Waarde Heer,
Daareven ontvang ik hierbijgaande kaart van Veen.1 Wil ze a.u.b. voor mij bewaren. Acht U het nog noodig dat ik die exempl. inkoop? Liefst deed ik het natuurlijk niet! Hecht U er echter aan dat ze van den Hollandschen boekenmarkt verdwijnen, ik vind hier in België misschien wel een boekhandelaar die ze voor rekening neemt. Ik laat de zaak, overigens, aan Uw believen over.
Ik hoop dat ik U binnen de twee dagen de omslag-teekening kan laten geworden. Dan kunnen we spoedig vooruit. Ik werk aan de twee gedichten die achteraan nog ontbreken.2 - Heeft U reeds gedacht aan 't vóorwoord-van Langendonck? - Wil U ook herinneren, bij 't laten-ontwerpen van den linnen proefband, dat we gesproken [hebben] van dik bord-papier, dun uitloopend, voor het plat.
Aanvaard, bid ik U, mijne hartelijkste groeten
Uw dw. dr.
Karel van de Woestijne