Waarde Heer,
Ik heb u tot op heden niet mogen schrijven over mijn bundel gedichten. Mijne vrouw, ten gevolge van hare bevalling, is ten doode ziek geweest, en eerst nu, dat ze aan de beterhand is, kan ik aan andere zaken denken.1
Ik zal u dus over enkele dagen heel den bouw van 't boek kunnen blootleggen. Tenzij de toestand van uwe eigene gezondheid U eene spoedige reis naar Vlaanderen toeliet, hetgeen ik hoop.
Laat het me, bid ik U, weten, en aanvaard intusschen de uitdrukking van mijne ware achting.
Uw d.w. dr.
Karel van de Woestijne