7 November 05.
Waarde Heer.
Dank voor het toegezegde geld.1 Het helpt me uit de verlegenheid. Geloof dat U me zeer aan U verplicht...
Ja, we pakken ‘Vlaanderen’ met nieuwen moed aan, en het zal aan míj niet liggen als het ditmaal niet meê moest willen. Gelijk wij het thans inrichten willen verwezenlijkt het een droom die ik sedert lang koester.2 Geen wonder dan dat ik als secre-
taris de zaak ernstig opneem, en mijn best doe dat het goed ga. - Het Januari-nr zal wel het beste van ‘Vlaanderen’ zijn, sedert zijn ontstaan. Reeds heb ik enkele bijdragen in mijn bezit. Andere, belangrijke, zijn uitdrukkelijk toegezegd. U zult zien: het tijdschrift wordt een ‘levend’ ding.
Van Deyssel zal ook meêwerken, maar... er is een geldelijk bezwaar, dat U duidelijk wordt uit hierbij-gaande briefkaart van hem.3 't Ware jammer dat we in ons eerste nr iets van hem ontberen moesten. Wij laten dit echter aan U over... Mag ik ook hierover een woordje verwachten? De briefkaart van v. Deyssel is van 30 October reeds...
Met vriendelijkste groeten en herhaalden dank
Uw
Karel van de Woestijne4