke moskee, gehouden zijn den Sultan een jaarlijksch hoofdgeld te betaalen, en waar van de taxatie zo wat willekeurig schijnt te zijn, bedragende voor den gemeenen man en gemeene vrouw om-
streeks de drie piasters.(*) Wij waren nu met vallen en opstaan voortgesukkelt af en aan een paar mijlen van Palli. 's Avonds komt 'er een paar luiden te paard aanrijden. Ik zag terstond aan de eerbiedvolle houding mijner reisgezellen, dat 't knaapen van geen klein formaat waren. Ik vernam zedert, dat 't de waiwoode van Palli was met zijn schrijver. Ieder, behalven den Muzulmanschen voerman, telde hem, na wat woordenhaspelinge eenig weinig geld toe. Ten daatste kwam de beurt aan mij. Vermoedende uit mijne equipagie, dat ik beter bij kas was, eischte hij hondert piasters van mij. Hier bij hadt een zonderling kwalijk verstaan plaats. De lezer gelieve te weeten, dat in 't Turksch us drie - jus hondert is. Wei-
nig droomende van een zo buitenspoorigen eisch, weetende mij zelven niet verplicht tot 't betaalen van eenig hoofdgeld, bragt ik hem onder 't oog een Frank en met een firman van den Keizer voorzien te zijn; dat ik nogtans uit vijandschap tegen alle gehaspel hem de drie piasters zoude geeven. Zijn Ed. Gestr. hieldt mij voor een spotvogel, die met hem den draak stak. Zijn toon werdt ernstiger, welhaast dreigde hij mij na Palli te willen sleepen (en hadt hij dit gedaan, was ik voorzeker verlooren geweest in eene plaatze, waar ik niemand zou vinden, spreekende eene mij bekende taal) Ik haalde mijn firman voor den dag, hij nam ze verkeerd in de hand, zijn Schrijver was eeven ongeletterd. Niemand der passagiers kon ze leezen. Genoeg, na veel gehaspels, na mij een half uur lang door zijn barsen toon, en Muzulmansche manieren te hebben beurtelings laaten ontrusten en vertoornen,
moest ik dien knevelaar twintig piasters toetellen.
Dit voorbeeld raade ik alle reizenden en niet reizenden te volgen. De vreede der ziel alleen is veel waard. Een recept waarvan ik niet altoos gebruik maakte.(*)
't Was op een morgen van den fraaisten dag van de waereld, dat ik de hoofdstad van Armeniën introk. Zeker moet zedert den 12 September 1701 (toen de Heer joseph pitton de tournefort ze verliet) geen Frank haaren bodem meer betreeden hebben. Ik had oneindig veel bekijks, schoon 'er van buiten toch niets vreemds aan mij te zien was. De Erzeroumers gelijken veel de Dren-
thenaars; zij stonden een half uur mij te begaapen, en liepen dan van mij af. Zeker betrachtten zij mij met zo veel affectie als een arme Israëliet 't gedaan wordt van eenen suprafijnen Voetiaanschen leeraar. Men wees mij van alle Khans af. Mijne bagagie was toch omslagtig genoeg, om den kastelein alle zorg voor de betaalinge te ontneemen. Hier haperde 't niet aan. Men hieldt mij voor een ongeloovigen, voor een onrein monster. Na een geruimen tijd van herodes tot pilatus gedwaalt te hebben, vond ik(*) ten laatsten een Khan, waar denkelijk de neering niet druk liep. Hier had ik pas een uur tijds gehad, om, op mijn elleboog geleund, mijne zotte kuuren te overpeinzen, of Monsieur de kastelein liet mijn goed 't huis uitdraagen, en zei mij onmiddelijk de huur
op. Nu stond ik geheel alleen (want de voerman mij eindelijk onder dak gekreegen hebbende, was nu van mij afgegaan) of liever zat ik op mijn goed op de straat, omringd van eene talrijke schaare van mannen en kinderen van Erzeroum. Stokstil zat ik.(*)
'k Had nu ruim den tijd gehad 't gebed Onzes Heere een paar douzijn maalen, lamentabile, uittebidden, en even zo veele maalen 't zweet van mijne tronie aftewisschen; toen eindelijk mijne verlossing kwam opdaagen.
De Turken zijn in de vaste verbeeldinge, dat alle Franken, die komen reizen in hun land, geneesheeren zijn. De Armenische Esculaapen scheenen niet veel in crediet te staan. Een Muzulman, wiens zoon krank
was, erbarmde zich mijner, en liet mij tot zijne wooninge ingaan. Men zag mij, onder mijne andere roerende goederen, een huis-apotheek openen, en terstond blies de Faam in - door - en om Erzeroum de komst van den fiellamenk Hekim-Bachi, dat is, van den Hollandschen Doctor. Nooit begon eenig artz met zo gelukkige voorteekenen, eene zo talrijke praktijk. De kranken overliepen mij tot die hoogte, dat ik, in baloorigheid, 'er verscheide maalen een arm vol teffens van de deur uitzette. Ondertusschen verstoken van een tolk, zij mij niet - ik koeijen voor karssen-boomen verstaande, heb ik 't der pijne niet waardig geschat, een dag-boek van mijne Erzeroumische praktijk te houden.
Gij, geestelijke glaazen-slijpers! gij, die voor 't hart, voor 't geweeten 't zelve zijt, 't geen een van der bilt, een dolond, van deijl, hirschel voor 't oog zijn! helpt, helpt toch een bijzienden
mensch uit zijne verleegenheid, beslist bijaldien ik nu per abuis den dood van sommige deezer klanten, in 't boek des noodlots, eenige bladzijden vervroegt had, wie 'er zal de schuld van draagen, de patient of de doctor?
Men kent de valsche toonen van de bazuine der Faame, die praatachtige dame, toch meer winderig dan praatachtig: want helaas, door hoe veele vrijers wordt zij niet vruchteloos tot praaten gekittelt! 't Gerucht van mijne wonderwerken liep als een lopend vuur. Men verzekerde stellig, dat mijn aankijken of mijne beroering alleen de luiden van de lamheid, vallende ziekte, kanker, enz. genas. Zo veel staat is 'er te maaken op zulke vertelzeltjes!(*)
De Mufti kreeg 'er de snof van; ofschoon Zijne Hoog-Eerwaarde woonde buiten de stad. Na een waereld zoekens, vondt men eindelijk aan den tol een Armeniër, die zo wat Italiaansch rabraakte. Deeze moest, tot zijn en mijn verdriet, ten tolk dienen.
Mijnheer de Mufti begon muf te worden. Zijn spiegel, en noch duidelijker zijne vrouwen, hadden hem gezegd, dat hij oud was. Gezeegend was hij met alles, wat 't leeven genoeglijk maaken kan, land, huis en goed, behalven jeugd. Deeze vleide hij zich in mijne kraam te koopen. Zijn Eminentie vernederde zich mij aan zijne zijde op de sopha te laaten zitten. Ik troostte hem zo goed ik kon. Hij verzogt mij te blijven, tot 't volbrengen van de kuur. Ik maakte zwarigheid. Hij boodt mij vier beurzen (ruim ƒ2,000.) Ik sloeg 't plat af. Zijn Eminentie verstondt geene contradictie, gaf mij een graauw, en joeg mij de deur uit.
Deeze boosheid - hij bezat geene haatdragendheid - was schielijk over. 's Anderendaags kwam de tolk mij aanbieden zo veel geld ik wilde, op voorwaarde van te blijven. 'k Had 'er geene ooren naa. Aan praktijk ontbrak 't mij niet. Deeze vrolijkheid hadt noch geen tien dagen geduurt, wanneer de tolk mij kwam waarschuuwen van des Mufti's voorneemen, om mij, door tusschenkomst van den Pacha, te arresteeren. Ik pakte mijn kantdoos in, verkraamde mij na een dorpje - en ging mij onder den rook van de stad verbergen. Een klein vertrekje met een val-licht was, mag ik zeggen, mijn kerker. Van hier schreef ik mijne Tristia, zijnde de navolgende Erzeroumiana.
De stad Erzeroum, gebouwd op 't hangen van een berg, onderscheidt zich nergens door van 't gros der Turksche steden, dan door haare grootte. Ook is zij luchtiger gebouwd. Ik kan niet zeggen of dit laatste 't alleen is;
maar deeze stad heeft een, een weinig apart, aanzien. De hooge bergen, die dezelven omringen en lang met sneeuw in den voorzomer bedekt blijven, onderhouden de frischheid van den dampkring. Mijn gestel, door hitte uitgeput, scheen te willen herleeven. De warmte was evenwel noch aanmerkelijk. -
De Heer de tournefort klaagt over gebrek aan brandhout, 't geen de Erzeroumers dwingt zich in hunne keukens te bedienen van gedroogde koemist; een goor parfuim!(*) Dit is zedert verandert. Waar zij brandhout van daan haalen, weet ik niet, maar wel, nergens hier gedroogde koemist te hebben zien stooken. Ook is 't omgeleegen land thans niet zo kaal van hout-plantzoen, als deeze groote Kruidkundige aldaar beweert. Ook heb ik op deeze reize veel
slechteren wijn gedronken, dan die van Erzeroum, waarover zijn hooggeleerde zoo klaagt.(*) In drie- en- negentig jaaren veranderen de dingen sterk.
Op welken grond deeze schrijver haare bevolking op 18,000 Turken, 6,000 Armeniërs en 40 Grieken begrootte, is mij onbekend; zo als die voor de bevolkinge van de Armeniërs, in 't geheele land, op 60,000 en van de Grieken op 10,000 gesteld.
De beweeging der menschen langs de straaten doet aanstonds vermoeden, dat Erzeroum eene plaats is, waar veel omgaat. De grootheid van den tol, en de meenigte van koopwaaren, leggende in haare pakhuizen, de drukte onder haare bedienden, de moeijelijkheid, die 'er in is, om spoedig geholpen te worden, zou 'er iemand anderzints van kunnen overtuigen. Armeniën en Erzeroum leg-
gen op den weg van veele Caravaanen, vervoerende meest Oostersche, kostbaare produkten. Deeze betaalen voor hun transit drie ten hondert. Ik moet bij den tollenaar zeer in de kas geweest zijn: want ik herinner mij niet een penning te hebben uitgebuidelt. In 't algemeen (noch eens gezegd) de Turksche tollenaars zijn de Kristelijkste van den mij bekenden aardbodem. Koper is hier in overvloed. Veele handen verwerken 't. Maar de Erzeroumers hebben een te fijn gehoor om te gedoogen, dat een zo harsenbreekend, zo anti-musikaal handwerk, als dat der koperslagers, midden onder hen gedreeven zou worden, hebbende deeze werkluî (waar ziet men dit meer?) na de voorstad gebannen.
Ik heb te veel hoogachting voor den even aangehaalden Kruidkundigen, om zijn hooggeleerden te willen betwisten, dat Erzeroum oudtijds was Theodosiopolis. Den oudheidkundigen houdt dit wakker, maar den staatsman
meer, wanneer ik hem vertelt zal hebben, dat deeze stad in de schat-kist des Grooten Heers meer dan zes hondert beursen stort. Dit is te weinig, als men nagaat, dat de Pacha, of liever de Beglierbeij (deeze laatste staat tot den eersten als een Advocaat tot een Procureur, of een Veld-Maarschalk tot een Generaal) drie hondert beursen inkomen heeft. Deeze disproportie is (schoon in 't kleine) noch wanstaltiger dan die van 't inkomen des Konings van England tot dat der geheele natie.
Dergelijk inkomen voor een Gouverneur loopt verre over de kerf. Voeg hier bij, 't geen hij 'er bijvoegt, half eerlijk, half oneerlijk, zo behoeft een vreemdeling zich niet te verbaazen over de schatten, welke deeze heeren overgaaren.
Zo als in de meeste steden van Turkijen, alzo hebbe ik hier niets zonderlings opgemerkt: maar 't geen mij getroffen heeft, was
de schoonheid eener uitgestrekre vallei, aan den voet van de stad, verfraaid door eene buitengemeene rijkheid van weelig groeijende veldgewasschen. Ook waren veele der bergen in 't hangen bebouwd. Dit heerlijk tooneel, noch treffender door 't fraai weêr, zou een iegelijk, die niet in arrest was, 't hart van blijdschap ontslooten hebben.
Verder vinde ik noch onder mijne analecta deeze pretieuse annotatie: De reizigers, die den wil na Erzeroum hebben, behoeven zich niet te voorzien van scheerbekkens. Men heeft 'er hier, groot genoeg, om twaalf menschen tevens uit intezeepen. Voor 't overige, al lieten zij zich ook niet scheeren, zij zouden altoos genoeg geschooren zijn. Eindelijk zal men wél doen de beide oogen wijd open te hebben, bij 't aanneemen van den voerman, waaronder veele schelmen zijn.
Basta van Erzeroum.
Noch eens moet mijn Armenische tolk op 't tooneel of op 't papier verschijnen, was 't ook uit dankbaarheid: want hij was 't, die mij een voerman bezorgde op Trebizonde. Deezen dienst erken ik, en nogtans was deeze voerman, een Armeniër van natie en gezindheid, benevens madame zijne egâ, slecht volkje. De kennis, die wij zamen maakten, was dat deeze dame, gelijk de meeste Armenische vrouwen, van eene colossaale gedaante, mij bestal, zo als haar man mij van mijn zadel beroofde. 't Was zeer beleefd van hem, dit te doen den laatsten dag van mijne pelgrimagie.
Met dit gezelschap ben ik tien dagen opgescheept geweest; schoon hij zich verbonden hadt, mij in zeven dagen in Trebizonde te bezorgen. Naar mijn geheugen heb ik noch nergens van deeze natie gesprooken. Daar nu de geleegenheid 'er zich zo schoon toe opdoet, zal ik 'er in é