St. Amandsberg bij Gent, 19 Nov. 1904.
Waarde Heer van Dishoeck,
Ik ontving eerst heden het contract van wege mijn vriend de Meyere.1 Ik verhaast mij het U, onderteekend en met mijne instemming, terug te sturen. Ook ik zal me beijveren de uitvoering ervan te waarborgen.
Voór een paar dagen kreeg ik uw brief. Laat me U eerst voor Uwe gelukwenschen van harte bedanken. Ge weet dat ik onder de werkzaamste in ‘Vlaanderen’ was; thans kan ik misschien ook nog ander nut stichten dan door eenvoudige meêwerking: ik zal er mijn best voor doen.
Nu over dien bundel verzen van mij! Ik heb werkelijk weinig geluk tot op heden met wat ik uitgeef! Mijn ‘Vaderhuis’ werd buiten mijn weten verhandeld;2 met het voorhandig boek gaat het me slechter nog, - in zooverre dat ik besluiteloos ben, en niet goed weet wát er meê aan te vangen. Een Hollandsch vriend nam het op zich, alles tot goed einde te brengen. Tot op heden heb ik echter nog geen uitslag. Ik geloof
waarlijk dat ik weinig aanleg heb voor zulke zaken!3
Ik hoop echter dat de ondervinding me leert, een klaar inzicht te krijgen in het uitgeven. Mocht gíj me daar tevens in helpen!... Ik heb tegen vóor-jaar 1905 een bundel proza (verhalen) klaar.4 Bij uwe aanstaande reis door Vlaanderen zou het me aangenaam zijn met U daarover eene overeenkomst te treffen.5 Gij geeft me dan wel gelegenheid er over met u te onderhandelen, nietwaar?
Met dank bij voorbaat en de hartelijkste groeten
Uw dw. dr.
Karel van de Woestijne