terug  begin  verderprepost

11 Sint-Amandsberg, december 1904

Waarde Heer van Dishoeck

Het spijt me dat ik eerst later het genoegen zal hebben U te mogen ontvangen.

Ware 't niet goed dat ik U, in de afwachting van uw bezoek, een handschrift of een lijstje van den inhoud van mijn bundel Gedichten opstuurde? Het zou de zaak wellicht bespoedigen; ge weet waarom ik wensch dat het boek zoo spoedig mogelijk - met uw goed-dunken: om het voorjaar - verschijnt. Zoolang dat niet uit de voeten is, kan ik bezwaarlijk ander werk aanvangen; ik lig lam - vooral met de omstandigheid dat mijne vrouw mij iederen dag een kindje geven kan - en wensch door de blijde drukte van eene uitgave tot nieuwen arbeid aangepord te worden. Ik hoop erdoor te worden aangezet, mijn bundel proza te voltooien en mijn treurspel ‘Dejaneira’ aan te vangen.1

Met de hoop dat uwe ongesteldheid gauw betert en ware achting

Uw d.w.

Karel van de Woestijne.

 

Ik heb in Jan.-nummer eene kroniek over ‘Jezus de Nazarener’: 14 bladzijden.2 Ware

[p. 22]

't veel-eischend, u te vragen er me thans het honorarium van te willen opsturen? Ik zou er U zeer dankbaar om zijn. - Ik heb niet goed begrepen hoe U het honorarium van het Dec.-nummer had berekend. Er was eigenlijk te veel, als het bedrag tegen 4 fr. per bladzijde was. Is er vergissing van uwentwege geweest, wellicht?

Met besten groet.

1Het treurspel Dejaneira, waarop Van de Woestijne al in zijn brief van 26 november zinspeelde, werd nooit voltooid.
2‘Jezus de Nazarener en Rafaël Verhulst’, in Vlaanderen 3 (1905) 1 (januari), p. 41-54. Onder de brief berekende Van Dishoeck het honorarium voer deze bijdrage: B.Frs. 73,50 (het honorarium bedroeg B.Frs. 5,25 per pagina).
prepostterug  begin  verder