Waarde Heer,
Ik heb volgend briefje aan den heer Veen geschreven (bewaar dit, s.v.p., als kopij ervan):
‘Ik heb uw briefkaart goed ontvangen. Ik maak er uit op dat gij geen bezwaar hebt tegen het herdrukken van “Het Vader-Huis”. Wil me s.v.pl. laten weten tegen welke voorwaarden gij mij de nog overblijvende exemplaren over zoudt maken, en aanvaard... etc.’1
Ziedaar. Uit zijn antwoord zal wel blijken of we verder kunnen gaan.
Papier en letter zijn dus in orde, ook formaat en papier voor den omslag. (Witgeschepte van ‘In hooge Regionen’.)2 De teekening komt binnen de vier dagen in orde.3 Ik stuur ze u onmiddelijk op. Heeft U reeds iets gevonden voor het portret? Eenmaal dát klaar, kunnen wij dan vooruit. Voor het bandje kies ik maar liefst het grijze linnen: het heeft de meeste distinctie, vindt U niet? Het boek kan er zéer voornaam meê uitzien. Op het plat drukken we dan niets, alleen op den rug, misschien in zilver(?).
Van Langendonck schreef me (zei ik het u reeds?) dat hij geneigd is een klein inleidend woord te schrijven, maar wilde weten, hoeveel tijd hij daarvoor heeft.4 Dat zou met het laatste vel kunnen worden gedrukt, nietwaar; en wij zouden hem kunnen vragen klaar te zijn over een drietal weken. Is dat goed?
Ik dank U van harte voor Uwe wenschen aangaande mijne vrouw. Moge het waar zijn!
Ik verwacht dan gaarne nieuws voor V. Langendonck. Heb ik er van Veen, dan maak ik het u dadelijk over.
Met hartelijkste groeten,
Uw d.w. dr.
Karel van de Woestijne