Geachte Heer,
Vóor enkele dagen schreef ik U aangaande den heer A. Herckenrath in bewoordingen die voor dezen niet vleiend waren.1
Thans verneem ik dat hij, in de zaak die mij scheen toe te laten aldus over hem te oordeelen, slechts ridderlijk en in rechte gehandeld heeft.
Wees dus zoo goed, de woorden die voor hem beleedigend konden zijn in mijn brief als ongeschreven te beschouwen, en de uitdrukking van mijne ware achting te aanvaarden.
Uw d.w. dr.
Karel van de Woestijne
28-10-04.